| Kristina Nilsson | ||||
|---|---|---|---|---|
Nilsson in 1870 | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Ook bekend als | Kristina Törnerhjelm | |||
| Geboortedatum | 20 augustus 1843 | |||
| Geboorteplaats | Sjöabol | |||
| Overlijdensdatum | 22 november 1921 | |||
| Overlijdensplaats | Växjö | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | acteur, operazanger, componist, kunstverzamelaar, violist, zanger | |||
| Leermeester(s) | Adelaide Valerius-Leuhusen Bedrich Smetana | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera oratorium Zweedse volksmuziek | |||
| Zangstem | sopraan | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Prijzen en erkenningen | Gouden medaille van de Royal Philharmonic Society (1871) | |||
| ||||
Kristina Nilsson (ook wel Christina of Christine), gravin van Casa Miranda (Sjöabol, 20 augustus 1843 - Växjö, 20 november 1921) was een Zweedse sopraan. Ze had een briljante belcanto-techniek, en werd beschouwd als een rivale voor de beroemdste diva van het victoriaanse tijdperk, Adelina Patti. In 1869 voegde ze zich bij Koninklijke Zweedse Muziekacademie. Tot haar belangrijkste operarollen behoorden Ophelia (in Hamlet), Marguerite (in Faust) en Mignon (in Mignon).
Ze werd geboren als Kristina Jonasdotter in het dorpje Sjöabol, vlak bij Växjö, Småland, als het zevende kind van de boer Jonas Nilsson en zijn vrouw Stina Cajsa Månsdotter.
Het ging financieel niet goed met de familie en haar ouders moesten de boerderij verkopen aan de graven Hamilton. In 1848 moest het gezin zelfs verhuizen, omdat ze niet meer aan hun verplichtingen konden voldoen. Kristina zou eind jaren 1860 de boerderij terugkopen, zodat haar ouders hier hun laatste levensjaren konden doorbrengen.
Vanaf haar vroegste jaren gaf Kristina blijk van een vocaal talent. Ze leerde zichzelf viool en fluit spelen, en zong samen met haar broer op de braderieën in Zweden. Op haar veertiende werd ze ontdekt door Fredrik Tornérhjelm op de markt van Ljungby en hij zorgde ervoor dat ze muziekonderricht kreeg in Halmstad bij Adelaide Valerius-Leuhusen. Hierna kreeg ze in Göteborg pianoles van de componist Bedrich Smetana en op haar zestiende muziekles in Stockholm bij Franz Adolf Berwald.
In 1860 gaf ze concerten in Stockholm en Uppsala en vertrok ze voor studie naar Parijs. Daar kreeg ze les van Pierre François Wartel, Jean-Jacques Masset en Enrico Delle Sedie.
Op 27 oktober 1864 had Nilsson als 21-jarige haar debuut bij het Théâtre Lyrique te Parijs in de opera La traviata van Giuseppe Verdi, waarin ze de rol van Violetta vertolkte. Haar optreden was een groot succes. In februari 1865 zong ze in Parijs de rol van Koningin van de Nacht in Mozarts Die Zauberflöte.
Kort na haar aantreden bij het Théâtre Lyrique maakte Nilsson kennis met Auguste Rouzaud, afkomstig uit een familie van bankiers. Zijn familie was niet erg positief over deze relatie. Daardoor besloot Nilsson om hen enigszins tegemoet te komen: zo zou ze compromitterende rollen zo veel mogelijk weigeren. Vanaf 1867 beperkte ze zelfs de hoeveel optredens in Parijs en was ze tijdens de zomermaanden werkzaam in het verre Londen. Daar trad ze in 1867 als Violetta op in La traviata, uitgevoerd in Her Majesty's Theatre, waar ze tevens te horen was in Gounods Faust in de rol van Marguerite.
Nilsson bleef tot 1867 verbonden aan het Théâtre Lyrique. Het theater werd in deze jaren geleid door Léon Carvalho, terwijl zijn echtgenote Caroline Carvalho als prima donna aan het theater was verbonden. Contractueel zou Nilsson in 1867 nog meewerken aan George Bizets La jolie fille de Perth, maar ze vertrok in november naar de Opéra, geleid door Émile Perrin.
Bij de Opéra was Nilsson in maart 1868 te horen als Ophelia in de première van Ambroise Thomas' Hamlet. Deze rol zou haar gedurende haar hele carrière blijven volgen.
Het Théâtre Lyrique kwam in 1868 in de problemen doordat Léon Carvalho het financieel niet langer kon bolwerken. Hij ging failliet en verloor zijn directiefunctie. Caroline Carvalho moest daarom eind dat jaar noodgedwongen aan de slag bij de Opéra, waar ze dus een collega werd van Nilsson. Dit zorgde in het begin voor problemen, want Nilsson was door directeur Perrin aangewezen om begin 1869 de hoofdrol van Marguerite te zingen in Gounods Faust. Nilsson had hier echter moeite mee en schreef hem in een brief - met een afschrift naar de krant Le Figaro - dat ze van de rol wilde afzien: ze vond het beter als Carvalho de rol zou zingen, aangezien deze rol ooit speciaal voor haar was geschreven en dus nauw met haar was verbonden. Perrin weigerde echter hierin mee te gaan, zodat Nilsson op 3 maart 1869 alsnog op het podium stond als Marguerite. De pers schreef gemengde kritieken over haar optreden.
In mei 1868 én mei 1869 was Nilsson in Londen om op te treden in Covent Garden met de titelrol in Lucia di Lammermoor van Gaetano Donizetti. Verder zong ze weer de rol van Ophelia in Hamlet. Intussen was Carvalho nog steeds in Parijs en had zij geruisloos de rol in Faust van Nilsson overgenomen.
In 1870 was Nilsson op meerdere locaties werkzaam. Ze zong in de Parijse opera een benefiet voor zichzelf met het oratorium The Legend of St Cecilia van Julius Benedict. In het Londense Drury Lane zong ze Mignon van Ambroise Thomas en uiteindelijk maakte ze vanaf september een tournee door de Verenigde Staten en Canada. In New York werkte ze in 1871 mee aan een uitvoering van Mignon.
Nilsson bleef jarenlang actief in Londen. Bij Drury Lane zong ze in opera's van Mozart, Meyerbeer, Wagner en Verdi. In 1874 deed ze mee aan de première van The Talisman, een posthume uitvoering van Michael William Balfes opera. In 1880 verzorgde ze de eerste uitvoering van Mefistofele van Arrigo Boito.

Ondanks de bedenkingen die de familie van Auguste Rouzaud had over de relatie, traden Nilsson en Rouzaud met elkaar in het huwelijk. Dit huwelijk vond plaats op 27 juli 1872 in de Westminster Abbey te Londen.
Naast haar werkzaamheden in Londen was Nilsson in de jaren 1872-1875 met regelmaat te vinden in Sint-Petersburg en Moskou. In 1875 volgde haar Brusselse debuut in de Muntschouwburg en in 1877 was ze actief in Wenen. Een jaar later verscheen ze in het hoftheater te München.
In haar geboorteland Zweden was ze pas in 1876 voor het eerst te horen: ze trad in augustus op in Stockholm, gevolgd door optredens in Uppsala, Oslo, Göteborg, Växjö, Malmö en Kopenhagen.
Nilsson deed in de tussentijd enkele pogingen om terug te keren naar Parijs. In 1875 regelde ze met Olivier Halanzier, de nieuwe directeur van de Opéra, dat ze Ophelia en Marguerite kon zingen bij de opening van het Palais Garnier.
In februari 1882 overleed haar echtgenoot Rouzaud na een ziekbed.
In 1883 was Nilsson opnieuw in New York voor de opening van het Metropolitan Opera House. Hier vertolkte ze weer de rol van Marguerite uit Faust. Eind dat jaar zong ze de titelrol in Ponchielli's La Gioconda en trad ze op voor president Chester Arthur.
In juni 1884 kwam er een einde aan de tournee.

In augustus 1885 ondernam Nilsson opnieuw een tournee door Scandinavië. Dit verliep echter anders dan ze had verwacht. Op 23 september zong ze in Stockholm een enorme menigte toe vanaf het balkon van het Grand Hotel, maar dit liep uit op een drama: het enthousiaste publiek gaf haar eerst een lang applaus, maar toen iedereen wilde vertrekken brak er paniek uit in de grote mensenmassa en enkele toehoorders kwamen hierbij om het leven. Nilsson maakte haar tournee nog wel af, maar de ingrijpende gebeurtenis in Stockholm deed haar besluiten om met pensioen te gaan.
Nilsson hertrouwde in 1887 te Parijs met de Spanjaard Don Angel Roman-Maria Vallejo y Miranda, ofwel de graaf de Casa Miranda. Samen reisden ze door Europa en verbleven ze in hun huizen in Parijs, Menton en Spanje.
In 1888 gaf Nilsson nog twee afscheidsconcerten in de Royal Albert Hall te London.
Graaf de Casa Miranda overleed in 1902. Nilsson besloot nu om haar band met Zweden te versterken en zij kocht in 1906 de Villa Vik in de nabijheid van Växjö. Ze maakte nog steeds reizen naar Zuid-Europa, maar was ook met regelmaat in Stockholm te vinden, waar ze onder andere de opera bezocht. Rond 1920 vestigde ze zich definitief in de Villa Vik, omdat ze wilde voorkomen dat ze onverhoopt in Spanje werd begraven.
Nilsson bracht haar laatste dagen door in een hotel in Växjö en overleed op 22 november 1921. De begrafenisstoet ging van de domkerk te Växjö naar de Villa Vik. Haar stoffelijk overschot bleef nog even daar, in afwachting van de voltooiing van haar grafmonument op de begraafplaats Tegnérkyrkogård te Växjö.
Nilsson's stem werd omschreven als puur en flexibel, met een ruim bereik van 2,5 octaaf. Ze werd beroemd door haar interpretaties van de rollen van Ophelia, Marguerite en Mignon.
De muziekcritici in Parijs en Londen waren al vanaf het begin van Nilssons carrière te spreken over haar optredens. Haar lange verschijning en blauwe ogen maakten indruk en men beschouwde haar Scandinavische afkomst zelfs als een frisse wind op de veelal door Italiaanse zangeressen bevolkte operapodia. Haar noordse achtergrond speelde bij de pers een belangrijke rol, waarbij haar prerafaëlitische verschijning werd gezien als een ideaalbeeld van noordelijke vrouwelijkheid. Ze zou een nederig maar open karakter hebben, en de onschuld en puurheid klonken volgens de critici door in haar muziek en persoonlijkheid. Dit beeld werd versterkt door haar regelmatige vertolkingen van Zweedse volksliedjes.
Volgens operadirecteur Léon Carvalho had Nilsson een goed inzicht in de operawereld. Ze kon op een respectvolle maar zeer duidelijke manier bij de directeuren aangeven wat ze wilde, waarbij haar goede kennis van het Frans en de gewenste omgangsvormen goed hielpen.
De rivaliteit die tussen haar en Caroline Carvalho zou bestaan, leek in de praktijk mee te vallen. In de periode dat Nilsson werkneemster was van de Carvalho's in het Théâtre Lyrique, kreeg zij alle kansen om zich te ontwikkelen als zangeres. De contacten tussen de twee zangeressen was voornamelijk professioneel en ze gaven elkaar de ruimte. De vermeende rivaliteit werd voornamelijk door de pers gesuggereerd.
Nilsson verdiende bij de Parijse Opéra 5000 frank per maand voor acht tot tien opvoeringen. In Londen kon ze echter veel beter verdienen: daar haalde ze per optreden 5000 frank op. Haar Russische tournee in 1872/1873 stond zelfs garant voor 7000 frank per optreden.
In 1870 vertrok Nilsson voor een tournee naar de Verenigde staten en in twee seizoenen verdiende ze daar maar liefst 1,35 miljoen frank.
Naast haar optredens als zangeres heeft Nilsson ook enkele publicaties verzorgd. Zo verscheen in 1894 haar handboek Om röstens utbildning. Några råd till unga sångerskor. Verder schreef ze enkele composities, waarvan Jag hade en vän en Ofelias klagan de bekendste zijn: twee romantische liederen voor zang en piano, op teksten van Nilsson zelf.
De Zweedse componist Franz Berwald schreef voor haar de opera Drottningen av Golconda, maar deze werd pas uitgevoerd na Nilssons overlijden.
Er zijn vele gelijkenissen tussen Nilsson en Christine Daaé in Gaston Leroux' roman Het spook van de opera, en velen menen dat Leroux het personage baseerde op de operazangeres, hoewel hier geen bewijs voor is.
De Nederlandse artiest Anton Pieck heeft een illustratie gemaakt van een scène op de hoek van een straat, waarschijnlijk in Londen omstreeks 1890, waarin een sandwich-man adverteert voor een voorstelling van Donizetti's Lucia di Lammermoor in de opera, met Christine Nilsson. Op de hoek, bij het uithangbord van de Old Queen's Head Inn, staat een man die duveltjes-uit-doosjes verkoopt, en in het midden een man op een fiets.
Edith Whartons roman The Age of Innocence (1920) opent met een beschrijving van een voorstelling van Gounods Faust aan de Academy of Music in New York aan het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw, waarin Nilsson de rol van Marguerite zingt. Het is mogelijk dat Wharton voorstellingen aan de Metropolitan Opera heeft bezocht in de jaren tachtig (in de jaren zeventig was ze nog een kind). Nilsson wordt ook in latere delen van de roman genoemd.
Ook wordt ze kort genoemd in Leo Tolstojs roman Anna Karenina.