| Bram Bogart | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Abraham van den Boogaart | |||
| Geboren | Delft, 12 juli 1921 | |||
| Overleden | Sint-Truiden, 2 mei 2012 | |||
| Geboorteland | Nederland | |||
| Nationaliteit | Nederlands; vanaf 1969 Belgisch | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep | schilder, beeldhouwer, graficus | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1939 - ca. 2012 | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Kunstenaarsmaplocatie | Bibliotheek en archieven van het Kunstmuseum van Philadelphia, Frick-kunstreferentiebibliotheek, National Gallery of Art-bibliotheek | |||
| Links | ||||
| RKD-profiel | ||||
| [www.brambogartfoundation.com Website] | ||||
| ||||
Bram Bogart (Delft, 12 juli 1921 – Sint-Truiden, 2 mei 2012) was een Nederlands/Belgisch abstracte kunstschilder, beeldhouwer, graficus, keramist en ontwerper. Hij was ook bekend als Abraham van den Boogaart. Hij werd in 1969 genaturaliseerd tot Belg.
Bogart volgde de ambachtsschool in Delft en werd aanvankelijk huisschilder. Hier deed hij veel ervaringen op met verf, die hem in zijn latere schilderkunst goed van pas kwamen.Vanaf 1939 begint hij zijn carrière als kunstschilder. In de oorlogsjaren 1940-45 volgde hij een jaar de Kunstacademie in Den Haag, om zo te vermijden dat hij door de bezettingsmacht tewerk werd gesteld in Duitsland. Hij ziet zichzelf desondanks als kunstenaar een autodidact. Aanvankelijk boden kunstenaars als Van Gogh, Rembrandt, Monticelli, Isaac Israëls, Breitner, Jacob Smits, Permeke, Seurat, Bart van der Leck en Mondriaan veel inspiratie voor zijn vroege werk.
Zijn eerste schilderijen die hij in Nederland maakte (periode 1939-1948) waren landschappen, stadsgezichten, stillevens en figuurvoorstellingen, geschilderd in een expressionistische stijl. In 1946 ging hij naar Parijs, waar hij regelmatig op de vrije academie de la Grande Chaumière lessen tekenen en schilderen volgde. Ook bezocht hij er veel galeries en tentoonstellingen, en volgde zo de naoorlogse artistieke ontwikkelingen in de Franse hoofdstad ter plekke als een van de weinige Nederlanders vooralsnog.
In 1947 trok hij liftend naar Zuid-Frankrijk en werkte er in in Antibes, Menton en Le Cannet. Hij begon daar te experimenteren met het direct opbrengen van ongemengde kleuren en met het mengen van verschillende verfsoorten, waardoor zijn doeken een matte korrelachtige uitstraling kregen. Het was deels ook de inwerking van het landschap rondom Le Cannet en de oude bebouwingen aldaar, die hem inspireerden. Daar legde hij in feite de basis voor zijn latere 'materie-kunst. Ook kwam hij er in contact met een collectie etnografisch aardewerk en Afrikaanse maskers. In deze archetypische werken herkende hij voor zichzelf opnieuw een synthese van expressie en beheersing. In zijn krijtachtige werken in deze jaren verschenen dan ook voor het eerst geometrische tekens. Het teken als beeldmotief zal vanaf dan altijd aanwezig blijven in zijn werk.
Vervolgens keerde hij terug naar Parijs als abstracte schilder en woonde daar van 1951 tot 1960 in een oud huidenpakhuis aan de Rue Santeuil, waar ook de Cobra-kunstenaars Karel Appel, Lotti van der Gaag en Corneille toen verbleven. Hij ging echter niet mee met hun spontane figuratieve schilderstijl, omdat hij de impulsiviteit en het toeval daarin afwees. De Parijse Art Informel, het opkomende Tachisme en het overwaaiende Amerikaanse Abstract-expressionisme inspireerden hem duidelijk meer. Bram Bogart is in de rue Santeuil schildertechnisch van allen de grootste individualist, hij ontwikkelt er een vernieuwde materieschilderkunst waarmee hij de grondlegger wordt van de informele kunst (groep) in Nederland.In Nederland vormen Armando, Kees van Bohemen, Jan Hendrikse, Henk Peeters en Jan Schoonhoven tezamen de informele groep. Bogart zal nooit toetreden tot welke groep dan ook, hij wilde niet vastgepind blijven aan enige theorie of esthetische werkwijze. In het pakhuis aan de Rue Santeuil woonde Bogart op de derde verdieping, waar ook Dora Tuynman haar atelier had. In 1958 ontmoet hij er ook de liefde van zijn leven, zijn landgenote Abelina Sjoukje Vos ( Leni ) geboren te Eindhoven in 1936 en trouwen later in 1962. Tussen 1959 en 1960 verblijft Bogart regelmatig tussen Parijs, Rome en Brussel.
Begin 1960 vestigde hij zich een tijdje in Brussel in de rue du Méridien dankzij Jean Dypreau die hem deze ruimte ter beschikking stelt. Later, na een periode in Parijs en in Rome, keert hij terug naar Brussel en vestigde zich in de rue Bodenbroeck op de Zavel. Zowel zijn contacten en werkwijze floreren! Hier begon hij met zijn karakteristieke, massieve schilderijen - opgebouwd in dikke lagen pasteuze handgemaakte verf. Deze verf werd direct aangebracht op strakgespannen juten doeken op een houten paneel, zodat de pâte van verf daarmee de vorm zou behouden waarin hij haar oorspronkelijk had opgebracht. Later, kwam hij tot een uiterst vereenvoudigde stijl met schilderijen die slechts uit enkele - meestal heldere - monochromatische vlakken bestonden. Na enkele jaren in Brussel trok Bogart met zijn vrouw Leni naar het landelijke Waalse Ohain; hij woonde en werkte er van eind 1963 tot 1987 in een historisch kasteel; twee dochters ( Cornelia 1964, Inge 1967) en een zoon (Bram 1971) werden er geboren. Kort keerde hij terug naar Brussel in 1987, maar in datzelfde jaar brak er brand uit, net wanneer een intensieve verbouwing van zijn werkruimte zou worden afgesloten. Zakken met pigmenten gingen in vlammen op; er zijn maar weinig schilderijen verloren gegaan. Ondanks dat er geen persoonlijke ongelukken gebeurden, had de brand veel invloed op Bogart; hij kon er anderhalf jaar lang niet van schilderen. Door de hulp van zijn vriend en galeriehouder Willy D'Huysser in Brussel vond hij in 1989 een riante nieuwe woonplek: het Kasteel van Kortenbos te Sint-Truiden. Hier trekt hij zich terug om van s'morgens vroeg tot s'avonds laat in alle rust te kunnen verder werken aan zijn monumentale oeuvre.
Omdat Bogart was opgeleid als huisschilder was hij ervaren in het mengen van zijn eigen bijzondere verfsubstanties waarin hij de olieverf doorsloeg met waterverf.
Zijn gemengde verfsubstantie maakte Bogart uit stand- en gekookte papaverolie (in vaten van 200 liter) die hij eerst liet rijpen. Deze mengde hij vervolgens met pigmentpoeders in één vooraf gekozen kleur, en met zinkwit. Vlak voor het schilderen zelf werd deze substantie doorgeslagen met water, waarna de verf snel op het liggende doek opgebracht diende te worden. Van tevoren wist Bogart dus al in welke kleuren (vaak vier tot zes) hij het schilderij wilde maken, èen de plaats waar hij de verfmassa zou plaatsen op het doek. Na deze bedachtzame fase volgde er een wel degelijk emotionele fase van het opbrengen van de verf. Maar door zijn karakteristieke werkwijze slibde er niets dicht van de verf, waardoor de openheid overeind blijft en de beweeglijkheid van het fysieke opbrengen van de verf ook zichtbaar; deze zijn een essentieel element van zijn kunst. Zijn kenmerkende werkwijze paste hij toe op doeken van 2 meter, maar ook op kleine formaat doekjes van bijvoorbeeld 50 cm. Vanaf de jaren tachtig wisselde hij zijn 'geometrische' werken af met schilderijen die bestaan uit enorme 'dotten verf' die hij min of meer in een regelmatig patroon plaatste; dit kenmerkte dan het gehele schilderij.
Bram Bogart behoorde reeds in de jaren 1950 tot de meest vooruitstrevende kunstenaars van de Informele schilderkunst, die zowel actionpainting als dripping in zich opnam. Vanwege de rustige uitstraling van zijn werk, en de massa's aan materie, wordt zijn werk ook vaak gerekend tot de materieschilderkunst. Vanaf de jaren tachtig worden de geometrische en monochrome werken afgewisseld met schilderijen die opgebouwd zijn uit enorme ‘verfdots’ , die in een min of meer regelmatig patroon het schilderij gaan bepalen. Omdat de verfmaterie een zo prominent onderdeel vormt van het kunstwerk, wordt Bogarts werk ook wel tot de materieschilderkunst gerekend, maar Bogart bleef daarbij trouw aan zijn materie: de olieverf.
Het aantal tentoonstellingen hield bewust Bogart beperkt; vaak waren het museale presentaties of exposities bij enkele gerenommeerde kunsthandels. Ook was zijn werk regelmatig aanwezig op grote kunstbeurzen als de Fiac in Parijs en de Bazelse kunstbeurs. Hij ontving in 1963 de "Prijs van Belgische Kunstcritici", en in 1965 en 1967 de "Prijs der Kritiek". Hij won de Europaprijs voor Schilderkunst van de Stad Oostende in 1969. Een jaar later vertegenwoordigde hij België op de Biënnale van Venetië.