Het annihilationisme is een christelijke leer of een dogma dat zondaren na de wederkomst vernietigd worden, en niet eeuwig zullen lijden in de hel of de poel van vuur. Deze zienswijze wordt door een minderheid van de christenen aangehangen. De gedachte erachter is dat het eeuwige leven voorwaardelijk is, en alleen bestemd is voor diegene die het ontvangen. God zal alle zondaren vernietigen waardoor alleen de rechtvaardigen eeuwig leven zullen ontvangen.
Sommige annihilationisten geloven dat zondaren in de hel zullen lijden terwijl ze vernietigd worden. Andere geloven dat de hel sowieso een valse leer is, met een heidense oorsprong. Denominaties die het annihilationisme aanhangen zijn de zevendedagsadventisten en de Broeders in Christus (Christadelphians). Ook verschillende protestantse en anglicaanse schrijvers hangen de doctrine aan.
De leer van het annihilationisme heeft zijn wortels in het jodendom. Volgens David Bentley Hart lijken de ideeën van de rabbijn Hillel omtrent het laatste oordeel in de richting van het annihilationisme te wijzen. Hillel leefde een generatie eerder dan Jezus. In ieder geval lijkt hij te geloven dat de mensen die in Gehenna (hel) terechtkomen daar voor een bepaalde tijd verblijven. De zielen van de overledenen ondergaan een soort zuiveringsproces, waarbij het er op lijkt dat degenen die dit proces niet doorstaan zullen ophouden te bestaan. Een heel klein groepje heel slechte mensen zal voor eeuwig in Gehenna verblijven (nl. hen die niet in staat blijken te zijn zich te verbeteren). Zijn tijdgenoot (en tegenspeler) Sjammai dacht er blijkbaar hetzelfde over. Rabbi Akiva, die een generatie ná Jezus leefde meende dat het verblijf in Gehenna niet langer dan twaalf maanden zou duren.
De grote meerderheid van de christelijke theologen heeft tot zeker het einde van de middeleeuwen vastgehouden aan de doctrine van een letterlijke hel, eeuwig dan wel tijdelijk. Verwijzingen naar een voorwaardelijk eeuwig leven zijn te vinden bij Justinus de Martelaar (rond het jaar 165). Rond het jaar 330 draagt Arnobius expliciet het concept van het annihilationisme uit. Ook in preken van John Wesley zijn sporen van het idee van het annihilationisme terug te vinden.
Halverwege de 19e eeuw won de doctrine van het annihilationisme aan invloed binnen de kerken en groepen die voortkomen uit de beweging rond William Miller. Het gaat dan onder andere om de zevendedagsadventisten, de broeders in Christus en Jehova’s getuigen. In 1965 schreef de zevendedagsadventist en historicus Le Roy Froom een boek dat een belangrijke invloed zou uitoefenen, namelijk The Conditionalist Faith of our Fathers.
Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw heeft het annihilationisme binnen de protestantse theologie aan gezag gewonnen. In de laatste jaren voor zijn dood droeg William Branham, een invloedrijke Bijbelleraar, de leer van het annihiliationisme uit. Basil Atkinson, John Wenham en andere geleerden aan de Universiteit van Cambridge vervulden een belangrijke rol in het meer gezag geven van deze leerstelling. Verschillende invloedrijke evangelicale theologen, waaronder John Stott, wezen ook de klassieke helleleer af. Een reden waarom sommige auteurs de doctrine van een eeuwige pijniging in de hel afwijzen, is omdat zij deze niet verenigbaar vinden met het idee van Gods alomvattende liefde. De liberale Britse theoloog Hastings Rashdall (1858-1924) droeg een vergelijkbaar standpunt uit.
De aanhangers van de doctrine verwijzen vaak naar het Nieuwe Testament waar Jezus erover spreekt dat God zowel "ziel én lichaam" kan laten omkomen. In de Hebreeuwse Bijbel staat dat God "de ziel die zondigt zal laten sterven".
Hun visie op het leven na de dood is gebaseerd op teksten als Johannes 11:11 waar staat: "‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken’" en 1 Tessalonicenzen 4:15 (NBV): "Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan." Volgens deze visie is de mens (of zelfs de menselijke ziel) sterfelijk en heeft, wanneer iemand gestorven is, de ziel geen besef van tijd. In zekere zin "slaapt" de ziel dus, tot zij bij de wederkomst van Christus zal ontwaken. Volgens sommige geleerden hadden de oude Hebreeën geen concept van de eeuwige ziel of van inherente onsterfelijkheid. Voor hen zou de mens na overlijden naar Sheol gaan, de woonplaats van de doden, een zwart eind, verwant aan het Griekse idee van de hades.
Volgens Hendrikus Berkhof lijkt de gedachte dat waarin de tegenstanders van God vernietigd worden zowel aan Gods liefde als aan de ernst van de menselijke beslissing recht te doen. Maar, zegt Berkhof, de annihilatio is een nederlaag van de liefde van God, die versluierd is door een machtsdaad van God. In dezelfde trant laat ook de Amerikaanse theoloog David Bentley Hart zich uit. De Nederlandse pedagoog en theoloog Philip Kohnstamm was een aanhanger van het annihilationisme.
Teksten die gebruikt worden om de doctrine van het annihilationisme te verdedigen:
In het Hebreeuws wordt er gesproken over de ziel die zondigt: נָ֫פֶשׁ (nefesh).
Deze tekst verwijst naar Jesaja 66:24 waar het over dode lichamen gaat die buiten de stad liggen als afgrijzen, dus niet over mensen met bewustzijn die door vuur en wormen worden gepijnigd.
In het Grieks wordt voor verbrand het woord κατακαίω gebruikt wat zoiets betekent als opbranden of vernietigen door vuur. In tegenstelling tot καίω dat slechts verbranden betekent. In de Septuaginta wordt in Exodus 3:2 verteld dat de doornstruik brandde in het vuur (καίω), maar niet verteerde (κατακαίω).
De betekenis van verderf (ὄλεθρος) geeft geen uitsluitsel of hier sprake is van vernietiging, maar voorstanders van annihilationisme zien vergelijkbare taal (bv. vlammen van vuur) in Jesaja 66:15-16. In deze tekst wordt gesproken over "zij die door de HEERE dodelijk gewond zijn".
In het boek Openbaring wordt een aantal keer uitgelegd wat het beeld in een visioen betekent. Zo wordt in Openbaring 1:20 verklaard dat de zeven kandelaren voor de zeven gemeenten staan. Analoog hieraan kan uit bovenste tekst opgemaakt worden dat de poel des vuurs symbool staat voor een tweede keer sterven.
Teksten die gebruikt worden om het annihilationisme af te wijzen:
Annihilationisten brengen hierin tegen dat in deze tekst verwezen wordt naar Jesaja 66:24 waarbij het gaat over dode lichamen die buiten de stad liggen om te worden verafschuwd.
Annihilationisten brengen hierin tegen dat bij de tweede groep alleen het afgrijzen als eeuwig wordt benoemd. Het kan goed zijn dat de goddelozen omgebracht worden en voor eeuwig worden verafschuwd door de eerste groep, vergelijkbaar met Jesaja 66:24. Dat is de enige andere plek in het Oude Testament waar het woord afschuw (דֵּרָאוֹן) voorkomt.
Annihilationisten brengen hier tegenin dat niet wordt aangegeven dat het gejammer en tandengeknars eeuwig voortduurt. Bovendien komt dezelfde zinsnede voor in Matteüs 13:40 waar het lot van de goddelozen vergeleken wordt met het opbranden van onkruid.
Annihilationisten brengen hier tegenin dat eeuwig vuur niet hoeft te betekenen dat mensen voor eeuwig pijn zullen lijden in dit vuur. Bovendien wordt dezelfde term gebruikt in Judas 7 waarbij eeuwig vuur gebruikt wordt bij het beschrijven van de straf van Sodom en Gomorra, hoewel deze steden vandaag de dag niet meer in brand staan.
Annihilationisten brengen hierin tegen dat vernietigd worden ook een eeuwige straf is omdat het resultaat hiervan eeuwig is, vergelijkbaar met hoe in Hebreeën 9:12 gesproken wordt over eeuwige verlossing. Hierbij wordt niet bedoeld dat Jezus eeuwig aan het verlossen is, maar dat het resultaat van de verlossing eeuwig is. Hier kan weer tegenin gebracht worden dat de tekst een parallel bevat. Als eeuwig leven inhoudt dat de rechtvaardigen eeuwig bewust blijven leven, ligt het voor de hand dat eeuwige straf inhoudt dat de goddelozen eeuwig bewust gestraft zullen worden.
Volgens het annihilationisme zullen goddelozen bij de wederkomst opstaan en worden vernietigd. Deze parabel gaat echter over de toestand tussen de dood en de wederkomst. In de grondtekst wordt het woord hades gebruikt voor de hel, terwijl Gehenna of poel des vuurs wordt gebruikt voor de eindbestemming van de goddelozen na de wederkomst. Ook het feit dat de rijke man vijf broers heeft die nog in leven zijn, geeft aan dat dit verhaal vóór de wederkomst plaatsvindt.
Annihilationisten antwoorden hierop dat ook in Jesaja 34:10 gezegd wordt dat rook van Edom voor eeuwig opstijgt, maar dat er in vers 11 wel degelijk sprake is van dieren die er wonen. Hiermee kan het eeuwig opstijgen van rook gezien worden als een teken van volledige verwoesting. Ook van Babylon wordt gezegd dat haar rook voor eeuwig opstijgt (Openbaring 19:3), maar ze zal niet meer gevonden worden (Openbaring 18:21).
Johannes ziet in het visioen dus dat de volgende drie eeuwig gepijnigd worden: de duivel, het beest en de valse profeet. Dit wordt niet expliciet over goddelozen gezegd, hoewel ze wel op dezelfde plaats terechtkomen. Verder is opvallend dat het lot van goddelozen wordt aangeduid als de tweede dood (Openbaring 21:8), wat niet gebeurt bij de duivel, het beest en de valse profeet.