Chinlea

Chinlea
Status: Uitgestorven
Fossiel voorkomen: Trias
Chinlea sorenseni
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia
Stam:Chordata
Superklasse:Osteichthyes
Klasse:Sarcopterygii
Onderklasse:Coelacanthimorpha
Orde:Coelacanthiformes
Onderorde:Latimerioidei
Familie:Mawsoniidae
Geslacht
Chinlea
Schaeffer, 1967
Typesoort
Chinlea sorenseni
Chinlea
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Chinlea op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Chinlea is een geslacht van uitgestorven mawsoniide coelacanthide vissen uit het Trias, gevonden in en vernoemd naar de Chinle-formatie die in de zuidwestelijke staten Arizona en New Mexico ligt. De lengte van Chinlea was ongeveer tachtig centimeter. Chinlea had gelobde vinnen en een slanke staart. De tanden waren groot en scherp. Het woord 'Chinle' komt van een Navajo-woord dat 'uitvloeien' betekent, verwijzend naar de plek waar water uit de Canyon de Chelly stroomt. Chinlea is mogelijk ook gevonden in de Dockum Group.

Het holotype is AMNH 5652, een skelet gevonden in Little Valley.

Ontdekking en beschrijving

Chinlea werd in 1967 benoemd door Bobb Schaeffer aan de hand van het typespecimen van de typesoort Chinlea sorenseni (AMNH 5652), gevonden in het bovenste deel van de Chinleformatie, Little Valley, San Juan County (Utah). De soortaanduiding eert Walter Sorensen, een van de opgravers. Op het moment dat hij werd beschreven, werd verondersteld dat Chinlea het nauwst verwant was aan Diplurus uit de Dockum Group vanwege hun vergelijkbare basisfenoïde, lange verbeende pleurale ribben, de vorm van de bekkenplaat en ongepaarde basale plaat en de aanvullende lengte van de staartkwab. Hun lange verbeende ribben zouden mogelijk mechanisch gerelateerd zijn aan efficiënter zwemmen. Schaeffer onderscheidde Chinlea echter van Diplurus door de grotere achterste verlenging van het supratemporale; toegenomen verbening van de extrascapularia; een robuust voorste onderste uitsteeksel aan het laterale rostrale; groter en driehoekig postorbitale; langer dentarium met ingekeepte achterrand; voorwaarts versmald angulare; kleine, talrijke, dicht op elkaar staande tanden op het dentarium; grote, slagtandachtige tanden op het premaxillair dermopalatine, en mogelijk het ectopterygoïde en precoracoïde; en geen denticula op de voorranden van de rug- en staartvinnen. De eerste bekende exemplaren van Chinlea maten 32 tot 100 millimeter met een geschatte oorspronkelijke lengte van zestien tot vijftig centimeter, maar een later gevonden schedel van Chinlea sorenseni, verzameld in hetzelfde gebied, bevestigde dat sommige eerst onbepaalde resten tot Chinlea behoorden en dat die minstens twintig, mogelijk tachtig centimeter maten.

Fylogenie

Mawsoniiden hadden twee belangrijke episodes van diversificatie; Chinlea kwam voor tijdens het Trias van Noord-Amerika naast een jonger taxon in Zuid-Amerika (Parnaibaia). Chinlea en latere Mawsoniidae hebben allemaal extrascapularia die geïntegreerd zijn in het postpariëtale schild dat het neurocranium bedekt. Chinlea en Mawsonia hebben ook een even aantal extrascapularia. Vergeleken met Mawsonia en Axelrodichthys is het gespleten gedeelte van het dentarium bij Chinlea langer en staat het in een opwaartse hoek. Mawsonia en Axelrodichthys hebben ook een hoge coronoïde rand die Chinlea niet heeft. Van de soorten op het cladogram is Chinlea de enige waarvan niet bekend of hij nog in het Jura voorkwam, en Mawsonia en Axelrodichthys haalden het Jura niet eens.

Het volgende cladogram is gebaseerd op Cavin et alii (2019):

Paleomilieu en paleoecologie

Chinlea leefde waarschijnlijk in Noord- en Zuid-Amerika, dicht bij de toenmalige evenaar. In tegenstelling tot de mariene latimeriiden, waartoe het enige geslacht van de nog levende coelacanthen behoort, konden Mawsoniiden ook in zoet of brak water leven. De rivier- en meerafzettingen in de Chinle-formatie duiden op een gebied met grote watermassa's en een moessonklimaat met natte en droge seizoenen. Chinlea leefde samen met zijn waarschijnlijke prooi Ceratodus (longvissen) die holen maakte om uitdroging te voorkomen en te overzomeren, wat duidt op een droog seizoen. De overbrugging van het postorbitale bot over het intercraniale gewricht, dat kenmerkend is voor Mawsoniiden, suggereert dat ze een kleinere mondopening hadden voor zuigvoeding dan andere coelacanthen en relatief kleinere prooien moesten eten. Chinlea leefde ook samen met minstens tien soorten Osteichthyes (beenvissen), Hybodontidae (haaien), Metoposauridae ("amfibieën") en Phytosauridae (archosaurische reptielen). Terwijl er zich duidelijke veranderingen voordeden in de terrestrische en aquatische Tetrapoda, onderging de visfauna geen grote veranderingen tijdens de duur van de formatie.