Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens

Het Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens (CEPIC) (Nederlands: Politiek centrum van zelfstandigen en christelijke bestuurders) was een georganiseerde rechtse stroming binnen de Franstalige Belgische christendemocratische Parti social-chrétien (PSC), die van 1972 tot 1982 bestond. De beweging richtte zich in het bijzonder op zelfstandigen, kleine en middelgrote ondernemingen, vrije beroepen en kaderleden. Zij ontstond binnen de PSC als tegengewicht voor de georganiseerde christendemocratische linkervleugel rond de Démocratie chrétienne en was ideologisch en organisatorisch een erfgenaam van het Mouvement Chrétien des Indépendants et des Cadres (MIC).

CEPIC verdedigde ondernemingsvrijheid en privé-initiatief, verzette zich tegen wat het als toenemend collectivisme en dirigisme beschouwde en nam een uitgesproken anticommunistische positie in. Tegelijk was de beweging gekant tegen federalisering van België en legde zij nadruk op christelijke en traditionele maatschappelijke waarden. Het CRISP kwalificeerde CEPIC in 1978 als duidelijk rechts, maar wees er tevens op dat de expliciete ideologische verwijzingen van de beweging naar het neoliberalisme beperkt waren.

Ontstaan

CEPIC bouwde voort op het MIC, een in 1955 opgerichte organisatie die binnen de christendemocratische familie de belangen van zelfstandigen en kaderleden wilde vertegenwoordigen. Tot de politici die bij het MIC betrokken waren, behoorden Paul Vanden Boeynants en André Saint-Remy. Saint-Remy zou later de eerste voorzitter van CEPIC worden.

De onmiddellijke aanleiding voor de vorming van CEPIC lag in de interne organisatie van de PSC. In 1971 stemde de partijleiding in met een afzonderlijke structuur voor de Démocratie chrétienne, die nauw verbonden was met de christelijke arbeidersbeweging. Daartegenover werd ook aan vertegenwoordigers van de middenstand en de vrije beroepen een eigen organisatorische ruimte binnen de partij toegestaan. Contacten met André Saint-Remy en andere vertegenwoordigers van het MIC leidden begin 1972 tot de oprichting van CEPIC. Aanvankelijk was het centrum eerder opgevat als een politieke club of werkgroep dan als een volledig uitgebouwde partijstroming.

De oprichters vroegen in mei 1972 om officiële erkenning binnen de PSC als vertegenwoordigers van zelfstandigen, vrije beroepen en kaderleden. PSC-voorzitter Charles-Ferdinand Nothomb verleende die erkenning namens het partijbestuur per brief op 14 juni 1972. Die datum was dus de datum van de formele erkenning door de PSC; het ontstaan van CEPIC zelf dateerde reeds van het begin van dat jaar.

Organisatie en ontwikkeling

In de daaropvolgende jaren ontwikkelde CEPIC zich van een betrekkelijk losse groepering tot een gestructureerde stroming. Op 13 december 1975 vond in Luik het eerste nationale congres plaats. Het congres behandelde onder meer de positie van kleine en middelgrote ondernemingen, kaderleden, vrije beroepen en de werkgelegenheid en stond in het teken van het programma Solidarités Nouvelles. André Saint-Remy was op dat moment voorzitter.

Op een tweede nationaal congres in Brussel op 12 maart 1977 werden statuten aangenomen. Volgens die statuten moesten leden van CEPIC tevens aangesloten zijn bij de PSC en was lidmaatschap van een andere politieke partij onverenigbaar met het CEPIC-lidmaatschap. De organisatie beschikte onder meer over een nationaal directiecomité, een algemene raad en een congres en vertoonde volgens CRISP daardoor organisatorische gelijkenissen met de PSC zelf.

CEPIC beschikte in de tweede helft van de jaren zeventig over vertegenwoordigers onder PSC-parlementsleden en regeringsleden. In 1977 meldde de beweging zelf ongeveer 8.000 leden; dit cijfer was een eigen opgave van CEPIC en moet als zodanig worden beschouwd. Op 20 juni 1977 werd Paul Vanden Boeynants tot voorzitter van CEPIC gekozen. Zijn aantreden viel samen met pogingen om de scherpe conflicten tussen CEPIC, de Démocratie chrétienne en de partijleiding te verminderen.

Politieke en ideologische opvattingen

Sociaaleconomisch beleid

CEPIC stelde de solidariteit tussen maatschappelijke groepen tegenover de klassenstrijd en beklemtoonde ondernemingsvrijheid, privé-initiatief en de legitimiteit van winst. De beweging wilde de groei van de overheidsuitgaven afremmen en pleitte voor fiscale verlichting, in het bijzonder ten gunste van zelfstandigen en kaderleden. Zij keerde zich onder meer tegen een vermogensbelasting, verhoging van de successierechten en opheffing van het bankgeheim.

In CEPIC-documenten werd de politieke keuze soms voorgesteld als een tegenstelling tussen een pluralistische, neoliberale markteconomie en een geleidelijk collectivistische planeconomie. Het is echter te sterk om CEPIC daarom zonder meer als "ultraliberaal" te omschrijven. Moden en Sloover constateerden wel een neoliberale stroming binnen CEPIC, maar vonden de expliciete ideologische aansluiting bij het neoliberalisme opvallend zwak. CEPIC verklaarde bovendien zelf dat zijn beginselen zich zowel tegen het "absolute liberalisme" als tegen reformistisch en revolutionair socialisme en tegen staatsabsolutisme richtten.

Staatsstructuur en maatschappelijke opvattingen

Op institutioneel gebied nam CEPIC een uitgesproken antifederalistische positie in. De beweging bekritiseerde de communautaire hervormingen van de jaren zeventig en verzette zich tegen het Egmontpact, dat volgens haar het staatsgezag verzwakte en de eenheid van België in gevaar kon brengen.

Daarnaast legde CEPIC nadruk op de verdediging van de westerse en christelijke beschaving en voerde het een sterk anticommunistisch en anticollectivistisch discours. CRISP signaleerde binnen de beweging eveneens traditionalistische katholieke en unitaristische stromingen, onder meer rond gezinswaarden, nataliteit en verzet tegen abortus. In zijn synthese omschreef CRISP CEPIC als een beweging die duidelijk rechts van het politieke centrum stond.

Controverse over extreemrechtse contacten

De verhouding tussen CEPIC en radicaal-rechtse milieus was reeds tijdens het bestaan van de beweging omstreden. Moden en Sloover schreven in 1978 dat zich na de oprichting een groep jonge militanten bij CEPIC had aangesloten die afkomstig was uit rechtse of extreemrechtse bewegingen. De auteurs plaatsten daarbij zelf de kanttekening dat de kwalificatie "extreemrechts" voor discussie vatbaar kon zijn. In hun algemene analyse stelden zij eveneens vast dat CEPIC, naast conservatieve en unitaristische stromingen, ook personen uit uiterst rechtse milieus aantrok.

Latere historici hebben de controverse vooral verbonden met berichten over contacten tussen bepaalde CEPIC-verantwoordelijken en extreemrechts. Daarbij werd onder anderen baron Benoît de Bonvoisin, die penningmeester van CEPIC was, genoemd.

De kwestie kreeg begin jaren tachtig grote publieke aandacht nadat De Morgen berichtte over een nota van de Belgische Veiligheid van de Staat waarin De Bonvoisin als financier van extreemrechts werd omschreven. Een veel later toezichtsonderzoek naar de zaak leidde evenwel tot scherpe kritiek van het Vast Comité I op de toenmalige werkwijze van de Staatsveiligheid. Het Comité wees met name op het bestaan van een parallel circuit binnen de dienst. De beschuldigingen uit de toenmalige inlichtingennota's moeten daarom als beschuldigingen en niet zonder meer als vaststaande feiten worden weergegeven.

Crisis en opheffing

Na de Belgische parlementsverkiezingen van 8 november 1981, die voor de Franstalige christendemocraten op een zware nederlaag uitliepen, schreef het PSC-partijbestuur het verlies mede toe aan de openlijke conflicten tussen de verschillende interne "families". CEPIC kwam daarbij in het bijzonder onder druk te staan. Paul Vanden Boeynants, op dat ogenblik voorzitter van de PSC, raakte in het partijbestuur in de minderheid en nam op 1 december 1981 ontslag als partijvoorzitter. Een dag later werd Gérard Deprez aangesteld als waarnemend voorzitter.

Deprez wilde de invloed van de georganiseerde partijstromingen terugdringen, omdat die volgens hem te veel als "partijen binnen de partij" functioneerden. CEPIC, dat inmiddels door een aantal van zijn parlementsleden was verlaten, werd op 19 januari 1982 in vereffening gesteld. Voormalige aanhangers van CEPIC vormden samen met enkele niet bij een interne stroming aangesloten PSC-leden het meer gematigde en minder opvallende Rassemblement du centre.

Op 10 februari 1982 werd Deprez formeel tot PSC-voorzitter gekozen met 77,6% van de geldige stemmen. Paul Vankerkhoven, die met CEPIC verbonden was geweest, behaalde 18,3% en Léon Pierson 4%. Op 16 februari legde de PSC vervolgens strengere voorwaarden vast voor het bestaan van interne stromingen: parallelle structuren, eigen openbare standpunten, afzonderlijke ledenwerving en indirecte of collectieve aansluiting via een stroming werden uitgesloten. Daarmee kwam een einde aan CEPIC als georganiseerde politieke stroming binnen de PSC.

Zie ook

Zie de categorie Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.