COVRA

Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA)
HABOG; een deel van COVRA
HABOG; een deel van COVRA
COVRA (Zeeland)
COVRA
Locatie
Hoofdkantoor VlissingenBewerken op Wikidata
Industrie en producten
Doel tijdelijk radioactief afval bewaren
Status en tijdlijn
Opgericht 1982
Organisatiestructuur
Type bedrijfBewerken op Wikidata
Links
Website (en) (nl) Officiële webpagina
Een opslagloods met radioactief afval

De Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA) is een organisatie die zich bezighoudt met de inzameling, verwerking en opslag van radioactief afval in Nederland. Zij is gevestigd in Nieuwdorp, gemeente Borsele, in de provincie Zeeland, op het industrieterrein Vlissingen-Oost. COVRA is in Nederland verantwoordelijk voor de centrale verzameling, verwerking en opslag van radioactief afval. Alle aandelen van COVRA N.V. zijn in handen van de Staat der Nederlanden.

De opslag bij COVRA is bedoeld als tijdelijk: het afval wordt bovengronds bewaard in gebouwen die minstens 100 jaar bescherming bieden. Daarna is een definitieve oplossing, zoals opslag diep onder de grond, voorzien.

Achtergrond

Radioactief afval ontstaat bij de productie van kernenergie, bij nucleair onderzoek en bij medische toepassingen. Het Nederlandse beleid is gebaseerd op vier uitgangspunten: minimalisatie van het ontstaan van radioactief afval, veilig beheer, geen onredelijke lasten voor latere generaties en kostendekking door de veroorzakers. De grondslag voor het beleid van isoleren, beheersen en controleren werd in 1984 gelegd in de nota Radioactief Afval.

Stortingen in zee

Tot 1982 werd een deel van het Nederlandse laag- en middelradioactieve vaste afval in zee gestort. Over de periode vóór 1967 zijn geen cijfers gepubliceerd. Volgens een dossier van de website Kernenergie in Nederland is één storting uit 1958 bekend. Dezelfde bron vermeldt dat algemeen wordt aangenomen dat de stortingen omstreeks 1960 begonnen, maar dat ze mogelijk eerder startten. In de periode vóór 1963 werd afval volgens het dossier meegegeven aan lijndienstschepen. Het streven was dat het op een plek werd gestort waar de zee ten minste twee kilometer diep is. Gegevens over de hoeveelheden en de plaatsen ontbreken.

In 1963 werd het Reactor Centrum Nederland (RCN) in Petten aangewezen als erkende ophaaldienst, waarna het afval van laboratoria, ziekenhuizen en kerncentrales centraal werd opgeslagen. In 1965 besloot Nederland officieel tot verwijdering door storting in zee. Voor de stortingen werd een internationale locatie aangewezen: een circa 4 kilometer diepe trog in de Atlantische Oceaan, ongeveer 750 kilometer ten noordwesten van Spanje. Vanaf 1967 vonden georganiseerde stortingsoperaties plaats. Het afval ging per binnenvaartschip van Petten naar IJmuiden en werd daar overgeladen op een schip dat de vaten naar de stortplaats bracht. Eerst werd om het jaar gestort (1967, 1969 en 1971), vanaf 1971 elke zomer. In 1973 ratificeerde Nederland het Verdrag van Londen uit 1972 over het storten van afval op zee.

De hoeveelheden over de periode 1967–1982 zijn in 1999 gepubliceerd in een inventaris van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA). Daarin staan voor Nederland 14 stortingen van in totaal 28.428 vaten op vier locaties, met een totale activiteit van circa 3,36 × 105 gigabecquerel.

Protest en einde van de stortingen

De eerste protesten tegen de stortingen waren in 1974 in IJmuiden. Eind jaren zeventig volgden blokkades van de transporten tussen Petten en IJmuiden en acties van Greenpeace op zee. Op 6 april 1981 kreeg het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) een vergunning om laag- en middelradioactief afval in de Atlantische Oceaan te storten. Drie milieuorganisaties en 21 personen tekenden hiertegen beroep aan. Op 7 augustus 1981 verwierp de Kroon de bezwaren.

In 1982 kreeg Nederland nog eenmaal toestemming voor een storting, die in augustus plaatsvond. Daarna werd niet meer in zee gestort. De stortplaats in de noordoostelijke Atlantische Oceaan werd tot 1982 gebruikt door lidstaten van het Kernenergieagentschap van de OESO. Volgens de IAEA werd in 1983 besloten tot een moratorium op het storten van laagradioactief afval, volgde in 1985 een resolutie voor een vrijwillig moratorium en geldt sinds 20 februari 1994 een totaal verbod op het storten van radioactief afval in zee.

Besluit tot centrale opslag

De Commissie Heroverweging Verwijdering Radioactief Afval onderzocht alternatieven voor de stortingen. In 1983 gaf zij de voorkeur aan verwijdering in diepe holtes in zout. Voor bepaalde categorieën afval achtte zij ook bovengrondse of ondiepe opslag gedurende 15 tot 150 jaar een bruikbare mogelijkheid. Gekozen werd voor centrale bovengrondse opslag, waarvoor COVRA werd opgericht.

Organisatie

COVRA is gevestigd in de buurt van de Kerncentrale Borssele. Op het terrein van 20 hectare staan vijf opslaggebouwen, een afvalverwerkingsgebouw en een kantoorgebouw. COVRA neemt radioactief afval in van onder meer kerncentrales, ziekenhuizen en onderzoekslaboratoria. Het afval wordt gesorteerd en deels verbrand, of direct in metalen vaten verpakt, platgewalst en in beton ingesloten. Daarna wordt het opgeslagen in loodsen op het terrein.

Laag- en middelradioactief afval wordt bewaard in het LOG. Daarnaast zijn er twee gebouwen voor verarmd uranium (VOG en VOG-2) en het COG voor vast afval uit de verwerking van ertsen. Voor laag- en middelradioactief afval wordt op het terrein een multifunctioneel opslaggebouw (MOG) gebouwd. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming heeft hiervoor een vergunning afgegeven en houdt toezicht op de bouw.

Hoogradioactief afval

Hoogradioactief afval, zoals gebruikte brandstofelementen uit kerncentrales, wordt opgeslagen in het Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw (HABOG). Het afval wordt gehanteerd met afstandsbediening en is afgeschermd door betonnen muren van 1,70 meter dik. Dit afval wordt in glas verpakt voordat het wordt opgeslagen.

Definitieve opslag

In Nederland is nog geen locatie voor een definitieve opslag aangewezen. Het besluit over een eindberging zou oorspronkelijk rond 2100 worden genomen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wil het proces versnellen en streeft naar een besluit rond 2050. Als mogelijke geologische formaties zijn onder meer zoutdiapiers en kleilagen (Boomse Klei) genoemd.

Aandeelhouders

Tot 2002 was de Staat der Nederlanden voor 10% aandeelhouder van COVRA. De overige aandelen waren in handen van EPZ (eigenaar van de Kerncentrale Borssele), GKN (eigenaar van de Kerncentrale Dodewaard) en ECN. Op 15 april 2002 werd een overeenkomst getekend waarmee de Staat alle aandelen overnam.

Bezichtiging

Het terrein is op aanvraag te bezichtigen door groepen.

Zie ook

Commons heeft media­bestanden in de categorie COVRA.