Een bijzin of deelzin is in de redekundige ontleding een zin die deel uitmaakt van een samengestelde zin, maar die niet de hoofdzin is. Een bijzin kan soms zelf weer worden opgedeeld in nog kleinere bijzinnen en wordt vaak maar niet altijd ingeleid door een voegwoord.
In het Nederlands en veel andere Germaanse talen staat in een bijzin meestal het onderwerp direct na het voegwoord en de persoonsvorm helemaal achteraan, met daartussenin andere zindelen, de zogeheten SOV-woordvolgorde. In een hoofdzin geldt daarentegen de SVO-woordvolgorde veelal als de standaardnorm:
Een uitzondering is in dit opzicht het Engels. Daar valt op dat in de SVO-woordvolgorde ook in bijzinnen de standaardnorm is:
Bijzinnen worden op meerdere manieren ingedeeld:
(beperkend en uitbreidend)
Een inhoudsbijzin heeft de grammaticale functie van onderwerp of lijdend voorwerp, en wordt ook wel subjects- of objectszin genoemd. Door middel van een inhoudsbijzin wordt met name een vraag, vermoeden of wens geuit.
Inhoudsbijzinnen worden meestal ingeleid door een vraagwoord, een van de voegwoorden dat of of, of een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent:
Wanneer een zin met een inhoudsbijzin wordt herschreven, wordt nog duidelijker wat de functie van de inhoudsbijzin is:
De volgende soorten inhoudsbijzinnen worden onderscheiden:
Een bijzin (met name een bijvoeglijke/betrekkelijke bijzin) moet worden onderscheiden van een bijstelling.