Arthur Laes

Arthur Laes (Leuven, 1 juli 1876 - Elsene, 5 december 1959) was een Belgisch kunsthistoricus en conservator. Hij was gedurende ongeveer vijfenveertig jaar verbonden aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel en was gespecialiseerd in de studie van de schilderkunst uit de Zuidelijke Nederlanden, in het bijzonder het Vlaamse landschap in de 16e en 17e eeuw.

Biografie

Opleiding

Arthur Laes studeerde Grieks-Latijnse humaniora aan het atheneum in Leuven. Vervolgens behoorde hij tot de eerste studenten van het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde in Brussel, dat kort voordien was opgericht. Hij behaalde er met groot succes zijn academische graden. Zijn opleiding vormde de basis voor zijn latere loopbaan als kunsthistoricus en museumwetenschapper.

Koninklijke Musea

Na zijn studies hij Laes toe tot het wetenschappelijk personeel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel. Hij bleef er ongeveer vijfenveertig jaar werkzaam en bereikte er de functie van conservator. Hij werkte achtereenvolgens onder de hoofdconservatoren Hippolyte Fierens-Gevaert en Leo Van Puyvelde. Binnen de musea hield hij zich bezig met het wetenschappelijk beheer en de presentatie van kunstwerken en leverde hij een bijdrage aan de verdere uitbouw van de collecties. Zijn werkzaamheden omvatten onder meer de beoordeling en selectie van kunstwerken voor verwerving en de wetenschappelijke inrichting van museumzalen.

Hij was gedurende vele jaren lid van de adviescommissie voor de oude schilderkunst van het Koninklijk Museum in Brussel. In deze functie adviseerde hij onder meer over de aankoop van kunstwerken.

Laes was betrokken bij de organisatie van verschillende belangrijke kunsttentoonstellingen in België en daarbuiten, waaronder van het Vlaamse lanschap, Vincent van Gogh, Alfred en Joseph Stevens en de schetsen van Peter Paul Rubens. Hij speelde bovendien een rol bij de Belgische deelname aan de Biënnale van Venetië.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in het Verenigd Koninkrijk, waar hij verschillende openbare en particuliere kunstcollecties bestudeerde. Na de bevrijding in 1944 kwam er kritiek op waarnemend hoofdconservator Marguerite Devigne, waardoor Laes tijdelijk deze functie overnam. Een jaar later keerde hoofdconservator Léo Van Puyvelde terug om de functie op te nemen.

Onderzoek en publicaties

Het wetenschappelijke werk van Laes omvatte zowel de oude als de moderne schilderkunst. Zijn belangrijkste onderzoeksgebied was de Vlaamse landschapschilderkunst, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling ervan in de 16e en 17e eeuw.

Hij publiceerde artikelen en studies in belangrijke kunsthistorische tijdschriften in België en het buitenland, brochures en catalogi. Zijn onderzoek was niet beperkt tot afzonderlijke kunstenaars, maar omvatte ook de bestudering, identificatie en wetenschappelijke ontsluiting van schilderijen en museumcollecties. Een belangrijk onderdeel van Laes' bibliografie bestond uit museumcatalogi en gespecialiseerde studies.

In 1927 publiceerde Laes samen met Fierens-Gevaert catalogi van de collecties van het Koninklijk Museum voor Oude Kunst en het Museum voor Moderne Kunst. Deze catalogi waren bedoeld als zowel wetenschappelijke documentatie als praktische gidsen voor bezoekers.

Academische functies

Naast zijn museumloopbaan bleef Laes verbonden aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Archeologie. Hij vervulde er gedurende ongeveer veertig jaar verschillende bestuurlijke functies, aanvankelijk als secretaris en later als secretaris-generaal en bestuurder. Gedurende ongeveer dertig jaar doceerde hij er geschiedenis van de moderne schilderkunst in België. Hij was daarnaast belast met de organisatie van examens en opleidingen binnen het instituut.

Hij werd in 1931 corresponderend lid van de Koninklijke Academie voor Oudheidkunde van België en werd in 1937 tot effectief lid benoemd.

Literatuur