

Jacques Maritain (Parijs, 18 november 1882 – Toulouse, 28 april 1973) was een Frans filosoof en politiek denker. Hij geldt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het thomisme in de twintigste eeuw en als een invloedrijke moderne interpreet van het werk van Thomas van Aquino. Zijn geschriften bestrijken onder meer metafysica, kentheorie, wetenschapsfilosofie, ethiek, politieke filosofie, rechtsfilosofie en esthetica.
Vanaf de jaren 1930 werkte Maritain een personalistische politieke filosofie uit waarin natuurrecht, menselijke waardigheid, het algemeen welzijn, democratie en pluralisme een belangrijke plaats innamen. Zijn politieke denken beïnvloedde onder meer christendemocratische milieus en het naoorlogse debat over de fundering van de mensenrechten. Hij was geen lid van de commissies die de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 opstelden, maar was via UNESCO, zijn publicaties en zijn contacten met deelnemers aan het redactieproces betrokken bij het bredere intellectuele debat rond de verklaring.
Maritain werd geboren in Parijs als zoon van advocaat Paul Maritain en Geneviève Favre, een dochter van de republikeinse politicus en staatsman Jules Favre. Het gezin behoorde tot de protestantse traditie. Maritain volgde onderwijs aan het Lycée Henri-IV en studeerde vervolgens aan de Sorbonne, waar hij opleidingen in de filosofie en de natuurwetenschappen volgde. In zijn studietijd voelde hij zich aanvankelijk aangetrokken tot de filosofie van Baruch Spinoza.
Aan de Sorbonne ontmoette hij in 1901 de uit Rusland afkomstige studente Raïssa Oumansoff, met wie hij in 1904 trouwde. Op aanraden van hun vriend Charles Péguy volgden zij in 1903 en 1904 colleges van Henri Bergson aan het Collège de France. Bergsons kritiek op het toen invloedrijke positivisme maakte diepe indruk op het echtpaar. Via de schrijver Léon Bloy kwamen Jacques en Raïssa vervolgens in aanraking met het katholicisme. In 1906 werden zij opgenomen in de Rooms-Katholieke Kerk.
Maritain behaalde in 1905 de agrégation in de filosofie. Eind 1906 vertrok hij met Raïssa naar Heidelberg, waar hij zijn studie van de natuurwetenschappen voortzette. Na hun terugkeer naar Frankrijk in 1908 nam hij afstand van het bergsonisme als filosofisch systeem en begon hij intensief het werk van Thomas van Aquino te bestuderen. Zijn latere denken bleef echter ook sporen van zijn eerdere confrontatie met Bergson vertonen; de omvang van die invloed is onderwerp gebleven van wetenschappelijke discussie.
In 1912 werd Maritain docent filosofie aan het Lycée Stanislas in Parijs. Daarnaast doceerde hij aan het Institut Catholique de Paris, waar hij in 1914 tot assistent-professor en in 1921 tot hoogleraar werd benoemd. Van 1928 tot 1939 bekleedde hij er de leerstoel logica en kosmologie.
Zijn vroege publicaties stonden vooral in het teken van een verdediging en herinterpretatie van de thomistische filosofie tegenover moderne filosofische stromingen. Tot deze periode behoren La Philosophie bergsonienne (1914), Antimoderne (1922) en Trois Réformateurs: Luther, Descartes, Rousseau (1925). Tegelijkertijd breidde zijn belangstelling zich uit naar de kunstfilosofie. Met Art et scolastique (1920) begon een reeks publicaties waarin hij de verhouding tussen artistieke schepping, intellect en schoonheid onderzocht.
In de jaren 1920 had Maritain contacten met de nationalistische en monarchistische beweging Action Français rond Charles Maurras. Nadat deze beweging in 1926 door paus Pius XI was veroordeeld, brak hij ermee. Mede door zijn contacten met filosofen en intellectuelen als Nikolaj Berdjajev en Emmanuel Mounier verschoof zijn aandacht vervolgens sterker naar maatschappelijke en politieke vraagstukken. Hij ontwikkelde een christelijk humanisme waarin de menselijke persoon, politieke vrijheid, sociaal pluralisme en natuurrecht een centrale rol kregen.
Een belangrijk resultaat van deze ontwikkeling was Humanisme intégral (1936). Maritain probeerde daarin een alternatief te formuleren voor zowel individualistisch liberalisme als totalitaire politieke systemen. Zijn politieke denken was expliciet christelijk geïnspireerd, maar hij verdedigde tegelijk democratische instellingen, vrijheid van geweten en een pluralistische samenleving.
Tijdens de Spaanse Burgeroorlog weigerde Maritain zich achter het kamp van Francisco Franco te scharen, hoewel veel katholieke intellectuelen Franco steunden vanwege het antiklerikale geweld in republikeins gebied. Zijn positie leidde binnen katholieke kringen tot scherpe kritiek. Politicoloog Bernard Doering heeft Maritains geschriften over de Spaanse Burgeroorlog geplaatst in een bredere verschuiving van het katholieke politieke denken over kerk, staat en democratie.
Maritain bevond zich begin 1940 in Noord-Amerika voor colleges en besloot na de Duitse bezetting van Frankrijk niet naar zijn land terug te keren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde hij in de Verenigde Staten. Hij doceerde onder meer aan de Columbia-universiteit en Princeton University en sprak via radio-uitzendingen tot luisteraars in bezet Frankrijk. In deze periode schreef hij verschillende politieke werken, waaronder Les droits de l'homme et la loi naturelle (1942) en Christianisme et démocratie (1943).
Na de bevrijding werd Maritain benoemd tot Frans ambassadeur bij de Heilige Stoel. Hij vervulde deze functie van 1945 tot 1948. Daarnaast maakte hij deel uit van de Franse delegatie bij UNESCO en stond hij gedurende een periode aan het hoofd daarvan.
In de debatten over mensenrechten verdedigde Maritain het standpunt dat vertegenwoordigers van verschillende filosofische, religieuze en culturele tradities het eens konden worden over concrete rechten zonder noodzakelijkerwijs overeenstemming te bereiken over één gemeenschappelijke metafysische fundering ervan. Voor Maritain zelf waren mensenrechten uiteindelijk wel verbonden met zijn thomistische opvatting van het natuurrecht.
Maritain was niet zelf lid van een van de commissies die de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opstelden. Wel trad hij binnen UNESCO op als pleitbezorger van een internationale verklaring van rechten. Daarnaast vertonen zijn geschriften over natuurrecht en rechten inhoudelijke raakvlakken met het debat waarin enkele opstellers van de verklaring participeerden. De Libanese filosoof en diplomaat Charles Malik, een belangrijke deelnemer aan het redactieproces, kende en bestudeerde Maritains politieke denken. De precieze omvang van Maritains invloed op de uiteindelijke tekst is in de vakliteratuur onderwerp van onderzoek en dient daarom te worden onderscheiden van directe auteurschap of formeel lidmaatschap van de redactiecommissie.
In het voorjaar van 1948 keerde Maritain terug naar Princeton, waar hij hoogleraar filosofie werd. Daarnaast gaf hij gastcolleges aan verschillende Amerikaanse universiteiten, waaronder de Universiteit van Notre Dame en de Universiteit van Chicago. In 1952 ging hij met emeritaat, maar hij bleef nog geruime tijd in Princeton wonen en doceren.
Na het overlijden van Raïssa in november 1960 verhuisde Maritain naar Toulouse, waar hij ging wonen bij de katholieke gemeenschap van de Kleine Broeders van Jezus. In zijn late werk bleef hij zich bezighouden met filosofische, religieuze en kerkelijke vraagstukken. Zijn Le Paysan de la Garonne, gepubliceerd eind 1966, bevatte scherpe kritiek op bepaalde ontwikkelingen die hij in de katholieke wereld na het Tweede Vaticaans Concilie waarnam. In 1970 vroeg hij formeel om opname in de gemeenschap van de Kleine Broeders van Jezus.
Maritain overleed op 28 april 1973 in Toulouse, negentig jaar oud. Hij werd naast Raïssa begraven in Kolbsheim in de Elzas.
Maritain beschouwde zijn filosofie als een voortzetting van het denken van Thomas van Aquino, maar meende niet dat thomisme beperkt moest blijven tot het herhalen van middeleeuwse doctrines. Hij probeerde thomistische begrippen toe te passen op vraagstukken die waren ontstaan door de moderne filosofie, de natuurwetenschappen, de moderne politiek en de kunst.
In zijn metafysica verdedigde Maritain een realistische opvatting van kennis en werkelijkheid. Hij verzette zich tegen filosofische benaderingen waarin kentheorie volgens hem de plaats van metafysica had ingenomen. In Distinguer pour unir, ou Les degrés du savoir (1932) onderzocht hij verschillende vormen en niveaus van kennis en probeerde hij de verhouding tussen natuurwetenschap, filosofie, metafysica en theologie te verduidelijken. Daarbij hield hij vast aan het onderscheid tussen deze kennisgebieden, zonder te stellen dat wetenschappelijke en filosofische kennis elkaar uitsloten.
Maritains thomistische interpretaties waren niet onomstreden. Onderzoekers hebben onder meer gedebatteerd over zijn interpretatie van Thomas van Aquino, de blijvende invloed van Bergson op zijn werk en de houdbaarheid van onderdelen van zijn natuurrechtelijke en epistemologische theorieën.
Een kernonderscheid in Maritains sociale en politieke filosofie is dat tussen de mens als individu en als persoon. Als individu maakt de mens deel uit van maatschappelijke verbanden en heeft hij verplichtingen tegenover de gemeenschap; als persoon bezit hij volgens Maritain een eigen waardigheid en een intellectuele en geestelijke bestemming die niet volledig aan de staat of een andere collectiviteit kan worden ondergeschikt gemaakt. Deze gedachte werd een belangrijk onderdeel van zijn personalisme.
Maritain verbond deze persoonsopvatting met het algemeen welzijn. Hij wees zowel een radicaal individualisme af, waarin individuele rechten los van de gemeenschap worden gedacht, als collectivistische systemen waarin de persoon volledig aan de politieke gemeenschap wordt ondergeschikt. Natuurlijke rechten waren voor hem fundamenteel en onvervreemdbaar, maar stonden in zijn theorie in relatie tot het natuurrecht en het algemeen welzijn.
Daaruit volgde een verdediging van een democratische, personalistische en pluralistische politieke orde. Maritain stelde dat het gezag om te regeren uiteindelijk bij het volk berustte en verdedigde onder meer vrijheid van geweten. Zijn democratieopvatting bleef tegelijk uitdrukkelijk verbonden met een christelijke mens- en wereldbeschouwing. De vraag in hoeverre zijn ideaal van een christelijk geïnspireerde samenleving volledig verenigbaar is met levensbeschouwelijk pluralisme heeft in de secundaire literatuur tot discussie geleid.
Maritains natuurrechtsleer vormde tevens de grondslag van zijn theorie van mensenrechten. Volgens hem konden concrete fundamentele rechten geleidelijk door verschillende samenlevingen worden herkend, ook wanneer zij het niet eens waren over de uiteindelijke filosofische rechtvaardiging ervan. Juist die mogelijkheid van praktische overeenstemming speelde een rol in zijn bijdrage aan het internationale mensenrechtendebat na de Tweede Wereldoorlog.
Kunst en schoonheid vormen een terugkerend thema in Maritains werk. Vanaf Art et scolastique (1920) tot Creative Intuition in Art and Poetry (1953) en The Responsibility of the Artist (1960) ontwikkelde hij een thomistisch geïnspireerde kunstfilosofie. Hij beschouwde kunst als een deugd of duurzame vaardigheid van het praktische intellect die gericht is op het maken van een werk. De waarde van kunst kon volgens hem niet eenvoudig worden herleid tot de morele bedoelingen van de kunstenaar.
Zijn kunstfilosofische belangstelling stond mede in verband met zijn persoonlijke omgeving. Raïssa Maritain schreef poëzie en het echtpaar onderhield contacten met uiteenlopende kunstenaars en schrijvers, onder wie Georges Rouault, Marc Chagall, Jean Cocteau, Georges Bernanos en Julien Green. Maritain probeerde daarbij middeleeuwse en thomistische begrippen over kunst en schoonheid in gesprek te brengen met de moderne artistieke praktijk.
Maritain werd een van de internationaal bekendste thomistische denkers van de twintigste eeuw. Zijn werk droeg bij aan een vorm van thomisme die zich niet uitsluitend op historische interpretatie van Thomas van Aquino richtte, maar ook actuele maatschappelijke, politieke, juridische en esthetische problemen behandelde.
Zijn politieke filosofie vond vooral vanaf de jaren 1930 en 1940 weerklank in katholieke en christendemocratische milieus. Er is invloed van zijn denken beschreven op christendemocratische politieke stromingen in West-Europa en Latijns-Amerika en op debatten over constitutionalisme, natuurrecht en mensenrechten. Tegelijkertijd werd zijn politieke ontwikkeling zowel van links als van rechts bekritiseerd: conservatieve katholieken verweten hem onder meer zijn democratische en pluralistische opvattingen, terwijl zijn blijvende beroep op een christelijke metafysica en het natuurrecht vanuit andere filosofische tradities werd bestreden.
Zijn relatie tot de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een bijzonder aandachtspunt in de latere literatuur. Onderzoek ondersteunt een rol als filosoof, pleitbezorger en deelnemer aan het intellectuele UNESCO-debat, maar biedt geen grond om hem als auteur van de verklaring of als lid van de formele VN-redactiecommissie aan te duiden. Onder meer onderzoek naar de archieven van Charles Malik heeft geprobeerd de aard van de intellectuele contacten en mogelijke beïnvloeding nauwkeuriger vast te stellen.
Een omvangrijke biografie van Jacques en Raïssa Maritain, gebaseerd op onder meer materiaal uit het Maritain-archief in Kolbsheim, verscheen van de hand van de Franse historicus Jean-Luc Barré.
Maritain publiceerde gedurende meer dan zestig jaar een omvangrijk oeuvre. Tot zijn belangrijkste filosofische en politieke werken worden gerekend: