| Chaenotheca gracillima | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Chaenotheca gracillima (Vain.) Tibell (1984) | ||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||
|
Coniocybe gracillima | ||||||||||||
| ||||||||||||
Chaenotheca gracillima is een korstmos uit de familie Coniocybaceae. De schimmel behoort tot de zakjeszwammen (Ascomycota) en leeft in symbiose met een groene alg uit het geslacht Stichococcus. Het is een van de zogenoemde coniocarpen, korstmossen met kleine, langgesteelde vruchtlichamen waarin de sporen zich ophopen tot een poederige massa. De soort groeit voornamelijk op dood hout en komt vooral voor in beschutte, vochtige bossen.
Het thallus is weinig ontwikkeld en bevindt zich grotendeels in het substraat. Wanneer het aan de oppervlakte zichtbaar is, bestaat het uit fijne, lichtgrijsgroene tot grijsgroene korrels. De groene alg Stichococcus vormt de fotosynthetiserende partner van het korstmos.
De apotheciën zijn ongeveer 1,5–2,5 mm hoog en bestaan uit een lang, dun steeltje met een klein, afgerond hoofdje (capitulum). De steel is opvallend slank, meestal kronkelig of gebogen en ongeveer 0,05–0,07 mm dik. Het onderste deel is zwart tot donkerbruin, terwijl het bovenste deel vaak met een roestbruine tot roodbruine berijping is bedekt.
Het capitulum is lensvormig tot vrijwel bolvormig en heeft een diameter van ongeveer 0,19–0,34 mm. Aan de onderzijde bevindt zich een roodbruin berijpt excipulum, dat bij oudere vruchtlichamen minder duidelijk kan worden. Het excipulum is ongeveer 40–80 µm dik. In rijpe vruchtlichamen vormt zich een droge, bruine sporenmassa, het mazaedium.
De asci zijn cilindrisch, ongeveer 12,9–16,5 × 2,2–3,2 µm groot en voorzien van een steel. Ze ontstaan gewoonlijk afzonderlijk, maar in sommige populaties kunnen ze ook in ketens worden gevormd.
De ascosporen zijn bolvormig tot bijna bolvormig, soms breed ellipsoïd en bruin van kleur. De sporenwand is glad of vertoont enkele onregelmatige scheurtjes. Volgens de beschrijving in de Flora of New Zealand bedraagt de diameter van bolvormige sporen 2,6–3,8 µm. In een taxonomische vergelijking uit 2019 wordt voor C. gracillima een sporendiameter van ongeveer 2,5–3,5 µm opgegeven.
Het thallus reageert negatief op de gebruikelijke korstmosreagentia: K−, C−, KC− en Pd−. De roodbruine berijping van de vruchtlichamen bevat daarentegen een pigment dat in kaliumhydroxide (KOH) oplost. Bij microscopisch onderzoek kunnen vervolgens karakteristieke violetrode, plaat- of veervormige kristallen ontstaan.
Chaenotheca gracillima groeit voornamelijk op ontschorst, vaak vergaand vergaan hout van naaldbomen, in het bijzonder sparren (Picea). De soort is daarnaast aangetroffen op schors van sparren en op dood hout van loofbomen, waaronder berk (Betula), populier (Populus) en wilg (Salix).
De soort heeft een voorkeur voor schaduwrijke, vochtige en tegen directe regen beschutte standplaatsen. Ze wordt vooral aangetroffen in oudere boreale en montane bossen, onder andere op staand dood hout en boomstronken. In Midden-Europa is de soort zeldzaam en voornamelijk bekend van enkele bergachtige bosgebieden.
De soort werd in 1881 door de Finse lichenoloog Edvard August Vainio oorspronkelijk beschreven als Coniocybe gracillima. De beschrijving was gebaseerd op materiaal van verrot hout uit Finland. In 1984 bracht de Zweedse lichenoloog Leif Tibell de soort over naar het geslacht Chaenotheca, waardoor de huidige wetenschappelijke naam Chaenotheca gracillima (Vain.) Tibell ontstond.
Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat C. gracillima nauw verwant is aan Chaenotheca gracilenta. Beide soorten behoren tot een afzonderlijke evolutionaire groep binnen Chaenotheca, die onder meer wordt gekenmerkt door lange, vaak gebogen vruchtlichaamstelen en een associatie met de alg Stichococcus.
Latere DNA-analyses hebben aanzienlijke genetische verschillen aangetoond tussen verschillende populaties die onder de naam C. gracillima werden onderzocht. Dit wijst erop dat de soort in ruime zin mogelijk een soortencomplex omvat, waarin nog niet herkende soorten aanwezig zijn.
Chaenotheca gracillima lijkt op enkele andere langgesteelde soorten uit het geslacht Chaenotheca. Een belangrijk onderscheidend kenmerk is de combinatie van lange, dunne, vaak kronkelige steeltjes en de roestbruine tot roodbruine berijping van het capitulum en het bovenste deel van de steel.
De soort vertoont vooral overeenkomst met Chaenotheca biesboschii (wilgenschorssteeltje). Laatstgenoemde soort heeft doorgaans kortere en minder kronkelige steeltjes, een aanvankelijk geel berijpt capitulum en grotere sporen. Bij C. biesboschii meten de sporen ongeveer 3,5–5,5 µm in diameter. Ook DNA-onderzoek ondersteunt het onderscheid tussen beide soorten.
Chaenotheca gracillima is bekend uit Europa, Noord-Amerika en delen van Azië. Daarnaast is de soort gemeld uit het zuidelijk halfrond, waaronder Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.
Binnen Europa is de soort onder meer bekend uit Scandinavië en Midden-Europa. Ze is in Midden-Europa zeer zeldzaam en is onder andere aangetroffen in oude sparrenbossen in Tsjechië.
In een Nederlandse inventarisatie uit 2017 werd Chaenotheca gracillima als een nieuw verschenen soort vermeld.
Een bijzondere vondst in de Biesbosch, die aanvankelijk met C. gracillima in verband werd gebracht, bleek na morfologisch en moleculair onderzoek echter tot een afzonderlijke soort te behoren. Deze werd in 2019 wetenschappelijk beschreven als Chaenotheca biesboschii en kreeg de Nederlandse naam wilgenschorssteeltje. De oorspronkelijke determinatie van het Biesboschmateriaal kan daarom niet als bevestiging van het voorkomen van C. gracillima in Nederland worden beschouwd.