Carl Severing

Carl Severing
Carl Severing in 1919
Carl Severing in 1919
Volledige naam Carl Wilhelm Severing
Geboren 1 juli 1875
Herford (Pruisen)
Overleden 23 juli 1952
Bielefeld (BRD)
Politieke partij SPD
Partner Emma Wilhelmine Twelker
Handtekening Handtekening
Federaal minister van Binnenlandse Zaken
Aangetreden 28 juni 1928
Einde termijn 27 maart 1930
Leider(s) Hermann Müller
Voorganger Walter von Keudell
Opvolger Joseph Wirth
Pruisisch minister van Binnenlandse Zaken
Aangetreden 29 maart 1920
Einde termijn 21 april 1921
Premier Otto Braun
Voorganger Wolfgang Heine
Opvolger Alexander Dominicus
Aangetreden 7 november 1921
Einde termijn 6 oktober 1926
Premier Otto Braun
Wilhelm Marx
Voorganger Alexander Dominicus
Opvolger Albert Grzesinski
Aangetreden 24 oktober 1930
Einde termijn 20 juli 1932
Premier Otto Braun
Voorganger Heinrich Eugen Waentig
Opvolger Franz Bracht
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Carl Wilhelm Severing (Herford, 1 juli 1875 – Bielefeld, 23 juli 1952) was een Duitse vakbondsleider en politicus namens de Sozialdemokratische Partei Deutschlands. Tussen 1928 en 1930 diende hij onder rijkskanselier Hermann Müller als minister van Binnenlandse Zaken. Daarnaast diende hij tussen 1920 en 1926 en tussen 1930 en 1932 als minister van Binnenlandse Zaken voor de Vrijstaat Pruisen.

Severing was afkomstig uit een arm gezin, maar wist zich door zijn werk binnen de vakbond op te werken binnen de SPD en stond bekend als een hervormingsgezinde socialist. Na de Eerste Wereldoorlog diende hij als rijks- en staatscommissaris in het Ruhrgebied, waar hij betrokken was bij het neerslaan van de Ruhropstand.

Zijn belangrijkste werk verrichtte hij als Pruisisch minister van Binnenlandse Zaken waar hij verantwoordelijk was voor de democratische hervormingen. Samen met premier Otto Braun zette hij zich in om Pruisen als een levensvatbare socialistische enclave te behouden te midden van het algemene verval van de Duitse sociaaldemocratie. Zijn democratische veranderingen van het bestuur, ambtenarij en de politie stond bekend als het "systeem-Severing". Van zijn voorgenomen hervormingen in zijn periode als rijksminister kwam weinig terecht door de veranderende politiek. Na de Pruisenslag in 1932 kwam er een einde aan zijn periode als minister. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde hij een teruggetrokken leven en leefde hij van zijn pensioen. Na de oorlog werd hij weer politiek actief en werd hij lid van het parlement van Noordrijn-Westfalen.

Biografie

Jeugd

Carl Severing werd geboren in de Westfaalse stad Herford als de zoon van de sigarenmaker Bernhard Severing en zijn moeder Johanna was een naaister. Toen zijn vader een mentale ziekte kreeg en opgenomen moest worden in het ziekenhuis steeg de armoede van het gezin. In 1882 ging Severing naar een armekinderenschool en pas nadat zijn vader twee jaar later weer thuis kwam kon hij naar een Bürgerschule. Zijn ouders moedigde hem aan om te leren en hij toonde zich ook als een excellente student, met name in religie. Een lokale pastoor spoorde hem ook aan om theologie te gaan studeren. Hij sloeg dit idee af en ging in plaats daarvan in de leer bij een slotenmaker.

Vakbondsman

Op zestienjarige leeftijd behaalde Severing de status van gezel en werd hij lid van de Deutscher Metallarbeiter-Verband (DMV). Hij werd tot de vakbond aangetrokken vanwege "een gevoel, een verlangen voor vrijheid en een beter leven". Binnen korte tijd werd hij secretaris van de lokale afdeling en werd hij hun afgevaardigde naar regionale bijeenkomsten. Door zijn werk voor de vakbond kwam Severing ook in contact met de regionale sociaaldemocratische krant, Die Volkswacht. Hij richtte in 1893 een lokale afdeling van de SDP in Herford op.

Twee jaar later verhuisde hij naar Bielefeld waar hij werk kreeg bij een machinebouwfabriek en werd ook daar actief bij de vakbond. In april 1896 was hij afgevaardigde van de arbeiders van de fabriek waar hij werkte om hun klachten aan de eigenaar over te brengen, maar nadat deze ongeïnteresseerd was om te onderhandelen met hen begonnen de arbeiders met een staking. Deze staking liep tot niets uit en Severing kreeg ontslag en belandde op een zwarte lijst van de lokale metaalindustrie.

Samen met een aantal andere arbeiders ging hij als reizende gezel aan de slag en belandde hij uiteindelijk in Zürich, wat destijds werd beschouwd als een hoofdstad van het Europees socialisme. Hier groeide Severing uit tot een invloedrijke functionaris bij de lokale Duitse sociaaldemocratische arbeidersbond en werd hij ook de leider van de Duitse Arbeiders Onderwijs Vereniging. In Zürich radicaliseerde Severing in zijn opvattingen. Zo sprak hij zich uit voor een socialistische wereldrevolutie, voor de dominantie van de arbeidersklasse en voor onthouding van verkiezingsdeelname van de socialisten aan verkiezingen die erop gericht waren om de arbeiders buiten de deur te houden. Vanwege de conservatieve houding van zijn kameraden in de onderwijsvereniging besloot Severing al zijn posities in Zürich op te geven.

In 1898 keerde Severing terug in Bielefeld en vond hij werk in een naaimachinefabriek. Een jaar later trouwde hij met de naaister Emma Wilhelmine Twelker, die op dat moment zwanger was. Met haar zou hij twee kinderen krijgen. Hij werkte zich ook snel op bij de lokale vakbond en werd hij secretaris van de bond en in 1901 koos de metaalwerkersunie hem tot hun voorzitter. Hij introduceerde een verscheidenheid aan verzekeringsregelingen, promootte sociale en culturele activiteiten en zette een effectief systeem van vertrouwenspersonen op voor de arbeiders. Onder zijn leiding groeide de DMV in 1906 uit tot de sterkste vakbond in de regio. Door gebruik te maken van de lokale pers en korte stakingen wist hij grote stakingen te voorkomen en slaagde de bond erin om de lonen te verhogen en de werkomstandigheden te verbeteren.

Start politieke carrière

Karikatuur van de burgerlijke partijen na de intrede van Severing in de Rijksdag (1907).

Door zijn sprekerstalent was Severing een goede kandidaat voor een politieke functie. In 1903 trachtte hij namens de SPD een zetel te bemachtigen in de Rijksdag, maar hij werd in de tweede ronde verslagen. Twee jaar later wist hij wel een zetel te krijgen in de gemeenteraad van Bielefeld. In 1907 nam hij weer deel aan de verkiezingen voor de Rijksdag en ditmaal wist hij wel een plek in het parlement te bemachtigen. In de tweede ronde won hij met 70 procent, met dank aan de katholieke stemmen. Na zijn intrede in het parlement nam hij een minder radicale houding aan. Door zijn werk voor de DMV in Bielefeld was Severing erachter gekomen dat door geleidelijke hervormingen de politieke en sociale toestand van de arbeidersklasse kon worden verbeterd.

In de Rijksdag specialiseerde Severing zich met name in sociale kwesties. Zo kreeg hij veel aandacht voor zijn bijdrage in 1910 over zijn veroordeling van de slechte werkomstandigheden op de scheepswerven. Binnen de parlementaire groepen van de SPD sloot hij zich aan bij de hervormingsgezinde socialist Ludwig Frank. In 1912 ging Severing voor zijn herverkiezing, maar hij verloor zijn zetel aan de nationaal-liberale kandidaat Arthur von Posadowsky-Wehner.

Eerste Wereldoorlog

Nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak steunde Severing het besluit van de partijraad van de SPD om de overheid te steunen in de oorlog. Volgens hem was de uitgebroken oorlog een defensieve oorlog voor Duitsland en hiermee stond hij lijnrecht tegenover partijleiders zoals Karl Liebknecht en Hugo Haase. Nadat tegenstanders van de oorlog uit de partij werden gezet in 1917 zette Severing zich in om de lokale invloed van de USPD in Bielefeld in te perken.

Tijdens de oorlog riep Severing op voor de implementatie van "oorlogssocialisme", waarbij de overheid ervoor zorgde dat de arbeiders voldoende voedsel en brandstof hadden. Deze eisen voor een eerlijke verdeling en gelijke rechten zorgden ervoor dat de SPD tijdens de oorlogsjaren een positief profiel opbouwde in Bielefeld. In juli 1917 steunde Severing de landelijke koers voor een oproep tot "vrede zonder annexaties". Na de Oktoberrevolutie in Rusland, herhaalden ze deze eis tevergeefs tijdens publieke demonstraties. In de nasleep van de wapenstilstand van 11 november 1918 richtte Severing in Bielefeld een "Volks- und Soldatenrat" op, die de soldaten zou opnemen in een nieuwe eenheid, waarin ook vertegenwoordigers van het lokale leger en het stadsbestuur zitting hadden. Toen zwaarbewapende opstandelingen dreigden een van de gevangenissen in de stad te bestormen, greep Severing persoonlijk in, kalmeerde de menigte en zorgde voor de vreedzame vrijlating van de daar vastzittende politieke gevangenen.

Weimarrepubliek

Bij de verkiezingen van 19 januari 1919 kreeg Severing zowel een zetel in de Rijksdag, de Pruisische Landdag als in de gemeenteraad van Bielefeld. Hij had vervolgens een belangrijke rol in de totstandkoming van de allereerste coalitieregering van de Weimarrepubliek, waar de SPD samen met Zentrum en de DDP ging regeren. Op 7 april stelde zowel de Pruisische als de rijksregering Severing aan als commissaris in het Rijnland en Westfalen en kreeg hij de (militaire) macht om in die regio de orde te herstellen.

Portrettekening van Severing (1912), getekend door Peter August Böckstiegel.

Rijks- en staatscommissaris in het Ruhrgebied

In december 1918 was er een reeks van stakingen, buiten de vakbonden om, begonnen in her Ruhrgebied en eisten arbeiders socialisering van de mijnen, aanzienlijke loonsverhogingen, kortere werktijden en erkenning van het radensysteem. Lokale spanningen leidden in februari 1919 in geweld en een nieuwe reeks stakingen. Begin april waren 300.000 mijnwerkers gestopt met werken. Severing zag de eisen van de arbeiders in het Ruhrgebied als irrationeel, vanwege de bestaande tekorten aan voedsel en brandstof. Hij wilde de stakingen beëindigen met zo weinig geweld mogelijk en de omstandigheden voor de arbeiders verbeteren.

Na overleg met vakbondsleiders, mijnbazen en de Rijksregering riep Severing de noodtoestand uit, die alle valide mannen verplichtte om weer aan het werk te gaan, militaire eenheden werden teruggetrokken uit gebieden waar de arbeiders meewerkten en er werden speciale rantsoenen uitgedeeld aan de mannen die weer werkten. In april kwam er een akkoord tussen de mijnwerkers en de rijksoverheid nadat deze laatste toezegde om de werkdag te verkorten tot zeven uur. Hiermee kwam er begin mei een einde aan de stakingen. Severing was alleen niet te spreken over zijn samenwerking met generaal Oskar von Watter, die weigerde om met Severing samen te werken. Het rijk was dermate blij met het optreden van Severing dat ze hem naar Silezië stuurde voor een gelijksoortige kwestie. Nadat hij ook hier succesvol was keerde hij in juni terug naar Westfalen.

De Ruhropstand in Essen

Severing was er alleen niet in geslaagd om een lokale, pro-republikeinse ordehandhavingstroepen op te richten. Dit gemis liet zich gelden in de nasleep van de Kapp-putsch van maart 1920. De landelijke overheid kon een einde aan de staatsgreep maken door een oproep te doen tot een algemene staking, dat in het Ruhrgebied (de Ruhropstand) breed werd omarmd. De arbeiders formeerden een "Rode Leger" en versloegen de soldaten van Watter. Opnieuw was het aan Severing om de orde te herstellen. Hij onderhandelde met de mijnwerkers voor het herstellen van de orde, maar zijn voorstellen voor het socialiseren van de mijnen, het verwijderen van contrarevolutionairen uit het leger en immuniteit voor de opstandelingen waren aan dovemansoren gericht. Begin april begon de Reichswehr met het neerslaan van de opstand en halverwege die maand stond de regio weer onder controle van de overheid. Doordat Severing de Reichswehr erop uit had gestuurd veroordeelde links wegens verraad aan de arbeidersklasse.

Ministerschap in Pruisen

In diezelfde periode bood Otto Braun Severing een post als minister van Binnenlandse Zaken aan in zijn Pruisische kabinet. Met name het leiderschap van de SPD was een groot voorstander van het ministerschap van Severing, vanwege zijn achtergrond als arbeider en diens bewezen politieke vaardigheden. Hij accepteerde de functie en in de jaren van zijn ministerschap zou Severing een belangrijke rol spelen in de sociaaldemocratische poging om belangrijke Duitse overheidsinstellingen te hervormen volgens republikeinse principes. Hij zag dan ook zijn eigen taak duidelijk voor zich:

We zullen de ene na de andere provincie zuiveren, totdat we een ambtenarenkorps hebben dat bereid is met de Pruisische regering te werken, om van Pruisen een democratie te maken en van de Pruisen democraten.

De Vrijstaat Pruisen was verdeeld in twaalf provincies die een eigen gouverneur hadden en de provincies waren weer verdeeld in 32 districten en deze waren weer onderverdeeld in Kreisen. De hoofden van deze districten en Kreisen waren onbetrouwbaar gebleken en zij werden vervangen door mannen die wel de republiek zouden verdedigen. Severing slaagde in dit plan, want in 1929 waren 291 van de 550 hoge ambtenaren lid van een coalitiepartij. Hierdoor groeide Pruisen in de loop der jaren uit tot een onmisbare steunpilaar van de democratische republiek en dit was een belangrijke factor waarom de Weimarrepubliek het veertien jaar uithield.

Carl Severing in 1923

Een andere taak waar Severing zich op toelegde was het creëren van een nieuwe politiemacht, maar dit bleek een moeilijkere taak te zijn dan het zuiveren van het ambtenarencorps. Hiervoor diende hij de al bestaande pro-Wolfgang Kapp sicherheitzpolitzei te reorganiseren en te zuiveren en het rekruteren van mannen die bereid waren om op een niet-militaire wijze invulling aan het ambt te geven. Met de hulp van zijn ondergeschikte Wilhelm Abegg construeerde hij een gecentraliseerde en hiërarchische politiedienst. Hij stond echter toe dat deze gevuld werd met onder andere legerofficieren. Hiermee ontstond een dienst die de orde kon handhaven, maar door de militaire en conservatieve ethos op lange termijn een twijfelachtig instrument was voor de verdediging van de republiek.

In reactie op de moord op Walther Rathenau vaardigde Severing een aantal nooddecreten uit die extremistische groepen buiten de wet stelde. Deze werden echter al een jaar later herroepen door het hooggerechtshof. Na de bezetting van de Ruhr door de Fransen steunde Severing het standpunt van de rijksregering van "passief verzet", maar hij gebruikte ook de Pruisische politie om nationaalextremisten op te sporen die tegen de bezetting waren. Tijdens de Küstrin Putsch in 1923 probeerde de paramilitaire organisatie Schwarze Reichswehr een aanslag te plegen op hem, maar slaagde daar niet in. Een rechtse krant, de Bergisch-Märkische Zeitung, claimde op zijn beurt dat Severing betrokken was bij een complot dat had geleid tot de dood van Albert Leo Schlageter. De communisten op hun beurt veroordeelden op hun beurt Severing ook en waren bereid met iedereen samen te werken die hem uit de weg wilde ruimen. Hij besloot in 1926, uitgeput en ziek, om te stoppen met zijn ministerschap en stapte op 7 oktober terug.

Rijksminister

Het laatste parlementaire rijkskabinet van de Weimarrepubliek met Severing staand, derde van rechts.

Het duurde niet lang voor Severing terugkeerde op het politieke toneel. Na de verkiezingen in 1928 kreeg hij het ambt van rijksminister van Binnenlandse Zaken aangeboden door rijkskanselier Hermann Müller. Hij accepteerde de positie en zette zich in om de rijksambtenarij te democratiseren en te herstructureren door het aanstellen van pro-republikeins personeel, het elimineren van dubbele of onnodige bureaucratische hiërarchieën en het centraliseren van de macht in handen van de nationale overheid. Door interne politieke strijd in de coalitie, het begin van een depressie en de radicalisering van de binnenlandse politiek zorgde ervoor dat er weinig terecht kwam van de plannen van Severing.

In 1929 voerde Severing campagne om het Young-plan aangenomen te krijgen, omdat rechtse partijen hiervoor een referendum hadden aangevraagd om dit plan te torpederen. Eind maart 1930 viel de coalitie en hiermee kwam er ook een einde aan de periode van Severing als rijksminister.

Tweede periode in Pruisen

Portret van Severing uit 1932

Nog dat zelfde jaar stelde Braun hem opnieuw aan als minister van Binnenlandse Zaken in Pruisen. Doordat zijn favoriete kandidaat Albert Grzesinski was verwikkeld in een schandaal was hij aangewezen op Severing. Hij zag in deze periode de dreiging in die uitging van de NSDAP en was voorstander voor het gebruiken van de macht van de staat om de Nazi-activisten aan te pakken en tegelijkertijd de republikeinen te beschermen. Severing bracht decreten die het lidmaatschap van politieagenten van de NSDAP verbood. Hij probeerde, ondanks de crisis, het salaris voor de politie op peil te houden, maar de disciplineproblemen bleven bestaan.

In december in 1931 deed Severing, op suggestie van Grzesinski, de suggestie om de niet-Duitse burger Adolf Hitler uit Duitsland te deporteren, een actie die verstrekkende, zij het onvoorspelbare, gevolgen zou hebben gehad voor de binnenlandse politiek. Rijkskanselier Heinrich Brüning wees het plan af, omdat hij de steun van de nazi's nodig had. In juni van 1932 stapte Brüning op en kwam Franz von Papen aan de macht. Na de Bloedige Zondag op 17 juli 1932 besloot rijkskanselier Von Papen om de Pruisische regering af te zetten. Volgens hem was de regering niet in staat om de orde te handhaven en daarom moest het Rijk de macht in Pruisen overnemen. Hiervoor gebruikte hij artikel 48 (noodtoestand) van de grondwet van de Republiek en hiermee maakte hij een einde aan de SPD-regering van Braun en Severing. Deze Pruisenslag was een zware klap voor het democratische bestel van de gehele republiek.

Derde Rijk

In de jaren dat Hitler en de NSDAP aan de macht waren trok Severing zich terug uit het openbare leven. Hij bleef wel politiek betrokken en schreef in deze periode zijn politieke memoires. Vele SDP-politici waren na het buitenland gevlucht na de machtsovername van Hitler in 1933, maar Severing weigerde dit omdat hij hiervoor te nationalistisch was. In 1933 arresteerden de nazi's hem kortstondig en plaatsen ze hem onder surveillance. De leden van de SA probeerden ook zijn huis te bestormen, waardoor Severing tijdelijk de wijk moest nemen. Onder het nationaalsocialisme ontving hij nog een jaarlijks pensioen en vanaf 1938 kreeg hij ook nog eens 250 rijksmark per maand uit het privéfonds van Hitler. Desondanks steunde hij de nationaalsocialisten niet actief.

Gedurende de oorlogsjaren genoot hij nog steeds aanzienlijke steun in Bielefeld, waar de sociaaldemocratische arbeidersklasse relatief sterk bleef. In 1944 waarschuwde een politieagent hem toen er een golf van arrestaties losbarstte na de mislukte aanslag op Hitler. Severing vluchtte hierop naar Gütersloh.

Na-oorlogse periode

Severing wilde na de Tweede Wereldoorlog weer deelnemen aan het politieke leven. Hij ontpopte zich al snel tot een leidend figuur in de wederopbouw van Oost-Westfalen. Zo kwamen vele SPD-politici bij hem over de vloer en adviseerde hij Rudolf Amelunxen om het presidentschap over Noordrijn-Westfalen aan te nemen. Toch stuitte zijn ambities ook op kritiek. Zijn optreden tijdens de Pruisenslag werd in verband gebracht met het mislukken van de Weimarrepubliek. Daarnaast rekenden zijn criticasters zijn vrij zorgeloze leven onder de NSDAP hem aan.

Het graf van Severing

Severing hervatte ook zijn journalistieke activiteiten en hij werd hoofdredacteur van de Freie Presse. Hij had een flinke invloed op de redactionele koers van de krant, die hij als volgt samenvatte: "Onze Verlichting en opvoeding streven naar drie grote doelen: democratie, socialisme en internationale vrede!" In 1946 behaalde de SPD in Bielefeld de absolute meerderheid, een succes dat mede te wijten was aan Severing die voorzitter was. Een jaar later won hij een zetel bij de eerste vrije staatsverkiezingen voor Noordrijn-Westfalen. Deze positie bekleedde hij tot aan zijn dood. Severing overleed op 23 juli 1952 op 77-jarige leeftijd. Zijn begrafenis leidde tot de grootste begrafenisstoet die de stad Bielefeld tot dan toe gezien had. Meer dan 40.000 mensen zouden hem zijn laatste eer bewijzen. Hij werd vervolgens begraven op de begraafplaats Senne.

Nalatenschap

De allereerste politieacademie van Noordrijn-Westfalen werd naar Severing genoemd. Daarnaast zijn ook verscheidende scholen en straten in Bielefeld en elders in Duitsland naar hem vernoemd.

Geraadpleegde literatuur