Lonque kreeg muziekles van zijn vader Séraphin en van zijn oudere broer Georges. Vanaf 1917 studeerde hij aan het Koninklijk Conservatorium Gent bij Oscar Roels (solfège), Jef Van der Meulen (harmonie), Marcel Laoureux (piano), Joseph Ryelandt (contrapunt) en Martin Lunssens (fuga). Hij was muziekleraar aan het Koninklijk Atheneum in Aalst (1936-1968) en aan het atheneum in Geraardsbergen. Verder was hij instructeur voor piano aan het Koninklijk Conservatorium Gent (1926-1932) en docent voor solfège en piano aan de stedelijke muziekschool van Aalst, oprichter en directeur van de gemeentelijke muziekschool van Asse (1948) en directeur van de gemeentelijke muziekacademie van Gentbrugge (1957-1973).
Hij was een veelzijdig componist en schreef werken voor diverse genres.
Composities
Werken voor orkest
1954Petite Suite - Concertstuk, voor altsaxofoon en orkest
Au Roi Albert, voor spreker en orkest
Bruiloftsmars, voor orkest
Jubelmars, voor orkest, op. 4
Mercuriusmars, voor orkest
Exil, voor orkest - gebaseerd op het gelijknamige gedicht uit het bundel "Houles" van Marie-Jo Gobron
Sonatine in d mineur, op. 34 - maakt deel uit van het album "Six piano sonatinas by Belgian composers (Zes sonatinas van Belgische componisten)"
Martine heeft 3 poppen, op. 50
Prelude, op. 28
Bibliografie
Flavie Roquet: Lexicon: Vlaamse componisten geboren na 1800, Roeselare, Roularta Books, 2007, 946 p., ISBN 978-90-8679-090-6
Thierry Levaux: Dictionnaire des compositeurs de Belgique du moyen âge à nos jours, Ohain-Lasne: Éditions Art in Belgium sprl, 2006. 736 p., ISBN 2-930338-37-7