| Arend Braat | ||||
|---|---|---|---|---|
| Algemeen | ||||
| Geboortedatum | 15 februari 1874 | |||
| Overlijdensdatum | 11 januari 1947 | |||
| Partij | Plattelandersbond (1917 - 1932) Nationale Boeren-, Tuinders- en Middenstandspartij (1932 - 1933) | |||
| Religie | Hervormd | |||
| Functies | ||||
| 1919 - 1923; 1935 - 1940 |
lid gemeenteraad van Hekelingen | |||
| 1919 - 1923 | Wethouder van Hekelingen | |||
| 1919 - 1933 | lid Tweede Kamer der Staten-Generaal | |||
| 1923 - 1931 | lid Provinciale Staten van Zuid-Holland | |||
| ||||
Arend Braat (Hekelingen, 15 februari 1874 – aldaar, 11 januari 1947) was een Nederlands politicus. Als voorman van de Plattelandersbond stond hij bekend als Boer Braat.
Braat was afkomstig van een van de toen nog tamelijk geïsoleerde Zuid-Hollandse eilanden en was gehuwd met een rijke boerendochter. Aanvankelijk werd hij niet verkozen in de Tweede Kamer voor de Plattelandersbond na de verkiezingen van 1918. Frederik Bos vertegenwoordigde de partij in de Kamer, maar deze trad na een jaar alweer terug wegens heimwee naar zijn boerderij. Hierop volgde Braat hem op als Kamerlid. Door zijn optreden in de Kamer zou hij met enige regelmaat de pers weten te halen. Hij sprak bijvoorbeeld belabberd Nederlands, iets waarover hij zelf trots was en had ook geen kennis van de parlementaire omgangsvormen. Door zijn houding verwierf Braat al snel een twijfelachtige reputatie van de "de meest ongelikten boer die ooit in de politieke arena is toegelaten." Parlementair historicus Pieter Oud karakteriseerde hem als "de spreektrompet van het achterlijkste, gelukkig niet talrijke, deel der plattelandsbevolking."
Hij oogstte ook veel kritiek door zijn tirades in de Kamer "over de hetze tegen de plattelandsbevolking". Hij liet zich dan ook vaak ongenuanceerd uit en noemde hij het Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II een "vreedzame sovjet-regering". Op bijeenkomsten van de Plattelandersbond werd hem hulde gebracht over de manier waarop hij zijn Kamerlidmaatschap uitvoerde. In de periode dat hij in de Kamer zat deed Braat tot vijf keer toe een initiatiefvoorstel om de zomertijd af te schaffen. Hij beargumenteerde dat de boeren op het platteland hier alleen maar hinder van ondervonden. Braat zou tot in 1933 in de Kamer blijven zitten. Naast zijn Kamerlidmaatschap was hij tussen 1923 en 1931 ook lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en zat hij in de periodes 1919-1923 en van 1935 tot 1940 in de gemeenteraad van Hekelingen.
In de jaren 1930 ontwikkelde Braat een grote belangstelling voor het fascisme. Na zijn vertrek uit de Tweede Kamer werd hij in 1935 door de NSB als lid geweigerd.
In Hekelingen is de "Arend Braatlaan" naar hem vernoemd.