| August Essenwein | ||
|---|---|---|
| Algemene informatie | ||
| Geboortedatum | 2 november 1831 | |
| Geboorteplaats | Karlsruhe | |
| Overlijdensdatum | 13 oktober 1892 | |
| Overlijdensplaats | Neurenberg | |
| Werk | ||
| Beroep | architect, kunsthistoricus, architectuurhistoricus | |
| Werkveld | architectuur, kunstgeschiedenis, museum management | |
| Werkgever(s) | Germanisches Nationalmuseum | |
| Functies | museumdirecteur | |
| Studie | ||
| Leerling van | Heinrich von Ferstel | |
| Persoonlijk | ||
| Talen | Duits | |
| Schrijftaal | Duits | |
| Diversen | ||
| Lid van | Karlsruher Burschenschaft Teutonia, Königlich Sächsischer Altertumsverein | |
| Prijzen en onderscheidingen | honorary citizen of Nuremberg (1891) | |
| Archieflocatie(s) | Duits kunstarchief in het Germanisches Nationalmuseum, Historisches Archiv des Germanischen Nationalmuseums | |
August Essenwein, voluit August Ottmar Ritter von Essenwein (Karlsruhe, 2 november 1831 − Neurenberg, 13 oktober 1892) was een Duits architect, architectuurhistoricus en kunsthistoricus. Vanaf 1866 was hij de eerste directeur van het Germanisches Museum in Neurenberg, dat in 1871 werd omgedoopt tot het Germanisches Nationalmuseum.
August Essenwein studeerde van 1847 tot 1852 aan de Polytechnische School in zijn geboortestad Karlsruhe, nu het Karlsruher Institut für Technologie, waar hij lid was van de studentenvereniging Germania (nu Teutonia). Vervolgens maakte hij uitgebreide studiereizen naar Berlijn, Keulen, Wenen en Parijs. Van 1853 tot 1856 werkte hij als architect in Karlsruhe. In deze periode schreef hij een boek over baksteenarchitectuur in Noord-Duitsland in de middeleeuwen, geïllustreerd met 36 platen.
In 1856 verhuisde hij naar Wenen en trad daar in dienst van de staatsspoorwegen. Naast zijn werk wijdde hij zich aan kunsthistorische studies. Hij schreef diverse artikelen voor het blad Mitteilungen der k.k. Zentralkommission, ontwierp verschillende gebouwen, vooral in neoromaanse stijl, en was actief in de kunstsector. In 1864 werd hij gekozen tot lid van de stadsbouwcommissie van Graz en een jaar later werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Technische Universiteit Graz. Daar publiceerde hij in 1867 een boek over de middeleeuwse monumenten van Krakau.

In 1866 werd hij benoemd tot eerste directeur van het in 1852 opgerichte Germanisches Museum in Neurenberg. Als directeur was hij zeer actief. In korte tijd wist hij de museumcollectie aanzienlijk uit te breiden, waardoor het museum een goede reputatie kreeg. Hij verlegde de focus van het museum van een bewaarplaats van primaire bronnen naar een collectie van kunsthistorische en cultuurhistorische artefacten. Hij publiceerde verschillende korte werken over het museum in het algemeen, enkele gespecialiseerde catalogi over de verschillende afdelingen van het museum, en daarnaast talrijke korte artikelen in de Anzeiger für Kunde der deutschen Vorzeit (tijdschrift voor de studie van de Duitse prehistorie).
Essenwein was nauw betrokken bij de uitbreiding van het kartuizerklooster in Neurenberg, het voormalige kloostercomplex waarin het Germanisches Museum was gevestigd. Daarnaast hield hij zich bezig met de restauratie van historische gebouwen, muurschilderingen, glas-in-loodramen, orgels en soms de complete inrichting van kerken, zoals bij de Grote Sint-Martinuskerk in Keulen, waarvan hij de herinrichting tot in detail begeleidde. In Bonn trad hij op als adviseur bij de restauratie van het Bonner Munster. In Neurenberg adviseerde hij bij het herstel van het ingangsportaal en het orgel van de Sint-Laurentiuskerk.
Essenwein overleed op zestigjarige leeftijd in Neurenberg. Zijn graf bevindt zich op de begraafplaats Johannisfriedhof in Neurenberg.
Een deel van zijn geschreven nalatenschap wordt bewaard in het Germanisches Nationalmuseum.
