| Charles Louis Marie Godefroy Philbert | ||
|---|---|---|
Portret van Charles-Marie Philbert door fotograaf Johannes Baer | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboren | 1 december 1826 Tours | |
| Overleden | 11 juni 1894 Avranches | |
| Nationaliteit | Frans | |
| Beroep | Diplomaat, consul-generaal, orgeldeskundige, musicus en publicist | |
| Bekend van | Bevordering van de Franse symfonische orgelbouw in Nederland | |
| Onderscheiding | Chevalier de la Légion d'honneur (1868) | |
| Familie | ||
| Ouders | Philippe-Victor Philbert Ursule Anne Guillen | |
| Kinderen | Maria, Anna, Adrien, Charles, Ursulin, Victor, Ursule | |
| Overig | ||
| Zegelring | Zegelring van Charles Philbert met het familiewapen | |
| Handtekening | ||
Charles Louis Marie Godefroy Philbert (Tours, 1 december 1826 – Avranches, 11 juni 1894) was een Frans diplomaat, consul-generaal, orgeldeskundige, musicus en publicist. Hij stamde uit een adelgeslacht.
Via zijn moeder was Philbert verwant aan de echtgenote van Lodewijk Napoleon Bonaparte. Lodewijks echtgenote was Hortense de Beauharnais, de (eerste) koningin van het Koninkrijk Holland.
Gedurende een diplomatieke loopbaan van bijna veertig jaar vertegenwoordigde Charles Philbert Frankrijk in Nederland en Denemarken. Daarnaast leverde hij een belangrijke bijdrage aan de bevordering van de Franse symfonische orgelbouw in Nederland. Daarbij werkte hij nauw samen met Aristide Cavaillé-Coll, een van de belangrijkste Franse orgelbouwers van de negentiende eeuw. Door zijn publicaties, technische adviezen, commissiewerkzaamheden en omvangrijke correspondentie droeg Philbert bij aan de verbreiding van Cavaillé-Colls orgelbouwkundige ideeën in Nederland.
Voor zijn werkzaamheden op het gebied van de internationale regelingen voor de opvang van Noordzeedrenkelingen werd hij in 1868 benoemd tot chevalier de la Légion d'honneur. (Ridder in het Legioen van Eer).
Charles Philbert was een zoon van Philippe-Victor Philbert en Ursule Anne Guillen. Zijn vader was ontvanger in Saussignac in de Dordogne en een aanhanger van koning Karel X. Na diens afzetting in 1830 verloor hij zijn functie. Het gezin verbleef vervolgens enige tijd in Montfort-l'Amaury en vestigde zich, na een verblijf in Saint-Loup bij Avranches, in 1833 in Avranches. Charles was telg uit een geslacht dat in latere publicaties wordt omschreven als een familie van aanzien.
Ursule Anne Guillen was in Avranches aanvankelijk directrice van een particuliere school voor basisonderwijs. Vervolgens stichtte zij volgens Timmer en Van Eck een eigen kleine particuliere school, het Pensionnat de Sainte-Marie.
Van vaderszijde stamde Charles Philbert uit een oud Lotharings geslacht. De gedocumenteerde vaderlijke lijn loopt via Nicolas Henry Philbert, groothandelaar, en Philippe Philbert, procureur bij het Parlement van Nancy en de Chambre des comptes de Lorraine, naar Philippe-Victor Philbert, ontvanger van de directe belastingen. Charles Philbert zette deze bestuurlijke traditie voort als diplomaat.
Van moederszijde stamde Philbert uit families die gedurende meerdere generaties op Martinique en later ook op Trinidad waren gevestigd, alwaar Ursule Anne Guillen werd geboren. De familie Guillen had een verbinding met het Spaanse koloniale bestuur op Trinidad. In 1796 wordt Don Joaquín Guillén daar vermeld als fiscaal van de Koninklijke Schatkist. Via zijn grootmoeder Ursule Désirée Coquelin de Lisle behoorde hij tot de Martinikaanse familie Coquelin de Lisle. Verschillende leden van deze familie vervulden militaire functies binnen de koloniale samenleving. Tot zijn voorouders behoorden Pierre Coquelin de Lisle, musketier van de koning en later kapitein der cavalerie, en Pierre Charles Coquelin de Lisle, kapitein van de koloniale militie. Laatstgenoemde was gehuwd met Anne Françoise Dorange.
Via Anne Françoise Dorange liep Philberts afstamming terug tot Guillaume Dorange en Madeleine Huguet. Guillaume Dorange, uit een familie die in oudere Cherbourgse archiefstukken als Orenge of d’Orenge werd vermeld en wiens naam later ook als d’Orange werd geschreven, stamde volgens historicus Paul Kaeppelin uit een adellijke familie uit het Cotentin. Guillaume Dorange en Madeleine Huguet waren eveneens voorouders van keizerin Joséphine de Beauharnais, de moeder van Hortense de Beauharnais. Philbert stamde af via hun zoon Nicolas Guillaume Dorange, terwijl Joséphines afstamming via hun dochter Marie Dorange liep. Charles en Joséphine waren genealogisch vierde neef en nicht met twee generaties verschil (fourth cousins twice removed). Volgens Kaeppelin was Guillaume Dorange niet verwant aan het huis Nassau.
Tot de naaste familie behoorde ook Caroline Guillen, zus van Ursele Anne Guillen en echtgenote van Alexandre Charles Henri Godefroy Le Filleul de La Chapelle. Na diens overlijden bleef Caroline in Parijs wonen. In het dagboek van Charles dochter Marie Philbert wordt zij genoemd als tante La Chapelle.
Charles Philbert bracht een deel van zijn jeugd door in Saint-Loup bij Avranches, waarna het gezin zich in Avranches vestigde. Voor zijn opleiding werd hij naar het jezuïetencollege Saint-Michel in Fribourg gezonden, waar hij ongeveer tien jaar verbleef. Daar ontving hij een brede klassieke vorming en ontwikkelde hij zijn blijvende belangstelling voor muziek, orgelspel, natuurwetenschappen en akoestiek. Hij was een veelzijdige en getalenteerde leerling, met zowel aanleg voor talen als voor de exacte vakken. Hij beheerste meerdere talen.
Na zijn opleiding vervolgde hij zijn vorming in Parijs. In de werkplaats van Aristide Cavaillé-Coll deed hij praktijkervaring op in de orgelbouw. Tussen beiden ontstond een levenslange vriendschap. Cavaillé-Coll omschreef hem later als « un bien excellent ami » ("een bijzonder goede vriend") en werd peetvader van Philberts dochter Marie.
Met zijn benoeming tot viceconsul van Frankrijk begon een diplomatieke loopbaan die hem gedurende bijna veertig jaar naar Den Helder, Amsterdam, Helsingør, Rotterdam en weer terug naar Frankrijk zou voeren.
Gedurende bijna veertig jaar vertegenwoordigde Philbert Frankrijk in Nederland en Denemarken. In 1849 werd Charles Philbert benoemd tot viceconsul van Frankrijk te Den Helder. Na zijn periode in Den Helder werd hij kanselier van het Franse consulaat-generaal te Amsterdam, waar hij tevens als gérant du Consulat général (waarnemend hoofd van het consulaat-generaal) optrad. Vervolgens werd hij benoemd tot consul van Frankrijk te Helsingør en ten slotte tot consul en later consul-generaal van Frankrijk te Rotterdam. Als consul-generaal bekleedde Philbert binnen de Franse consulaire hiërarchie een rang die bij de marine was gelijkgesteld aan die van een contre-amiral (schout-bij-nacht).
Tijdens zijn consulaire loopbaan hield Philbert zich onder meer bezig met internationale maritieme aangelegenheden. Zijn werkzaamheden bij de internationale regelingen voor de opvang van Noordzeedrenkelingen werden in 1868 beloond met zijn benoeming tot chevalier de la Légion d'honneur. Het Legioen van Eer, ingesteld door Napoleon Bonaparte in 1802, is de hoogste Franse nationale onderscheiding.
Een voorgenomen overplaatsing naar Milaan ging niet door; ook latere voorgenomen benoemingen in Singapore en Yeddo (Japan) sloeg Philbert af. Daardoor kon hij zijn diplomatieke loopbaan blijven combineren met zijn onderzoek naar de orgelbouw en zijn activiteiten binnen het Europese muziekleven.
Naast zijn diplomatieke loopbaan verwierf Charles Philbert internationale bekendheid als orgeldeskundige, musicus en publicist. Vanuit zijn eigen werkkamer verrichtte hij technisch en historisch onderzoek naar het orgel en vervaardigde hij zelf onderdelen voor orgels. Zijn praktijkervaring, wetenschappelijke belangstelling en historische kennis vormden de basis van zijn adviezen en publicaties.
Een belangrijke bron voor Philberts opvattingen over orgelbouw is een brief die hij in 1866 onder het pseudoniem Eubulus aan de pastoor van de Mozes en Aäronkerk richtte. Daarin adviseerde hij het parochiebestuur een nieuw orgel door Aristide Cavaillé-Coll te laten bouwen.
Met een omvangrijke correspondentie, technische adviezen, publicaties en commissiewerkzaamheden zette hij zich gedurende tientallen jaren actief in om de Franse symfonische orgelbouw in Nederland ingang te doen vinden.
Zijn werkzaamheden beperkten zich niet tot Nederland. Ook elders in Europa trad Philbert op als publicist, adviseur, commissielid of keurmeester bij orgelprojecten. Bijzonder was zijn betrokkenheid bij de Wereldtentoonstelling van 1878 te Parijs. In het Franse muziektijdschrift Le Ménestrel pleitte hij in 1876 voor de bouw van een groot concertorgel door Aristide Cavaillé-Coll in de Salle des fêtes van de tentoonstelling. Daarbij verwees hij naar vergelijkbare instrumenten in Amsterdam, Leeds, Liverpool, Boston, Londen en Sheffield.
Daarnaast was Philbert – in uiteenlopende mate – betrokken bij orgelprojecten in onder meer de Sint-Pietersbasiliek te Rome, het Koninklijk Conservatorium te Brussel, de abdijkerk Saint-Étienne te Caen, de kerk Saint-Michel te Le Havre, de abdijkerk Saint-Ouen te Rouen, de Jesuskirken in Kopenhagen en de slotkerk van Frederiksborg Slot te Hillerød. Zijn rol verschilde per project en varieerde van publicist en pleitbezorger tot adviseur, lid of voorzitter van een keuringscommissie.
Volgens latere analyses droegen vooral Philberts directe bemoeienissen ertoe bij dat de ideeën van Cavaillé-Coll ingang vonden bij Nederlandse orgelbouwers als de gebroeders Adema en Michaël Maarschalkerweerd. Daarbij werd gewezen op zijn grote deskundigheid op het gebied van de intonatie, waarvan zelfs Cavaillé-Coll de hoge waarde onderkende.
Op voordracht van Cavaillé-Coll werd Philbert benoemd tot lid van de Association Scientifique de France.
Hij was daarnaast vicevoorzitter van de commissie voor het monumentale Cavaillé-Coll-orgel in het Paleis voor Volksvlijt, voorzitter van het technisch comité voor de invoering van de diapason normal in Nederland en adviseur bij de bouw van het monumentale Adema/Philbert-orgel in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam.
Volgens latere beschrijvingen beperkte zijn rol zich daarbij niet tot advisering. Hij hield zich intensief bezig met de technische uitwerking van het orgel en beschouwde het Cavaillé-Coll-orgel in het Paleis voor Volksvlijt, dat door zijn bemiddeling in 1875 naar Amsterdam was gekomen, als voorbeeld voor de ontwikkeling van de Nederlandse orgelbouw. Zijn toewijding blijkt eveneens uit zijn omvangrijke correspondentie met de orgelbouwer Adema. Het door Philberts bemiddeling verworven Cavaillé-Coll-orgel bleef bewaard: het werd in 1917 uit het Paleis voor Volksvlijt gedemonteerd en tijdelijk opgeslagen, in 1924 in de Grote Zaal van de huidige PHIL Haarlem geplaatst en ontkwam daardoor aan de brand die het Paleis in 1929 verwoestte.
Bij de technische uitwerking van het orgel werkte Philbert regelmatig tot diep in de nacht door. Nadat hij schreef dat de vogels reeds begonnen te zingen, vervolgde hij zijn brief enkele uren later met de opmerking dat hij, „ofschoon de grootste slaapkop van de wereld zijnde”, toch niet toegaf aan die „hoofdzonde”.
Philbert publiceerde verschillende studies over orgelbouw en akoestiek. Tot zijn gedocumenteerde werken behoren L’Orgue du Palais de l’Industrie d’Amsterdam. La facture d’orgues moderne et la facture d’orgues néerlandaise ancienne et contemporaine (1876) en Causerie sur le grand orgue de la maison A. Cavaillé-Coll à Saint-Ouen de Rouen (1890).
Dat Philberts oordeel over orgelbouw reeds tijdens zijn leven gezag genoot, blijkt uit een artikel in Het Orgel uit 1893. Daarin werd hij omschreven als „een man met grooten kunstzin en van erkenden smaak”. In hetzelfde artikel werd zijn waardering aangehaald voor het Christian Müller-hoofdorgel van de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem, waarvan hij het front omschreef als „even edel als grootsch, even rijk als vol van verscheidenheid”.
Op 14 november 1860 trad Charles Philbert in Den Helder in het huwelijk met Anna Elisabeth Overtoom. Uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren (waarvan er één jong overleed), die het gezin gedurende zijn opeenvolgende diplomatieke standplaatsen in Nederland en Denemarken vergezelden.

Een uitzonderlijke bron voor Philberts persoonlijke leven vormt het bewaard gebleven dagboek van zijn oudste dochter Marie Philbert. Haar aantekeningen geven een zeldzaam inkijkje in het dagelijks leven van een negentiende-eeuws diplomatengezin en in de diplomatieke, culturele en wetenschappelijke kringen waarin de familie zich bewoog.
Zij beschreef onder meer bezoeken aan haar tante Caroline Le Filleul de La Chapelle in Parijs, bezoeken aan kasteel Kronborg en persoonlijke ontvangsten bij prinses Augusta van Hessen-Kassel, zuster van koningin Louise van Denemarken. Augusta verbleef in Villa Augusta in Helsingør, waar zij geregeld bezoekers ontving, onder wie leden van de Deense en andere Europese vorstenhuizen.
Verder beschreef Marie de eerste elektrische straatverlichting op de Boulevard des Capucines en bij de Madeleine in Parijs, de verschijning van de Grote komeet van 1882 en de feestelijke ontvangst van de Vega in Helsingør na de voltooiing van de Noordoostelijke Doorvaart.
Een van de meest bijzondere aantekeningen betreft het bezoek van de Franse schrijver Jules Verne aan de familie Philbert te Rotterdam. Marie noteerde op 10 juni 1881: „Hebben Jules Verne, den beroemden schrijver, die met zijn jacht de Saint-Michel III ook een bezoek aan Rotterdam bracht, en zijn broeder Paul Verne en een reisgenoot den heer Rosenmann, en Buziau den avond bij ons doorgebracht.”
Marie Philbert beperkte zich niet tot haar dagboek. Zij publiceerde ook verhalen, waaronder La Croix de Skotterup. Conte de Noël (Souvenir de Danemark) (1883), dat niet alleen in Parijs verscheen, maar ook via de Rotterdamse boekhandel Van Hengel & Eeltjes in Nederland werd verspreid.
In 1887 kreeg Philbert in Rotterdam bezoek van de Normandische aristocrate en schrijfster Ida d'Auxais d'Haudienville. Zij was afkomstig uit Mortain, woonde op het landgoed Mesnil-Balusson bij Lolif en publiceerde verschillende novellen en reisverhalen. Tijdens haar reis door Nederland, die zij beschreef in Promenade d’une solitaire en Hollande, deed zij Philbert in Rotterdam aan. In een bespreking van haar reis in de Revue de l’Avranchin werd het bezoek ten huize van Philbert omschreven als een « bonne et heureuse halte » („een aangename en gelukkige tussenstop”), terwijl Philbert werd aangeduid als « notre compatriote et confrère, consul général de France » („onze landgenoot en confrater, consul-generaal van Frankrijk”).
Naast zijn diplomatieke werkzaamheden speelde Charles Philbert een actieve rol in het culturele leven. In Den Helder was hij dirigent en later honorair directeur van de zangvereniging Cecilia.
De muzikale belangstelling van het gezin kwam ook tot uiting bij hun jongste dochter, Ursule Philbert. Zij was leerlinge van Pauline Viardot en Guy d'Hardelot en trad tussen 1896 en 1905 als concertzangeres op in onder meer Avranches en Rennes.
Van de kinderen vestigde alleen Adrien Joseph Marie Lionel Victor Philbert zich blijvend in Nederland. Hij zette hier de Nederlandse tak van de familie voort. Zijn zoon Adriaan Bob Philbert werd officier bij de Koninklijke Landmacht en vocht in 1940 tijdens de Duitse invasie bij de Grebbelinie. Vanwege zijn moedige en beleidvolle optreden tegenover de vijand werd hij bij Koninklijk Besluit onderscheiden met het Bronzen Kruis. De overige kinderen van Charles bleven in Frankrijk of keerden daarheen terug.

Ook na zijn diplomatieke loopbaan bleef Philbert actief op wetenschappelijk en technisch gebied. In 1889 verzorgde hij de Franse vertaling van de bijgewerkte uitgave van het standaardwerk Le Port de Rotterdam van Jan Hendrik Neiszen, over de ontwikkeling van de Haven van Rotterdam en de aanleg van de Nieuwe Waterweg. De Ingenieur berichtte hierover dat de vertaling „van de hand van den oud-consul-generaal van Frankrijk, den heer C.M. Philbert” was.
Na zijn pensionering in 1887 keerde Philbert terug naar Avranches, waar hij vicevoorzitter werd van de Société d’archéologie d’Avranches et Mortain. Hij bleef er actief op wetenschappelijk en cultureel gebied en publiceerde verschillende bijdragen in de Revue de l’Avranchin. Ook bleef hij zich bezighouden met orgelbouw, muziek en wetenschap. Zijn overlijden werd zowel in Nederland als in Frankrijk met waardering herdacht.
De betekenis van Charles Philbert voor de Nederlandse orgelwereld werd kort na zijn overlijden treffend verwoord door Jos A. Verheijen, organist van de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Zijn necrologie, gepubliceerd in Het Orgel in 1894, geldt als de belangrijkste contemporaine waardering van Philbert.
Verheijen schreef dat Philberts naam „verbonden zal blijven aan het uitnemendste” dat in Nederland op het gebied van de orgelbouw tot stand was gekomen. Hij prees zijn uitzonderlijke vakkennis en merkte op dat Philbert „van dit instrument beter op de hoogte was dan menig orgelmaker”, terwijl „zelfs een Cavaillé-Coll om raad vroeg”. Hij omschreef hem bovendien als „deze edelman met zijn streng en ontzagwekkend uiterlijk, die op ieder een diepen en blijvenden indruk maakte, was altijd en belangenloos tot raad en hulp bereid”.
De Heldersche en Nieuwedieper Courant schreef dat Philbert zich „door zijne werkzaamheid en zijne belangstelling in de plaats zijner inwoning algemeen geacht en bemind” had gemaakt. De Revue de l'Avranchin omschreef hem als « Chrétien fervent, esprit d'élite, artiste éminent, lettré et savant, cœur excellent et généreux » („een overtuigd christen, een uitzonderlijk ontwikkeld geest, een vooraanstaand kunstenaar, letterkundige en geleerde, met een edelmoedig en groot hart”).
Dat Philbert ook lang na zijn overlijden als gezaghebbend orgeldeskundige werd beschouwd, blijkt uit een verslag van het Orgelcongres van Gent (1946). Tijdens een lezing over de invloed van Aristide Cavaillé-Coll stond de correspondentie centraal tussen Cavaillé-Coll, diens Nederlandse tussenpersoon Charles Philbert en de Amsterdamse orgelbouwer Adema. Philbert werd daarbij omschreven als « le confident de la pensée du Maître » („de vertrouweling van de denkwereld van de Meester”). Aan de hand van ongeveer driehonderd brieven werd uiteengezet hoe Philbert niet alleen technische aanwijzingen gaf voor onder meer de dispositie, de Barker-hefboom, de mensuren en de windvoorziening van het orgel in de Mozes en Aäronkerk, maar vooral ook de artistieke visie van Cavaillé-Coll in Nederland wist over te brengen.
Zijn betekenis bleef ook na zijn overlijden voortleven. Zijn publicaties worden geraadpleegd door musicologen, orgelhistorici en restauratoren.
Bij de feestelijke heringebruikneming van het gerestaureerde Adema/Philbert-orgel in de Mozes en Aäronkerk op 7 oktober 1994 werd, in aanwezigheid van zijn achterkleinzonen Victor Philbert en Hemmo Philbert, opnieuw herinnerd aan zijn beslissende bijdrage aan het instrument. Daarbij waren ook Schelto Patijn, burgemeester van Amsterdam, en Han Lammers, commissaris van de Koningin in Flevoland, aanwezig. In het officiële programma werd Charles Philbert omschreven als de „geestelijk vader van het orgel”.
Daarmee bleek Verheijens verwachting dat Philberts naam „verbonden zal blijven aan het uitnemendste” op het gebied van de orgelbouw ook ruim een eeuw na zijn overlijden werkelijkheid.
Philberts voorouder Guillaume Dorange overleed in juli 1674 te Fort-Royal op Martinique als gevolg van de aanval van admiraal Michiel de Ruyter. Hierbij werd het eiland met een vloot van achtenveertig schepen en drieduizend soldaten aangevallen. Bij zijn overlijden wordt vermeld: « + F-R en juillet 1674, à la suite de l'attaque de Ruyter » (overleden te Fort-Royal in juli 1674, als gevolg van de aanval van Ruyter). Dorange werd gedood terwijl hij een kanon bediende; zijn dochter Madeleine nam tijdens het gevecht zijn plaats bij het kanon over. De aanval vond plaats tijdens de Hollandse Oorlog (1672–1678), waarin de Republiek en Frankrijk tegenover elkaar stonden. In 1674 richtte het Nederlandse offensief zich mede op de Franse bezittingen in de Antillen; De Ruyter kreeg daarbij de opdracht de Franse koloniën aan te vallen. De aanval op Fort-Royal werd afgeslagen, waarbij de Nederlandse strijdmacht aanzienlijke verliezen leed.