
Een braakhut is een bijgebouw dat vroeger werd gebruikt voor het drogen en braken van hennep.
Hennepplanten werden meestal gezaaid in mei, en bereikten vaak al snel een lengte van twee meter. De geoogste stengels werden in sloten geroot en geknikt, daarna gedroogd en opgeslagen. In de herfst en winter werden de stengels in de braakhut nog verder gedroogd met behulp van een vuurtje. Daarna vond daar het braken plaats waarbij het houtige omhulsel rond de vezel werd verwijderd met behulp van een hennepbraak. De vezels werden daarna gebruikt voor het maken van touw en zeildoek.
Vanwege het brandgevaar moesten braakhutten op minimaal 100-200 meter van boerderijen worden gebouwd.
In de loop van de 19e eeuw zorgden onder andere de opkomst van staalkabel en de import van andere soorten vezels zoals sisal ervoor dat de braakhutten in Nederland grotendeels overbodig werden.