| Bossalie | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Salvia nemorosa L. (1762) | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Bossalie (Salvia nemorosa) is een winterharde kruidachtige vaste plant die van oorsprong voorkomt in grote delen van Centraal-Europa en West-Azië. De plant is vanwege zijn kleurrijke bloemen door tuiniers over heel Europa verspreid.
De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1762 door Linnaeus gepubliceerd. Hij baseerde zich op eerdere beschrijvingen door Johann Gottfried Zinn (1757), Bauhin (1623) en Tournefort (1700). Deze drie verwezen allen op hun beurt naar Clusius, Bauhin naar Rariorum aliquot stirpium (1583), Zinn en Tournefort naar Rariorum plantarum historia (1601), waar in beide gevallen een uitgebreidere beschrijving te vinden is. De soortaanduiding nemorosa is een bijvoeglijk naamwoord, en betekent 'bos-'.

30 tot 60 cm hoge plant met een vierkante stengel die geen klierharen draagt, en zonder wortelrozet aan de voet. De bladen zijn langwerpig tot lancetvormig, gekarteld en kortgesteeld, onderaan de stengel langer gesteeld. Bloemen staan in schijnkransen van zes tot tien blauwe tot blauwpaarse bloemen (in sommige hybriden ook roze of wit), met daaronder donker gekleurde schutbladen (bij witte bloemen heldergroen). De bloemkroon is 8–12 mm lang. De kelk draagt klieren. De bloeitijd is juli tot september. In tegenstelling tot veel andere saliesoorten is bossalie niet geschikt voor consumptie.
De plant komt typisch voor in een bosrijke omgeving, en in halfdroge graslanden, maar gedijt ook in bermen, vooral op kalkrijke grond. Er zijn verschillende hybriden die het moeilijk maken deze salie te identificeren.