| Marie Caroline Miolan-Carvalho | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Marie Caroline Félix-Miolan (geboortenaam) | |||
| Ook bekend als | Caroline Cavalho Marie Caroline Carvalho | |||
| Geboortedatum | 31 december 1827 | |||
| Geboorteplaats | Marseille | |||
| Overlijdensdatum | 10 juli 1895 | |||
| Overlijdensplaats | Puys | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazangeres zanglerares | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera | |||
| Zangstem | sopraan | |||
| ||||
Marie Caroline Miolan-Carvalho (Marseille, 31 december 1827 - Puys, 10 juli 1895), geboren als Marie Caroline Félix-Miolan, was een Franse sopraan. Van 1849 tot 1885 had zij een vooraanstaande positie binnen het Parijse muziekleven en was zij een toonaangevende operazangeres.
Haar eerste muziekopleiding kreeg ze van haar vader, de hoboïst François Félix-Miolan. Van 1843 tot 1849 studeerde zij aan het conservatorium van Parijs, waar zij les kreeg van de tenor Gilbert Duprez. Ze won in 1847 op het conservatorium een premier prix voor haar zang.
In het seizoen 1848-1849 toerde Caroline samen met Duprez door Frankrijk heen om voorstellingen te geven in de grote steden. Op 14 december 1849 trad ze op in de Parijse opera tijdens een benefietconcert voor Duprez, waarbij ze delen uit Lucia di Lammermoor (van Gaetano Donizetti) en La Juive (van Fromental Halévy) zong. Dit optreden was duidelijk bedoeld om haar te presenteren aan het Parijse publiek, en met succes: het leverde Caroline al direct in 1850 een aanstelling op bij de Opéra-Comique.
Al meteen in haar eerste jaar bij de Opéra-Comique kreeg Caroline als eerste zangeres vijf hoofdrollen toebedeeld. Zo zong ze in L'Ambassadrice van Daniel Auber en Argentine in L'Eau merveilleuse van Albert Grisar. Ze vertolkte als eerste de hoofdrol in de nieuwe opera Giralda van Adolphe Adam, hetgeen haar veel positieve recensies opleverde in de Parijse media. Componist Ambroise Thomas schreef La cour de Célimène met haar stem als uitgangspunt.
In 1853 huwde ze Léon Carvalho. Vanaf dat moment liet ze haar eigen achternaam vallen en gebruikte ze die van haar echtgenoot.
Van 1856 tot 1867 was Caroline werkzaam als prima donna bij het Théâtre Lyrique, waar haar echtgenoot directeur was geworden. In haar eerste jaar zong ze slechts twee rollen, maar beide waren speciaal voor haar geschreven: La Fanchonnette van Louis Clapisson en La Reine Topaze van Victor Massé. De uitvoeringen waren zeer succesvol.
Verder maakte zij furore met vertolkingen in opera's van Charles Gounod, waaronder de rol van Marguerite in Faust (1859) en Baucis in Philémon et Baucis (1860). Ook was zij de eerste zangeres die het Avé Maria van Gounod ten gehore bracht.
Intussen was haar echtgenoot Léon in financiële problemen gekomen en in 1868 ging hij failliet. Het Théâtre Lyrique sloot zijn deuren en Caroline had geen werk meer.
Vanwege het faillissement van haar echtgenoot ging Caroline nu aan de slag bij de Parijse Opéra. Daar had de jonge Zweedse sopraan Christine Nilsson - die van 1864 tot 1867 naast Caroline bij het Théâtre Lyrique had gezongen - net een aanstelling gekregen. Christine zou bij de Opéra de rol van Marguerite uit Faust zingen, maar zij gaf te kennen de rol af te willen staan aan Caroline: deze rol was immers ooit geschreven voor Caroline en was dan ook nauw met haar verbonden. Operadirecteur Perrin ging hier echter niet mee akkoord en Christine stond dus op 3 maart 1869 op het podium als Marguerite, wat haar in de pers gemengde kritieken opleverde. Toen Christine in mei voor verplichtingen naar Londen moest, nam Caroline alsnog de rol over.
Intussen zat het echtpaar Carvalho nog diep in de schulden. In Carolines nieuwe contract van september 1869 nam operadirecteur Perrin de schulden van het echtpaar over. Hij schold vervolgens de helft van de schuld weg, maar de andere helft moest worden afbetaald met het salaris dat Caroline bij hem zou verdienen. Hierdoor zou ze noodgedwongen nog 2,5 jaar verbonden blijven aan de Opéra.
In september 1871 kon Caroline weer in dienst komen bij de Opéra-Comique.
Carolines carrière speelde zich voornamelijk af in Parijs. Toch was ze ook wel te vinden in andere landen. Haar Londense debuut vond plaats in 1859 toen ze in Covent Garden als vervangster optrad in Dinorah van Giacomo Meyerbeer. Ze had hiermee veel succes en zou nog jaarlijks terugkeren naar Londen tot aan 1864 en dan opnieuw in de jaren 1871-1872. Verder toerde Caroline onder andere naar Berlijn, Brussel en Sint-Petersburg.

Op 9 juni 1885 nam Caroline in de Opéra-Comique afscheid van het publiek met haar vertolking van Marguerite in Faust. Ze richtte zich hierna op het geven van zangles, onder andere aan Maria Delna.
In 1887 werkte Caroline mee aan een benefietconcert, gehouden voor de slachtoffers van de brand in de Operá-Comique.
Ze overleed op 10 juli 1895 in het plaatsje Puys, in de buurt van Dieppe. Tijdens de uitvaartdienst bespeelde Camille Saint-Saëns het orgel; onder de vele aanwezigen waren onder andere componist Jules Massenet en schrijver Alexandre Dumas. Ze werd begraven op Père-Lachaise in Parijs.
Caroline Carvalho volgde de moderne, stevige zangstijl die ze had geleerd van haar docent Duprez. Door de Parijse pers werd haar stijl vergeleken met de explosieve muziek van Paganini en Franz Liszt, maar ook met de behendige pianomuziek van Chopin.
Tegelijk kon ze ook overweg met oudere zangstijlen. Carvalho's gewaardeerde interpretatie van Mozarts operamuziek kwam goed naar voren in haar rollen als Zerlina (uit Don Giovanni), Pamina (uit Die Zauberflöte) en Cherubino (uit Le nozze di Figaro). Ze stond ook bekend om haar coloraturen, die in nieuwe opera's vaak speciaal voor haar waren geschreven. Bij het publiek waren deze coloraturen geliefd, bij de muziekcritici overigens minder.
De carrière van Caroline bleef in feite beperkt tot de operawereld van Parijs. Op enkele uitstapjes na - zoals Londen en Berlijn - trad ze voornamelijk op in de Franse hoofdstad. Haar banden met Parijs waren immers sterk: ze was de echtgenote van de invloedrijke Parijse operadirecteur Léon Carvalho, ze fungeerde lange tijd ook als officieuze directrice van zijn Théâtre Lyrique, en hun zoon groeide op in deze stad.
Tussen Caroline en de Belgische sopraan Marie Cabel bestond kennelijk enige rivaliteit. Marie Cabel zong in 1849 bij de Opéra-Comique, was enkele jaren in Brussel, en werkte van 1853 tot 1856 opnieuw in Parijs, maar nu bij het Théâtre Lyrique. In 1856 wisselden de twee zangeressen elkaar af: Marie Cabel vertrok naar de Opéra-Comique, Caroline Carvalho naar het Théâtre Lyrique. De twee theaters waren elkaars concurrenten en Carolines aanstelling in 1856 gaf het Théâtre Lyrique een vooraanstaande positie binnen de Parijse muziekwereld.
Ook zou er sprake zijn geweest van rivaliteit tussen Caroline en Christine Nilsson. Dit leek in de praktijk echter wel mee te vallen. In de periode dat Nilsson werkneemster was van de Carvalho's in het Théâtre Lyrique, kreeg zij alle kansen om zich te ontwikkelen als zangeres. De contacten tussen de twee zangeressen was voornamelijk professioneel en ze gaven elkaar de ruimte.