| Boudewijn Büch | ||||
|---|---|---|---|---|
Büch in 1994 | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Boudewijn Maria Ignatius Büch | |||
| Geboortedatum | 14 december 1948 | |||
| Geboorteplaats | Den Haag | |||
| Overlijdensdatum | 23 november 2002 | |||
| Overlijdensplaats | Amsterdam | |||
| Geboorteland | Nederland | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Bonaventuracollege | |||
| Beroep | Auteur, dichter, tv-presentator | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1973-2002 | |||
| Werken | ||||
| Genre(s) | Romans, poëzie | |||
| Stroming(en) | Postmodernisme | |||
| Bekende werken | De kleine blonde dood (1985) Het dolhuis (1987) | |||
| Eigenaar van | Boudewijn Büch's library | |||
| Links | ||||
| Dbnl-profiel | ||||
| (en) IMDb-profiel | ||||
| Website | ||||
| ||||
Boudewijn Maria Ignatius Büch (Den Haag, 14 december 1948 – Amsterdam, 23 november 2002) was een Nederlandse schrijver, dichter, bibliofiel en televisiepresentator. Hij werd vooral bekend door zijn roman De kleine blonde dood (1985), die in 1993 werd verfilmd. Als televisiepresentator maakte hij indruk met literaire (reis)programma’s zoals De wereld van Boudewijn Büch.
Ondanks zijn populariteit raakte Büch ook omstreden vanwege zijn vele verzinsels over zijn eigen leven, zoals over zijn afkomst, opleidingen, werk en bovenal een verzonnen zoon.
Boudewijn Büch werd geboren in Den Haag in de Bethlehemkliniek en groeide op in Wassenaar in het katholieke gezin Buch, met vijf broers, onder wie Menno Buch. Zijn ouders scheidden in 1963. Zowel Boudewijn als zijn broers herinnerden zich hun vader als een tirannieke persoonlijkheid; zijn ouders hadden volgens Boudewijn een slecht huwelijk.
Büchs schoolopleiding verliep moeizaam. Hij bracht enige jaren door op het gymnasium (Bonaventuracollege) en de hbs, maar eindigde zijn schoolcarrière met een mulo-diploma. Wel raakte hij via zijn belezen schoolvriend Peter van Zonneveld bekend met schrijvers als Goethe en Bilderdijk, die hem zijn leven lang zouden fascineren. Al snel ontwikkelde Büch ook zelf literaire ambities, waarop zijn ouders hem toevertrouwden aan de Wassenaarse leraar Nederlands en latere NCRV-televisiepersoonlijkheid Sipke van der Land (1937-2015). Tijdens wekelijkse bijeenkomsten bracht Van der Land hem de kunst van het schrijven bij.
Büchs aanleg voor het dichterschap werd al snel opgemerkt. Hij vond diverse mentoren in kringen van kunstenaars en academici in Leiden. Begin jaren zeventig werd hij door velen gezien als een erudiet wonderkind, een status die hij mede verwierf door zijn weetgierigheid en bluf. In sommige gevallen speelde hij bewust in op homo-erotische gevoelens bij bewonderaars die toonaangevende posities in het Nederlandse culturele leven bekleedden.
Büch omarmde in deze periode een romantisch-decadent imago. Hij koketteerde enige tijd met een homoseksuele en pedofiele geaardheid en was enkele jaren voorzitter van de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit. De serieuze liefdesrelaties die hij tijdens zijn leven had waren echter zonder uitzondering heteroseksueel.
Vanaf omstreeks 1973 begon Büch serieus werk te maken van een loopbaan als dichter. Hij legde contact met Harry G.M. Prick. Mede dankzij de aanbevelingen van uitgever Martin Ros werd Büch al snel als een literaire sensatie beschouwd.
De hype ging vergezeld van de fantasiecarrière die hij in de loop der jaren voor zichzelf had bedacht en waarmee zijn vrienden al langer bekend waren: hij zou zijn doctoraal in zowel Duits als filosofie hebben behaald en noemde zich bovendien psychofarmacohistoricus – een zelfverzonnen discipline waarover hij claimde dat hij er 's werelds "belangrijkste expert" in was. Dit betrof zijn fascinatie met het gebruik van drugs door 19e-eeuwse romantische dichters als Samuel Coleridge, Thomas de Quincey, Charles Baudelaire en Arthur Rimbaud. In 1991 kon hij in zijn boek Rock 'n' roll rijkelijk putten uit de door hem verzamelde wetenswaardigheden over het gebruik van allerhande drugs door 20e-eeuwse jazz- en popmusici.
In november 1975 trok de poëzie van Büch de aandacht middels zijn debuut in Maatstaf. In 1976 publiceerde hij ook in Hollands Diep een kritiek op de toekenning van de P.C.Hooftprijs aan Hendrik de Vries. Dankzij bemiddeling door Harry Prick verscheen in maart 1976 zijn eerste gedichtenbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs, tevens met een duurdere bibliofiele editie. In april 1976 verscheen onder de naam Boudewijn Ignatius Maria Büch zijn gedicht Togetherness - Frankie Avalon - voor Bernadette als Gedicht van de Week in avondblad Het Parool, de krant waarvoor hij later als recensent zou gaan schrijven. In juni 1976 verscheen in NRC Handelsblad zijn gedicht 'As by the dead we love to sit' Emily Dickinson - voor Bernadette en kort daarna in juli zijn artikel De Goethe-industrie en tevens Dat Popou vooral niet winnen mag, een column-achtig stukje over wielersport, waarin hij opschepte ooit "in zeven dagen van Leiden naar Bilbao" te zijn gefietst. Hierna zou hij vaker stukken in deze krant publiceren en verscheen ook dichtwerk van zijn hand in Tirade. In september 1977 verscheen zijn tweede dichtbundel Taal als blauw - Das heitre Blau ist vertilgt... Novalis. Zijn eerste roman De blauwe salon verscheen in 1981. Harry G.M. Prick fungeerde als zijn schaduwschrijver.[bron?] In 1982 verscheen zijn dichtbundel Dood kind, dat in een recensie werd aangeprezen als een verzameling "meesterlijke treurzangen over gestorven onschuld".
In de jaren 80 ontpopte Büch zich als zeer productief auteur. Telegraaf-criticus Ivan Sitniakowsky noemde hem een "miskend genie", maar ook "bezeten" en "het enfant terrible van de Nederlandse literatuur". Rob Schouten merkte in dagblad Trouw op dat zijn proza "cirkelt om de twijfel tussen realiteit en verbeelding". Van zijn romans is De kleine blonde dood (1985) veruit de bekendste geworden, mede door de film naar het boek. Maar ook romans als Links! (1986), over het leven in een commune, Het dolhuis (1987), over een jeugdinternaat, en Het bedrog (1993), over de breuk met een boezemvriend, vonden veel aftrek.
Zijn literaire werken hadden vaak een deels autobiografische, deels fictieve inslag (een genre dat later bekend kwam te staan als autofictie), waarin steeds dezelfde thema's terugkeerden (depressie en psychiaterbezoek, de problematische relatie met de ouders, het maatschappelijke klimaat in de jaren vijftig en het muzikale fandom, in het bijzonder ten opzichte van The Rolling Stones). Het werd Büch kwalijk genomen dat hij in zijn romans de waarheid geweld aandeed; gesteld is dat hij een "ziekelijke lust" zou hebben gehad om van zijn eigen leven een mythe te maken. Hierop verweerde hij zich door te stellen dat het literatuur was, maar sommigen in zijn omgeving waren zo misleid door zijn fictie dat zij in de veronderstelling verkeerden dat ze hem financieel moesten bijstaan.
Na enkele artikelen in NRC Handelsblad te hebben gepubliceerd waarin hij zich ook manifesteerde als "literair reiziger", een fervent bezoeker van plaatsen die een rol speelden in de levens van literaire grootheden, verscheen in maart 1979 zijn eerste van vele boekrecensies en columns in Het Parool, die daar tot in juni 1990 zouden verschijnen. Eind jaren 70 was hij ook als columnist verbonden aan het Leids Universiteitsblad Mare.
In de jaren die volgden schreef Büch ontelbare columns, recensies en artikelen, gaf lezingen en liet bij diverse uitgeverijen een stroom aan literair werk verschijnen.


Büchs werkzaamheden voor televisie begonnen in 1982 met het VARA-kunstprogramma De Verbeelding, waarvoor hij een boekenrubriek verzorgde. Zijn vlotte c.q. oppervlakkige aanpak sprak aan en hij kreeg vanaf 1984 een eigen programma: Büch's Boeken, vanaf 1985 ingekort tot Büch. Door zijn optreden op televisie raakte zijn carrière in een stroomversnelling, al werd hij door literaire kringen inmiddels afgewezen: Büch was geen serieus te nemen dichter meer, maar een mediapersoonlijkheid die kennelijk tot alles bereid was, als het maar geld opbracht. Büch nam op zijn beurt eveneens afstand van de literaire wereld. Zijn gedichten verschenen nog slechts in bibliofiele minioplages en hij bracht zijn tijd bij voorkeur buiten Nederland door.
De reisprogramma's die hij vanaf juli 1988 onder de titel De wereld van Boudewijn Büch maakte, stelden hem daartoe in staat. Büchs stokpaardjes kwamen in zijn televisie-uitzendingen veelvuldig aan bod. Hij had grote belangstelling voor eilanden, de dodo, rockmuziek (met name Mick Jagger, zijn eigen idool die hij in zijn hoedanigheid van programmamaker eindelijk eens persoonlijk kon ontmoeten) en bovenal voor Goethe. Voor zijn reisprogramma's reisde hij veelal naar afgelegen eilanden. Kenmerkend voor de reisprogramma's was Büchs fanatieke, aanstekelijke interesse voor de vele historische en culturele onderwerpen die erin behandeld werden.
Halverwege de jaren negentig begon Büch ook door Nederland te toeren waar hij diverse theaters aandeed. Zijn laatste tournee zou hij niet voltooien; voor het einde ervan kwam hij te overlijden.
Theaterprogramma's:
In 2001 besloot de VARA geen nieuwe programma's meer bij Büch te bestellen en ook andere opdrachtgevers zaten steeds minder om zijn bijdragen verlegen. Büch zelf had al veel eerder laten merken dat zijn werk hem steeds minder interesseerde. Zijn laatste televisieoptredens waren wekelijkse bijdragen aan het programma Barend & Van Dorp. Ook was Büch op 7 september 2001 de eerste in een serie gasten in de TROS-goochelshow Hans Kazàn & Magic Unlimited.
Hij bracht zijn tijd bij voorkeur door in zijn herenhuis aan de Amsterdamse Keizersgracht 149, dat hij tot een drie verdiepingen tellende bibliotheek in empirestijl had omgetoverd. Zijn collectie boeken, waaronder zeer zeldzame exemplaren, besloeg inmiddels rond de 100.000 banden.
Van zijn laatste boek, de roman Het geheim van Eberwein (een vervolg op De kleine blonde dood), had hij in de zomer van 2002 het manuscript naar de directeur van de Arbeiderspers, Lex Jansen, gestuurd.
Op 20 november 2002 was Büch voor de 45e en laatste keer te gast bij Barend & Van Dorp, bij de 500e aflevering. Twee dagen later hield hij om 18 uur een lezing in het Haarlemse stadhuis en trad daarna nog op in Theater de Luifel in Heemstede. De volgende dag werd Büch dood aangetroffen in zijn bed. Hij was overleden aan een hartstilstand. Büch ligt begraven op begraafplaats Westerveld. Boudewijn Büch is 53 jaar geworden.
Anderhalf jaar na Büchs dood bleek dat hij meer dan dertig jaar een onwaar verhaal had uitgesponnen over zijn dode kind – een centraal thema in zijn leven en werk. Al in 1976, het jaar waarin Büch doorbrak als dichter, uitte recensent Anton Korteweg in Het Parool twijfels aan de geloofwaardigheid van wat Büch als "autobiografisch" presenteerde of suggereerde: "Gijsje blijft zoek". Over Büch is echter vooral na zijn dood veel geschreven omtrent het waarheidsgehalte van zijn boeken en de feiten in zijn leven. Hij voedde zelf de aanname van velen dat romanpersonages zoals Winkler Brockhaus en Olaf Bergman zijn alter ego zouden zijn. Hij leek te laveren tussen waarheid en verbeelding, zoals het heette in de titel van de autobiografie van de door hem bewonderde Duitse schrijver Goethe: Dichtung und Wahrheit.
Büch heeft ook buiten zijn geschriften in interviews dingen verteld die later niet waar bleken te zijn of althans op gespannen voet stonden met feiten. De belangrijkste hiervan zijn:

(Boudewijn Büch heeft talloze boekjes laten uitgeven in geringe oplagen)
| Boeken met noteringen in de Nederlandse Bestseller 60 | Jaar van verschijnen | Datum van binnenkomst | Hoogste positie | Aantal weken | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|---|
| Het geheim van Eberwein | 2003 | 26-02-2003 | 3 | 12 | |
| De kleine blonde dood | 2003 | 26-02-2003 | 11 | 11 | |
| Zingende botten | 2003 | 19-03-2003 | 15 | 2 |
In 2011 werd op initiatief van Piet van Winden de Boudewijn Büchprijs in het leven geroepen door de Werkgroep Boudewijn Büch en de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren. De prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan iets of iemand die het antiquarische boek onder de aandacht van een groot publiek weet te brengen.
Tijdens de 8e Internationale Boudewijn Büch Dag op 13 december 2009 in Amsterdam werd bekendgemaakt dat er een planetoïde naar hem werd vernoemd. De vernoeming werd gepubliceerd door Tom Gehrels, Amerikaans astronoom van Nederlandse afkomst, op voordracht van de wetenschapsjournalist Carl Koppeschaar. De Internationale Astronomische Unie (IAU) bekrachtigde de vernoeming.
Planetoïde Boudewijnbuch (#23403) verplaatst zich op een afstand van 274 miljoen tot 446 miljoen kilometer van de zon in de ruimte tussen de planeten Mars en Jupiter (in de zogenoemde planetoïdengordel). De diameter is ongeveer 4 kilometer en de omlooptijd bedraagt 3,73 jaar.
In 2016 schreef Eva Rovers een biografie over het leven van Boudewijn, Boud: het verzameld leven van Boudewijn Büch. Het boek werd met toestemming van de nabestaanden geschreven. Het kwam vervolgens binnen in De Bestseller 60 op de 17de positie, bleef één week genoteerd, maar kwam een jaar later, op 29 november 2017, als ramsj opnieuw binnen, op plek 31. In 2005 schreven Ronny Boogaart & Eric de Rooij Duiven op Bouvet. Over Boudewijn Büch & Hans Warren ISBN 978-90-809318-3-1