Charles-Marie Philbert

Charles Louis Marie Godefroy Philbert
Portret van Charles-Marie Philbert door fotograaf Johannes Baer
Portret van Charles-Marie Philbert door fotograaf Johannes Baer
Algemene informatie
Geboren 1 december 1826
Tours
Overleden 11 juni 1894
Avranches
Nationaliteit Frans
Beroep Diplomaat, consul-generaal, orgeldeskundige, musicus en publicist
Bekend van Bevordering van de Franse symfonische orgelbouw in Nederland
Onderscheiding Chevalier de la Légion d'honneur
Chevalier de la Légion d'honneur (1868)
Familie
Ouders Philippe-Victor Philbert
Ursule Anne Guillen
Kinderen Maria, Anna, Adrien, Charles, Ursulin, Victor, Ursule
Overig
Zegelring Zegelring van Charles-Marie Philbert met het familiewapen
Zegelring van Charles Philbert met het familiewapen
Handtekening
Handtekening

Charles Louis Marie Godefroy Philbert (Tours, 1 december 1826 – Avranches, 11 juni 1894) was een Frans diplomaat, consul-generaal, orgeldeskundige, musicus en publicist. Hij stamde uit een adelgeslacht.

Via zijn moeder was Philbert verwant aan de echtgenote van Lodewijk Napoleon Bonaparte. Lodewijks echtgenote was Hortense de Beauharnais, de (eerste) koningin van het Koninkrijk Holland.

Gedurende een diplomatieke loopbaan van bijna veertig jaar vertegenwoordigde Charles Philbert Frankrijk in Nederland en Denemarken. Daarnaast leverde hij een belangrijke bijdrage aan de bevordering van de Franse symfonische orgelbouw in Nederland. Daarbij werkte hij nauw samen met Aristide Cavaillé-Coll, een van de belangrijkste Franse orgelbouwers van de negentiende eeuw. Door zijn publicaties, technische adviezen, commissiewerkzaamheden en omvangrijke correspondentie droeg Philbert bij aan de verbreiding van Cavaillé-Colls orgelbouwkundige ideeën in Nederland.

Voor zijn werkzaamheden op het gebied van de internationale regelingen voor de opvang van Noordzeedrenkelingen werd hij in 1868 benoemd tot chevalier de la Légion d'honneur. (Ridder in het Legioen van Eer).

Afkomst en familie

Charles Philbert was een zoon van Philippe-Victor Philbert en Ursule Anne Guillen. Zijn vader was ontvanger in Saussignac in de Dordogne en een aanhanger van koning Karel X. Na diens afzetting in 1830 verloor hij zijn functie. Het gezin verbleef vervolgens enige tijd in Montfort-l'Amaury en vestigde zich, na een verblijf in Saint-Loup bij Avranches, in 1833 in Avranches. Charles was telg uit een geslacht dat in latere publicaties wordt omschreven als een familie van aanzien.

Ursule Anne Guillen was in Avranches aanvankelijk directrice van een particuliere school voor basisonderwijs. Vervolgens stichtte zij volgens Timmer en Van Eck een eigen kleine particuliere school, het Pensionnat de Sainte-Marie.

Van vaderszijde stamde Charles Philbert uit een oud Lotharings geslacht. De gedocumenteerde vaderlijke lijn loopt via Nicolas Henry Philbert, groothandelaar, en Philippe Philbert, procureur bij het Parlement van Nancy en de Chambre des comptes de Lorraine, naar Philippe-Victor Philbert, ontvanger van de directe belastingen. Charles Philbert zette deze bestuurlijke traditie voort als diplomaat.

Van moederszijde stamde Philbert uit families die gedurende meerdere generaties op Martinique en later ook op Trinidad waren gevestigd, alwaar Ursule Anne Guillen werd geboren. De familie Guillen had een verbinding met het Spaanse koloniale bestuur op Trinidad. In 1796 wordt Don Joaquín Guillén daar vermeld als fiscaal van de Koninklijke Schatkist. Via zijn grootmoeder Ursule Désirée Coquelin de Lisle behoorde hij tot de Martinikaanse familie Coquelin de Lisle. Verschillende leden van deze familie vervulden militaire functies binnen de koloniale samenleving. Tot zijn voorouders behoorden Pierre Coquelin de Lisle, musketier van de koning en later kapitein der cavalerie, en Pierre Charles Coquelin de Lisle, kapitein van de koloniale militie. Laatstgenoemde was gehuwd met Anne Françoise Dorange.

Via Anne Françoise Dorange liep Philberts afstamming terug tot Guillaume Dorange en Madeleine Huguet. Guillaume Dorange, uit een familie die in oudere Cherbourgse archiefstukken als Orenge of d’Orenge werd vermeld en wiens naam later ook als d’Orange werd geschreven, stamde volgens historicus Paul Kaeppelin uit een adellijke familie uit het Cotentin. Guillaume Dorange en Madeleine Huguet waren eveneens voorouders van keizerin Joséphine de Beauharnais, de moeder van Hortense de Beauharnais. Philbert stamde af via hun zoon Nicolas Guillaume Dorange, terwijl Joséphines afstamming via hun dochter Marie Dorange liep. Charles en Joséphine waren genealogisch vierde neef en nicht met twee generaties verschil (fourth cousins twice removed). Volgens Kaeppelin was Guillaume Dorange niet verwant aan het huis Nassau.

Tot de naaste familie behoorde ook Caroline Guillen, zus van Ursele Anne Guillen en echtgenote van Alexandre Charles Henri Godefroy Le Filleul de La Chapelle. Na diens overlijden bleef Caroline in Parijs wonen. In het dagboek van Charles dochter Marie Philbert wordt zij genoemd als tante La Chapelle.

Jeugd en vorming

Charles Philbert bracht een deel van zijn jeugd door in Saint-Loup bij Avranches, waarna het gezin zich in Avranches vestigde. Voor zijn opleiding werd hij naar het jezuïetencollege Saint-Michel in Fribourg gezonden, waar hij ongeveer tien jaar verbleef. Daar ontving hij een brede klassieke vorming en ontwikkelde hij zijn blijvende belangstelling voor muziek, orgelspel, natuurwetenschappen en akoestiek. Hij was een veelzijdige en getalenteerde leerling, met zowel aanleg voor talen als voor de exacte vakken. Hij beheerste meerdere talen.

Na zijn opleiding vervolgde hij zijn vorming in Parijs. In de werkplaats van Aristide Cavaillé-Coll deed hij praktijkervaring op in de orgelbouw. Tussen beiden ontstond een levenslange vriendschap. Cavaillé-Coll omschreef hem later als « un bien excellent ami » ("een bijzonder goede vriend") en werd peetvader van Philberts dochter Marie.

Met zijn benoeming tot viceconsul van Frankrijk begon een diplomatieke loopbaan die hem gedurende bijna veertig jaar naar Den Helder, Amsterdam, Helsingør, Rotterdam en weer terug naar Frankrijk zou voeren.

Diplomatieke loopbaan

Gedurende bijna veertig jaar vertegenwoordigde Philbert Frankrijk in Nederland en Denemarken. In 1849 werd Charles Philbert benoemd tot viceconsul van Frankrijk te Den Helder. Na zijn periode in Den Helder werd hij kanselier van het Franse consulaat-generaal te Amsterdam, waar hij tevens als gérant du Consulat général (waarnemend hoofd van het consulaat-generaal) optrad. Vervolgens werd hij benoemd tot consul van Frankrijk te Helsingør en ten slotte tot consul en later consul-generaal van Frankrijk te Rotterdam. Als consul-generaal bekleedde Philbert binnen de Franse consulaire hiërarchie een rang die bij de marine was gelijkgesteld aan die van een contre-amiral (schout-bij-nacht).

Tijdens zijn consulaire loopbaan hield Philbert zich onder meer bezig met internationale maritieme aangelegenheden. Zijn werkzaamheden bij de internationale regelingen voor de opvang van Noordzeedrenkelingen werden in 1868 beloond met zijn benoeming tot chevalier de la Légion d'honneur. Het Legioen van Eer, ingesteld door Napoleon Bonaparte in 1802, is de hoogste Franse nationale onderscheiding.

Een voorgenomen overplaatsing naar Milaan ging niet door; ook latere voorgenomen benoemingen in Singapore en Yeddo (Japan) sloeg Philbert af. Daardoor kon hij zijn diplomatieke loopbaan blijven combineren met zijn onderzoek naar de orgelbouw en zijn activiteiten binnen het Europese muziekleven.

Orgeldeskundige, musicus en publicist

Naast zijn diplomatieke loopbaan verwierf Charles Philbert internationale bekendheid als orgeldeskundige, musicus en publicist. Vanuit zijn eigen werkkamer verrichtte hij technisch en historisch onderzoek naar het orgel en vervaardigde hij zelf onderdelen voor orgels. Zijn praktijkervaring, wetenschappelijke belangstelling en historische kennis vormden de basis van zijn adviezen en publicaties.

Een belangrijke bron voor Philberts opvattingen over orgelbouw is een brief die hij in 1866 onder het pseudoniem Eubulus aan de pastoor van de Mozes en Aäronkerk richtte. Daarin adviseerde hij het parochiebestuur een nieuw orgel door Aristide Cavaillé-Coll te laten bouwen.

Met een omvangrijke correspondentie, technische adviezen, publicaties en commissiewerkzaamheden zette hij zich gedurende tientallen jaren actief in om de Franse symfonische orgelbouw in Nederland ingang te doen vinden.

Zijn werkzaamheden beperkten zich niet tot Nederland. Ook elders in Europa trad Philbert op als publicist, adviseur, commissielid of keurmeester bij orgelprojecten. Bijzonder was zijn betrokkenheid bij de Wereldtentoonstelling van 1878 te Parijs. In het Franse muziektijdschrift Le Ménestrel pleitte hij in 1876 voor de bouw van een groot concertorgel door Aristide Cavaillé-Coll in de Salle des fêtes van de tentoonstelling. Daarbij verwees hij naar vergelijkbare instrumenten in Amsterdam, Leeds, Liverpool, Boston, Londen en Sheffield.

Daarnaast was Philbert – in uiteenlopende mate – betrokken bij orgelprojecten in onder meer de Sint-Pietersbasiliek te Rome, het Koninklijk Conservatorium te Brussel, de abdijkerk Saint-Étienne te Caen, de kerk Saint-Michel te Le Havre, de abdijkerk Saint-Ouen te Rouen, de Jesuskirken in Kopenhagen en de slotkerk van Frederiksborg Slot te Hillerød. Zijn rol verschilde per project en varieerde van publicist en pleitbezorger tot adviseur, lid of voorzitter van een keuringscommissie.

Volgens latere analyses droegen vooral Philberts directe bemoeienissen ertoe bij dat de ideeën van Cavaillé-Coll ingang vonden bij Nederlandse orgelbouwers als de gebroeders Adema en Michaël Maarschalkerweerd. Daarbij werd gewezen op zijn grote deskundigheid op het gebied van de intonatie, waarvan zelfs Cavaillé-Coll de hoge waarde onderkende.

Op voordracht van Cavaillé-Coll werd Philbert benoemd tot lid van de Association Scientifique de France.

Hij was daarnaast vicevoorzitter van de commissie voor het monumentale Cavaillé-Coll-orgel in het Paleis voor Volksvlijt, voorzitter van het technisch comité voor de invoering van de diapason normal in Nederland en adviseur bij de bouw van het monumentale Adema/Philbert-orgel in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam.

Volgens latere beschrijvingen beperkte zijn rol zich daarbij niet tot advisering. Hij hield zich intensief bezig met de technische uitwerking van het orgel en beschouwde het Cavaillé-Coll-orgel in het Paleis voor Volksvlijt, dat door zijn bemiddeling in 1875 naar Amsterdam was gekomen, als voorbeeld voor de ontwikkeling van de Nederlandse orgelbouw. Zijn toewijding blijkt eveneens uit zijn omvangrijke correspondentie met de orgelbouwer Adema. Het door Philberts bemiddeling verworven Cavaillé-Coll-orgel bleef bewaard: het werd in 1917 uit het Paleis voor Volksvlijt gedemonteerd en tijdelijk opgeslagen, in 1924 in de Grote Zaal van de huidige PHIL Haarlem geplaatst en ontkwam daardoor aan de brand die het Paleis in 1929 verwoestte.

Bij de technische uitwerking van het orgel werkte Philbert regelmatig tot diep in de nacht door. Nadat hij schreef dat de vogels reeds begonnen te zingen, vervolgde hij zijn brief enkele uren later met de opmerking dat hij, „ofschoon de grootste slaapkop van de wereld zijnde”, toch niet toegaf aan die „hoofdzonde”.

Philbert publiceerde verschillende studies over orgelbouw en akoestiek. Tot zijn gedocumenteerde werken behoren L’Orgue du Palais de l’Industrie d’Amsterdam. La facture d’orgues moderne et la facture d’orgues néerlandaise ancienne et contemporaine (1876) en Causerie sur le grand orgue de la maison A. Cavaillé-Coll à Saint-Ouen de Rouen (1890).

Dat Philberts oordeel over orgelbouw reeds tijdens zijn leven gezag genoot, blijkt uit een artikel in Het Orgel uit 1893. Daarin werd hij omschreven als „een man met grooten kunstzin en van erkenden smaak”. In hetzelfde artikel werd zijn waardering aangehaald voor het Christian Müller-hoofdorgel van de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem, waarvan hij het front omschreef als „even edel als grootsch, even rijk als vol van verscheidenheid”.

Persoonlijk leven en gezin

Op 14 november 1860 trad Charles Philbert in Den Helder in het huwelijk met Anna Elisabeth Overtoom. Uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren (waarvan er één jong overleed), die het gezin gedurende zijn opeenvolgende diplomatieke standplaatsen in Nederland en Denemarken vergezelden.

Charles Philbert en Anna Overtoom

Een uitzonderlijke bron voor Philberts persoonlijke leven vormt het bewaard gebleven dagboek van zijn oudste dochter Marie Philbert. Haar aantekeningen geven een zeldzaam inkijkje in het dagelijks leven van een negentiende-eeuws diplomatengezin en in de diplomatieke, culturele en wetenschappelijke kringen waarin de familie zich bewoog.

Zij beschreef onder meer bezoeken aan haar tante Caroline Le Filleul de La Chapelle in Parijs, bezoeken aan kasteel Kronborg en persoonlijke ontvangsten bij prinses Augusta van Hessen-Kassel, zuster van koningin Louise van Denemarken. Augusta verbleef in Villa Augusta in Helsingør, waar zij geregeld bezoekers ontving, onder wie leden van de Deense en andere Europese vorstenhuizen.

Verder beschreef Marie de eerste elektrische straatverlichting op de Boulevard des Capucines en bij de Madeleine in Parijs, de verschijning van de Grote komeet van 1882 en de feestelijke ontvangst van de Vega in Helsingør na de voltooiing van de Noordoostelijke Doorvaart.

Een van de meest bijzondere aantekeningen betreft het bezoek van de Franse schrijver Jules Verne aan de familie Philbert te Rotterdam. Marie noteerde op 10 juni 1881: „Hebben Jules Verne, den beroemden schrijver, die met zijn jacht de Saint-Michel III ook een bezoek aan Rotterdam bracht, en zijn broeder Paul Verne en een reisgenoot den heer Rosenmann, en Buziau den avond bij ons doorgebracht.”

Marie Philbert beperkte zich niet tot haar dagboek. Zij publiceerde ook verhalen, waaronder La Croix de Skotterup. Conte de Noël (Souvenir de Danemark) (1883), dat niet alleen in Parijs verscheen, maar ook via de Rotterdamse boekhandel Van Hengel & Eeltjes in Nederland werd verspreid.

In 1887 kreeg Philbert in Rotterdam bezoek van de Normandische aristocrate en schrijfster Ida d'Auxais d'Haudienville. Zij was afkomstig uit Mortain, woonde op het landgoed Mesnil-Balusson bij Lolif en publiceerde verschillende novellen en reisverhalen. Tijdens haar reis door Nederland, die zij beschreef in Promenade d’une solitaire en Hollande, deed zij Philbert in Rotterdam aan. In een bespreking van haar reis in de Revue de l’Avranchin werd het bezoek ten huize van Philbert omschreven als een « bonne et heureuse halte » („een aangename en gelukkige tussenstop”), terwijl Philbert werd aangeduid als « notre compatriote et confrère, consul général de France » („onze landgenoot en confrater, consul-generaal van Frankrijk”).

Naast zijn diplomatieke werkzaamheden speelde Charles Philbert een actieve rol in het culturele leven. In Den Helder was hij dirigent en later honorair directeur van de zangvereniging Cecilia.

De muzikale belangstelling van het gezin kwam ook tot uiting bij hun jongste dochter, Ursule Philbert. Zij was leerlinge van Pauline Viardot en Guy d'Hardelot en trad tussen 1896 en 1905 als concertzangeres op in onder meer Avranches en Rennes.

Van de kinderen vestigde alleen Adrien Joseph Marie Lionel Victor Philbert zich blijvend in Nederland. Hij zette hier de Nederlandse tak van de familie voort. Zijn zoon Adriaan Bob Philbert werd officier bij de Koninklijke Landmacht en vocht in 1940 tijdens de Duitse invasie bij de Grebbelinie. Vanwege zijn moedige en beleidvolle optreden tegenover de vijand werd hij bij Koninklijk Besluit onderscheiden met het Bronzen Kruis. De overige kinderen van Charles bleven in Frankrijk of keerden daarheen terug.


De kinderen, van links naar rechts Ursule, Marie, Charles, Victor, Anna en Adrien

Laatste jaren en overlijden

Ook na zijn diplomatieke loopbaan bleef Philbert actief op wetenschappelijk en technisch gebied. In 1889 verzorgde hij de Franse vertaling van de bijgewerkte uitgave van het standaardwerk Le Port de Rotterdam van Jan Hendrik Neiszen, over de ontwikkeling van de Haven van Rotterdam en de aanleg van de Nieuwe Waterweg. De Ingenieur berichtte hierover dat de vertaling „van de hand van den oud-consul-generaal van Frankrijk, den heer C.M. Philbert” was.

Na zijn pensionering in 1887 keerde Philbert terug naar Avranches, waar hij vicevoorzitter werd van de Société d’archéologie d’Avranches et Mortain. Hij bleef er actief op wetenschappelijk en cultureel gebied en publiceerde verschillende bijdragen in de Revue de l’Avranchin. Ook bleef hij zich bezighouden met orgelbouw, muziek en wetenschap. Zijn overlijden werd zowel in Nederland als in Frankrijk met waardering herdacht.

Nalatenschap en waardering

De betekenis van Charles Philbert voor de Nederlandse orgelwereld werd kort na zijn overlijden treffend verwoord door Jos A. Verheijen, organist van de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Zijn necrologie, gepubliceerd in Het Orgel in 1894, geldt als de belangrijkste contemporaine waardering van Philbert.

Verheijen schreef dat Philberts naam „verbonden zal blijven aan het uitnemendste” dat in Nederland op het gebied van de orgelbouw tot stand was gekomen. Hij prees zijn uitzonderlijke vakkennis en merkte op dat Philbert „van dit instrument beter op de hoogte was dan menig orgelmaker”, terwijl „zelfs een Cavaillé-Coll om raad vroeg”. Hij omschreef hem bovendien als „deze edelman met zijn streng en ontzagwekkend uiterlijk, die op ieder een diepen en blijvenden indruk maakte, was altijd en belangenloos tot raad en hulp bereid”.

De Heldersche en Nieuwedieper Courant schreef dat Philbert zich „door zijne werkzaamheid en zijne belangstelling in de plaats zijner inwoning algemeen geacht en bemind” had gemaakt. De Revue de l'Avranchin omschreef hem als « Chrétien fervent, esprit d'élite, artiste éminent, lettré et savant, cœur excellent et généreux » („een overtuigd christen, een uitzonderlijk ontwikkeld geest, een vooraanstaand kunstenaar, letterkundige en geleerde, met een edelmoedig en groot hart”).

Dat Philbert ook lang na zijn overlijden als gezaghebbend orgeldeskundige werd beschouwd, blijkt uit een verslag van het Orgelcongres van Gent (1946). Tijdens een lezing over de invloed van Aristide Cavaillé-Coll stond de correspondentie centraal tussen Cavaillé-Coll, diens Nederlandse tussenpersoon Charles Philbert en de Amsterdamse orgelbouwer Adema. Philbert werd daarbij omschreven als « le confident de la pensée du Maître » („de vertrouweling van de denkwereld van de Meester”). Aan de hand van ongeveer driehonderd brieven werd uiteengezet hoe Philbert niet alleen technische aanwijzingen gaf voor onder meer de dispositie, de Barker-hefboom, de mensuren en de windvoorziening van het orgel in de Mozes en Aäronkerk, maar vooral ook de artistieke visie van Cavaillé-Coll in Nederland wist over te brengen.

Zijn betekenis bleef ook na zijn overlijden voortleven. Zijn publicaties worden geraadpleegd door musicologen, orgelhistorici en restauratoren.

Bij de feestelijke heringebruikneming van het gerestaureerde Adema/Philbert-orgel in de Mozes en Aäronkerk op 7 oktober 1994 werd, in aanwezigheid van zijn achterkleinzonen Victor Philbert en Hemmo Philbert, opnieuw herinnerd aan zijn beslissende bijdrage aan het instrument. Daarbij waren ook Schelto Patijn, burgemeester van Amsterdam, en Han Lammers, commissaris van de Koningin in Flevoland, aanwezig. In het officiële programma werd Charles Philbert omschreven als de „geestelijk vader van het orgel”.

Daarmee bleek Verheijens verwachting dat Philberts naam „verbonden zal blijven aan het uitnemendste” op het gebied van de orgelbouw ook ruim een eeuw na zijn overlijden werkelijkheid.

Trivia

Philberts voorouder Guillaume Dorange overleed in juli 1674 te Fort-Royal op Martinique als gevolg van de aanval van admiraal Michiel de Ruyter. Hierbij werd het eiland met een vloot van achtenveertig schepen en drieduizend soldaten aangevallen. Bij zijn overlijden wordt vermeld: « + F-R en juillet 1674, à la suite de l'attaque de Ruyter » (overleden te Fort-Royal in juli 1674, als gevolg van de aanval van Ruyter). Dorange werd gedood terwijl hij een kanon bediende; zijn dochter Madeleine nam tijdens het gevecht zijn plaats bij het kanon over. De aanval vond plaats tijdens de Hollandse Oorlog (1672–1678), waarin de Republiek en Frankrijk tegenover elkaar stonden. In 1674 richtte het Nederlandse offensief zich mede op de Franse bezittingen in de Antillen; De Ruyter kreeg daarbij de opdracht de Franse koloniën aan te vallen. De aanval op Fort-Royal werd afgeslagen, waarbij de Nederlandse strijdmacht aanzienlijke verliezen leed.

Referenties

  1. 1 2 3 4 Joseph Antonius Verheijen, Charles Marie Godefroy Philbert, Het Orgel, jrg. 9, nr. 6 (1894), p. 4–6.
  2. 1 2 3 4 5 6 7 René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Een studie naar het werk van Cavaillé-Coll en diens invloed in Nederland in de periode 1875–1924, proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 2008.
  3. 1 2 3 4 5 6 Victor Timmer & Ton van Eck, „Over Charles Philbert, 'grand amateur de facture d'orgue' en voorvechter van het werk van Aristide Cavaillé-Coll”, Orgelkunst, jrg. 34, nr. 3 (september 2011), p. 130.
  4. ↑ Archives nationales (France), Base Léonore, dossier LH/2139/17, « PHILBERT, Charles Marie Geoffroy », Dossier de la Légion d'honneur, digitale scans.
  5. ↑ Victor Timmer & Ton van Eck, „'Un bien excellent ami'. Charles-Marie Philbert, zijn relatie met Aristide Cavaillé-Coll en het orgel in het Koninklijk Conservatorium te Brussel”, Orgelkunst, jrg. 45, nr. 1 (maart 2022), p. 6–18.
  6. ↑ De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 19 augustus 1868, rubriek „Telegrammen”, bericht „Parijs, 18 Aug.”, via Delpher.
  7. 1 2 3 Victor Timmer en Ton van Eck, „Charles-Marie Philbert en het orgel: de vroege jaren”, Het Orgel, jrg. 110 (2014), nr. 6, p. 5.
  8. ↑ Parochieregister Saint-Nicolas (Nancy), doopinschrijving van Philippe-Victor Philbert (1780); parochieregister Maxey-sur-Meuse, huwelijksakte van Philippe Philbert en Marie Françoise Trichot (1776); burgerlijke stand Avranches, overlijdensakte van Philippe-Victor Philbert (1856).
  9. ↑ Archivo General de Indias (Sevilla), Audiencia de Caracas, legajo 815, stuk van 17 oktober 1796: „Al Gobernador Intendente de la Isla de Trinidad. Negando a Don Joaquín Guillén Fiscal de Real Hacienda de aquella Isla, el descuento de sueldo que solicita por no permitirlo las actuales urgencias”, 14 folios.
  10. ↑ Eugène Bruneau-Latouche, Chantal Cordiez en Philippe Cordiez, 209 anciennes familles subsistantes de la Martinique: notices généalogiques, acquisitions, ventes, échanges, alliances et descendances antérieurs à 1901, 2 delen, 2002, lemma „Coquelin de Lisle”.
  11. ↑ Jacques Petitjean-Roget en Eugène Bruneau-Latouche, Personnes et familles à la Martinique au XVIIe siècle: d’après recensements et terrier nominatifs, deel 2, Dictionnaire, Désormeaux, lemma „Dorange”.
  12. ↑ Solange Saint-Arroman, À la recherche de Marie Deville, épouse de Jean Jaham de Verpré (Martinique), Généalogie et Histoire de la Caraïbe, december 2021, p. 6.
  13. 1 2 Paul Kaeppelin, bespreking van Guillaume d’Orange et les origines des Antilles françaises, Revue d’histoire moderne et contemporaine, jrg. 11, nr. 4, januari 1909, pp. 307–311, aldaar p. 307.
  14. ↑ Archiefvermeldingen betreffende Denis Orenge te Cherbourg uit 1609 en 1610, gepubliceerd in de archiefindex Les Écritoires; Paul Kaeppelin, “Vte du Motey. Guillaume d’Orange et les origines des Antilles françaises”, Revue d’histoire moderne et contemporaine, jrg. 11, nr. 4, 1909, p. 307, digitaal beschikbaar via Persée.
  15. 1 2 3 Jacques Petitjean-Roget en Eugène Bruneau-Latouche, Personnes et familles à la Martinique au XVIIe siècle: d'après recensements et terrier nominatifs, Tome 2, Dictionnaire, Désormeaux, lemma „Dorange”.
  16. ↑ Bernadette en Philippe Rossignol, „Les Tascher de La Pagerie, famille de l'impératrice”, Généalogie et Histoire de la Caraïbe, nr. 54, november 1993, p. 890.
  17. ↑ Généalogie et Histoire de la Caraïbe, nr. 92, april 1997, p. 1941.
  18. ↑ Hun gemeenschappelijke voorouders waren Guillaume Dorange, ook geschreven Guillaume d’Orange, en Madeleine Huguet. Guillaume Dorange werd op 16 april 1605 gedoopt als zoon van Denis Dorange en Jeanne Joseph (Archives départementales de la Manche, Cherbourg, doopregister 1597–1606, cote 5 Mi 1449, afbeelding 131/158). Madeleine Huguet werd op 26 mei 1613 gedoopt als dochter van François Huguet en Françoise-Madeleine Chamaillard (Archives départementales d’Indre-et-Loire, Chinon, gemeentelijke collectie, doopregister 1598–1615, cote 6NUM7/072/036, afbeelding 78/89). De afstammingslijn naar Charles-Marie Philbert loopt via hun zoon Nicolas-Guillaume Dorange → Joseph-Guillaume Dorange → François-Guillaume Dorange → Anne-Françoise Dorange → Ursule-Désirée Coquelin de Lisle → Ursule-Anne Guillen → Charles-Marie Philbert. Deze lijn wordt achtereenvolgens onderbouwd door: het parochieregister van Capesterre, Guadeloupe (doop van Nicolas-Guillaume Dorange op 1 februari 1643, zoon van Guillaume Dorange en Madeleine Huguet); Archives territoriales de Martinique, serie 2E2/1, Population blanche et libre de couleur : baptêmes, mariages, sépultures, afbeelding 48/241 (huwelijk op 3 oktober 1711 van Joseph-Guillaume Dorange, in de akte Guillaume Dorange de La Manche genoemd, zoon van wijlen Nicolas Dorange en Marie Leclerc, met Marie-Élisabeth Chartier de Bellair); Jacques Petitjean-Roget en Eugène Bruneau-Latouche, Personnes et familles à la Martinique au XVIIe siècle : d’après recensements et terrier nominatifs. Dictionnaire, deel 2, p. 86 (François-Guillaume Dorange de La Manche als zoon van Joseph-Guillaume Dorange en Marie-Élisabeth Chartier de Bellair); Archives territoriales de Martinique, Le Lamentin, huwelijksregister 1772, afbeelding 8/9 (huwelijk van Anne-Françoise Dorange, dochter van François-Guillaume Dorange de La Manche en Marie-Françoise-Victoire Coquelin de Lisle, met Pierre-Charles Coquelin de Lisle op 3 november 1772); Archives territoriales de Martinique, Le Lamentin, doopregister 1779, afbeelding 5/15 (doop van Ursule-Désirée Coquelin de Lisle op 22 april 1779, geboren op 9 november 1774 als dochter van Pierre-Charles Coquelin de Lisle en Anne-Françoise Dorange); een gewaarmerkt doopuittreksel, afgegeven te Port of Spain op 23 april 1811, betreffende de doopinschrijving van 21 augustus 1796 (Ursule-Anne Guillen, geboren op 24 februari 1796 als dochter van Joaquín Guillen en Ursule-Désirée Coquelin de Lisle); en Archives départementales d’Indre-et-Loire, Tours, geboorten 1826, cote 6NUM8/261/114, afbeelding 221/246, akte nr. 864 (geboorte van Charles-Marie Philbert op 1 december 1826, zoon van Philippe-Victor Philbert en Ursule-Anne Guillen). Een aanvullende familietak wordt gedocumenteerd door het huwelijkscontract van Noël Chartier de Bellair en Isabelle Dorange, eveneens een dochter van Guillaume Dorange en Madeleine Huguet. Dit contract werd op 16 en 17 februari 1667 verleden voor de koninklijke notaris Louis de Clugny te Basse-Terre; zie Yves Blanchard en Gabriel Debien, Les anciennes paroisses de la Martinique. Le François, Le Marin, Le Capesterre – Saint-Pierre, Fort-de-France, 1980, p. 80. Via hun dochter Marie-Élisabeth Chartier de Bellair kwam deze Dorange-tak door haar huwelijk met Joseph-Guillaume Dorange opnieuw samen met de lijn naar Charles-Marie Philbert. De afstammingslijn naar Joséphine loopt via een andere dochter van het gemeenschappelijke stamouderpaar: Guillaume Dorange en Madeleine Huguet → Marie Dorange, gehuwd met Guillaume Le Maigne du Plat → Élisabeth Le Maigne du Plat, gehuwd met Joseph des Vergers de Sannois → Joseph-François des Vergers de Sannois, gehuwd met Marie-Catherine-Françoise Brown → Rose-Claire des Vergers de Sannois, gehuwd met Joseph-Gaspard Tascher de La Pagerie → Marie-Josèphe-Rose Tascher de La Pagerie, de latere keizerin Joséphine. Het begin van deze tak wordt bevestigd door het parochieregister van Capesterre, Guadeloupe (doop van Marie Dorange op 7 juli 1641, dochter van Guillaume Dorange en Madeleine Huguet). De afstamming van Guillaume Dorange en zijn nakomelingen, waaronder de tak waaruit Joséphine voortkwam, wordt behandeld in Henry Renault du Motey, Guillaume d’Orange et les origines des Antilles françaises : étude historique d’après les chroniques de l’époque et de nombreux documents inédits, accompagnée d’un exposé de la descendance de Guillaume d’Orange et de pièces justificatives, Parijs: Alphonse Picard et fils, 1908, 471 p. Een wetenschappelijke bespreking van dit werk bevestigt uitdrukkelijk dat een dochter van Guillaume Dorange een rechtstreekse voormoeder van Joséphine de Beauharnais was: Paul Kaeppelin, “Vte du Motey. Guillaume d’Orange et les origines des Antilles françaises. 1908”, Revue d’histoire moderne et contemporaine, jrg. 11, nr. 4, januari 1909, pp. 307–311, in het bijzonder p. 307, digitaal beschikbaar via Persée. Joséphine stond vijf generaties en Charles-Marie zeven generaties van het gemeenschappelijke stamouderpaar af. Zij waren daardoor vierde neef en nicht met twee generaties verschil.
  19. ↑ Burgerlijke stand Avranches, overlijdensakte van Ursule Anne Guillen (1867); 209 anciennes familles subsistantes de la Martinique; dagboek van Charles dochter Marie Philbert (familiearchief).
  20. ↑ René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Een studie naar het werk van Cavaillé-Coll en diens invloed in Nederland in de periode 1875–1924, Vrije Universiteit Amsterdam, 2008, p. 103.
  21. 1 2 3 4 René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Een studie naar het werk van Cavaillé-Coll en diens invloed in Nederland in de periode 1875–1924, proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 2008, p. 103–104.
  22. ↑ Revue de l’Avranchin et du pays de Granville, t. V, 1891, p. 427, waar over Philbert wordt geschreven: « Consul Général de France, titre assimilé dans la marine au grade de contre-amiral ». Zie tevens Pierre Larousse, Grand dictionnaire universel du XIXe siècle, lemma « Consul »: volgens de koninklijke ordonnantie van 7 november 1833 kregen consuls-generaal in hun hiërarchische verhouding tot marineofficieren de rang van contre-amiral.
  23. 1 2 Jan Raas, De kroon op het werk. Het orgel van de Mozes en Aäronkerk, Amsterdam: Stichting Mozeshuis, 1994.
  24. ↑ Jan Raas, „Een geheimzinnige brief”, Het Orgel, jrg. 80 (1984), nr. 7/8, p. 296–299; René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland, Vrije Universiteit Amsterdam, 2008, p. 39.
  25. ↑ Jan Raas, De kroon op het werk. Het orgel van de Mozes en Aäronkerk, Amsterdam: Stichting Mozeshuis, 1994; René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland, 2008.
  26. ↑ Charles-Marie Philbert, L'Orgue du Palais de l'Industrie d'Amsterdam. La facture d'orgues moderne et la facture d'orgues néerlandaise ancienne et contemporaine, Amsterdam: Binger Frères, 1876; René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Een studie naar het werk van Cavaillé-Coll en diens invloed in Nederland in de periode 1875–1924, Vrije Universiteit Amsterdam, 2008; Jan Raas, De kroon op het werk. Het orgel van de Mozes en Aäronkerk, Amsterdam: Stichting Mozeshuis, 1994.
  27. ↑ „Het orgel uit het Paleis voor Volksvlijt”, De Standaard, 5 augustus 1919, rubriek „Stadsnieuws”, naar een bijdrage van J.W. Enschedé in Amstelodamum, via Delpher.
  28. ↑ „Amsterdamse roem van Friesen huize. Honderd jaar orgelbouw”, Nieuwe Haarlemsche Courant, 19 maart 1954, via Delpher.
  29. ↑ Jan Raas, De kroon op het werk. Het orgel van de Mozes en Aäronkerk, Amsterdam: Stichting Mozeshuis, 1994.
  30. ↑ René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Onderzoek naar het werk van Cavaillé-Coll en zijn invloed in Nederland in de periode 1875–1924, Vrije Universiteit Amsterdam, 2008, bibliografie.
  31. ↑ Philbert, Charles-Marie, Causerie sur le grand orgue de la maison A. Cavaillé-Coll à Saint-Ouen de Rouen. Bibliothèques de Caen la mer. Geraadpleegd op 31 augustus 2026.
  32. ↑ „Aan de abonné’s”, Het Orgel; maandblad voor organisten, jrg. 7, nr. 11, 15 januari 1893, p. [1].
  33. ↑ Huwelijksakte van Charles-Marie Philbert en Anna Elisabeth Overtoom, Den Helder, 14 november 1860; bevolkingsregisters van Den Helder, Amsterdam, Rotterdam en Helsingør.
  34. 1 2 3 Dagboek van Marie Philbert (familiearchief).
  35. ↑ „Villa Augusta”, Helsingør Leksikon.
  36. ↑ Nederlandse en Franse bibliografische bronnen; La Croix de Skotterup (1883).
  37. ↑ Impressions d’une solitaire en Italie. Bibliothèque nationale de France. Geraadpleegd op 21 september 2026.
  38. ↑ Promenade d’une solitaire en Hollande. Bibliothèque nationale de France (1887). Geraadpleegd op 21 september 2026.
  39. ↑ Revue de l’Avranchin, 1887, bespreking van Promenade d’une solitaire en Hollande, p. 530.
  40. ↑ Victor Timmer, „Een onbekende kant van Charles-Marie Philbert”, Het Orgel, jrg. 102 (2006), nr. 5, p. 18–25.
  41. ↑ Heldersche en Nieuwedieper Courant.
  42. ↑ Concertprogramma’s, krantenknipsels en gesigneerd portret van Guy d’Hardelot betreffende Ursule Philbert, 1896–1905, familiearchief Philbert, particuliere collectie.
  43. ↑ Burgerlijke stand en bevolkingsregisters.
  44. ↑ De Ingenieur, 1889; J.H. Neiszen, Le Port de Rotterdam (1889).
  45. ↑ Revue de l’Avranchin, 1894, « M. Charles Philbert ».
  46. 1 2 Overlijdensakte van Charles-Marie Philbert, Avranches, 15 juni 1894; Revue de l'Avranchin (1894); Nederlandse necrologieën.
  47. ↑ Sint Gregorius-blad, jrg. 67 (1946), nr. 10–11.
  48. ↑ Programma heringebruikneming Adema-Philbert-orgel, Mozes en Aäronkerk, 7 oktober 1994; Mozaïek, september 1994.
  49. ↑ Jacques Petitjean Roget, „Les femmes des colons à la Martinique au XVIe et XVIIe siècle”, Revue d’histoire de l’Amérique française, jrg. 9, nr. 2 (september 1955), p. 181, voetnoot 11.
  50. ↑ Jean-Philippe Cénat, Le roi stratège. Louis XIV et la direction de la guerre (1661–1715), Presses universitaires de Rennes, 2010, hoofdstuk V.
  51. ↑ James Pritchard, In Search of Empire: The French in the Americas, 1670–1730, Cambridge University Press, 2004, p. 281.

Bronnen

Primaire bronnen

Publicaties van Charles Philbert

Secundaire literatuur

Kranten en tijdschriften