| Gilbert Duprez | ||||
|---|---|---|---|---|
Duprez in 1874 | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortedatum | 6 december 1806 | |||
| Geboorteplaats | Parijs | |||
| Overlijdensdatum | 23 september 1896 | |||
| Overlijdensplaats | Parijs | |||
| Handtekening | ||||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazanger muziekdocent componist | |||
| Leermeester(s) | Alexandre-Étienne Choron | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera | |||
| Zangstem | tenor | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Prijzen en erkenningen | Ridder in het Legioen van Eer (1865), officier d'académie | |||
| ||||
Gilbert-Louis Duprez (Parijs, 6 december 1806 - aldaar, 23 september 1896) was een Franse tenor en componist. Hij had een glanzende operacarrière in Italië en Parijs en gaf les aan het Parijse conservatorium. Verder schreef hij diverse opera's en publiceerde enkele boekwerken. Zijn dochter Caroline zou eveneens carrière maken als operazangeres.
Duprez studeerde bij Alexandre-Étienne Choron. In 1825 vond zijn debuut plaats met een rol in de opera Il barbiere di Siviglia van Gioachino Rossini, opgevoerd in het Parijse Odéon. Een jaar later volgde in Versailles de première van zijn eigen opera La cabane du pêcheur. Beide waren geen onverdeeld succes.
In 1827 trad Duprez in het huwelijk met de sopraan Alexandrine Duperron. Zij had dat jaar haar eerste optreden in het Odéon.
Nadat het Odéon in 1828 dicht ging, vervolgde Duprez zijn opleiding in Italië. In 1831 trad hij in Turijn op in Il pirata van Bellini. Hij was in deze periode in dienst van impresario Allessandro Lanari en zijn succes als zanger groeide met de dag. In Lucca zong hij in 1831 de rol van Arnold in Guillaume Tell van Rossini en nog datzelfde jaar werd hij in Florence gevierd om zijn vertolking van Percy in Anna Bolena van Gaetano Donizetti. Hierna verscheen hij in andere opera's van Donizetti, zoals Parisina (1833), Rosmonda d’Inghilterra (1834) en Lucia di Lammermoor (Napels, 1835). Duprez had met de componist een vriendschap opgebouwd en heeft hem zelfs geadviseerd over de laatste scène in Lucia di Lammermoor.
Tijdens zijn periode in Italië trad hij regelmatig op met zijn echtgenote Duperron, waaronder in Il Pirata in 1831. Zij ging echter reeds in 1837 met pensioen. Het stel kreeg in 1832 te Florence een dochter Caroline, die later succes zou oogsten als operazangeres. Duprez zou nog regelmatig samen met zijn dochter optreden.
In 1837 volgde Duprez' eerste optreden in de Opéra van Parijs, met de opera Guillaume Tell. Het werd een doorslaand succes en het publiek wilde deze opera alleen nog maar horen als Duprez er in mee deed. Zijn hoge C in deze opera baarde opzien bij het publiek, maar componist Rossini vond Duprez' hoge C niet om aan te horen.
Duprez bleef tot 1847 de belangrijkste zanger van de Opéra. Hij zong hier in vele opera's van componisten als Hector Berlioz (Benvenuto Cellini, 1838), Giuseppe Verdi (Jérusalem, 1847) en Jacques Fromental Halévy (La reine de Chypre, 1841). Tussendoor maakte hij uitstapjes naar Londen (1844-1845) en Duitsland (1850).
Van 1842 tot 1850 gaf Duprez les aan het Parijse conservatorium. Hier had hij leerlingen als Caroline Carvalho en Emma Albani. In 1853 stichtte hij zijn eigen Ecole Spéciale de Chant.
Zijn dochter Caroline had haar zangdebuut in 1850 te Reims, waar zij de rol van Ines vertolkte in Donizetti's opera La Favorite. Ze zong hierin samen met haar vader. Op 19 november 1851 vond in Brussel de uitvoering plaats van Duprez' opera Abîme de la Maladetta, geschreven op een tekst van zijn broer Edouard, met Caroline in de hoofdrol van Joanita. De opera werd in aangepaste vorm en met de nieuwe titel Joanita opnieuw opgevoerd in Parijs op 11 maart 1852. Ook nu was Caroline weer als Joanita te horen.
Duprez' echtgenote Alexandrine Duperron overleed in 1872, hun dochter Caroline drie jaar later.
Duprez zelf overleed in 1896. Hij werd begraven op de begraafplaats van Montmartre.
In zijn beginjaren had Duprez een goede, maar nog vrij kleine stem. Met de jaren groeide zijn stem uit tot een krachtige tenore di forza, alhoewel hij in de lagere regionen beperkt zou blijven. Het Franse publiek ervoer hem als een romantische tenor met een goede canto spianato en uitspraak. Minder lof was er voor zijn overdreven acteerwerk.
Al vrij snel in zijn carrière ging de kwaliteit van zijn stem achteruit. Duprez was technisch gezien weinig zuinig op zijn stem; bovendien gaf hij in de jaren 30 in Italië bijzonder veel voorstellingen - hij stond zes keer per week op het podium - en dat deed zijn stem geen goed. Berlioz bemerkte dan ook dat Duprez' op zich goede uitvoering in 1838 in Benvenuto Cellini ook wel wat ruwe kanten kende. Berlioz zou Duprez ook als inspiratie gebruiken voor zijn opera Les soirées de l’orchestre, waarin een tenor carrière maakt maar ook weer ten val komt.
Naast zijn zangcarrière schreef Duprez diverse opera's. Verder publiceerde hij enkele boeken: L’art du chant (1845), Souvenirs d’un chanteur (1880) en Récréations de mon grand âge (1888).
Hieronder volgt een selectie van de composities van Duprez: