| Clayton Christensen | ||
|---|---|---|
Christensen tijdens het World Economic Forum in Davos (2013) | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Volledige naam | Clayton Magleby Christensen | |
| Geboortedatum | 6 april 1952 | |
| Geboorteplaats | Salt Lake City | |
| Overlijdensdatum | 23 januari 2020 | |
| Overlijdensplaats | Boston | |
| Nationaliteit | Amerikaans | |
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Brigham Young-universiteit, Harvard Business School, Harvard-universiteit, West High School, The Queen’s College | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | Bedrijfskunde, strategie en innovatie | |
| Universiteit | Harvard Business School | |
| Bekend van | Theorie van disruptieve innovatie | |
| Links | ||
| Website | ||
Clayton Magleby Christensen (Salt Lake City, 6 april 1952 – Boston, 23 januari 2020) was een Amerikaans bedrijfskundige, hoogleraar aan de Harvard Business School, auteur en ondernemer. Hij ontwikkelde de theorie van disruptieve innovatie en werd bekend met zijn boek The Innovator's Dilemma (1997). Daarin onderzocht hij waarom goed geleide ondernemingen hun marktpositie konden verliezen aan nieuwe aanbieders. Zijn latere werk behandelde onder meer innovatie in onderwijs en gezondheidszorg, economische ontwikkeling en persoonlijke levenskeuzes.
Christensen werd geboren in Salt Lake City, in de Amerikaanse staat Utah. Hij studeerde economie aan Brigham Young University en behaalde daar in 1975 zijn bachelordiploma met de hoogste onderscheiding. Tijdens zijn studie verrichtte hij twee jaar zendingswerk in Zuid-Korea. Met een Rhodesbeurs studeerde hij vervolgens aan de Universiteit van Oxford, waar hij in 1977 een MPhil in toegepaste econometrie behaalde. In 1979 volgde een MBA aan Harvard Business School.
Na zijn opleiding werkte hij als consultant en projectmanager bij Boston Consulting Group. In 1982 werd hij benoemd tot White House Fellow. Hij werkte onder de regering van Ronald Reagan als assistent van de Amerikaanse ministers van Transport Drew Lewis en Elizabeth Dole. In 1984 richtte hij met wetenschappers van het Massachusetts Institute of Technology Ceramics Process Systems Corporation op, later CPS Technologies genoemd. Het bedrijf ontwikkelde toepassingen van geavanceerde materialen. In een interview uit 2013 vertelde Christensen dat zijn ervaringen als consultant en ondernemer zijn onderzoeksvragen over innovatie hadden gevormd.
Christensen keerde terug naar Harvard en behaalde in 1992 een Doctor of Business Administration. In hetzelfde jaar trad hij toe tot de faculteit van Harvard Business School. In 1998 kreeg hij een vaste aanstelling en in 2001 werd hij benoemd tot Kim B. Clark Professor of Business Administration. Hij ontwikkelde het keuzevak Building and Sustaining a Successful Enterprise, waarin hij strategie, innovatie en management behandelde. Tussen 2001 en 2018 volgden 7.648 studenten dit vak.
Ook tijdens zijn academische loopbaan bleef hij betrokken bij ondernemingen. In 2000 richtte hij met Mark Johnson het adviesbureau Innosight op, dat zijn ideeën toepaste op groeistrategieën en innovatie. In 2007 was hij betrokken bij de oprichting van Rose Park Advisors, een investeringsmaatschappij gericht op ondernemingen met disruptieve bedrijfsmodellen.
Christensens onderzoek naar de diskdrive-industrie vormde de basis voor zijn theorie van disruptieve innovatie. Hij onderzocht hoe gevestigde bedrijven hun positie verloren aan nieuwkomers, hoewel zij hun bestaande klanten bedienden en in productverbetering investeerden. Met Joseph L. Bower publiceerde hij in 1995 het artikel Disruptive Technologies: Catching the Wave. In The Innovator's Dilemma uit 1997 werkte hij deze gedachte verder uit. Het boek verscheen ook in het Nederlands, onder de titel Het innovatiedilemma.
Volgens de theorie konden gevestigde ondernemingen kwetsbaar worden doordat zij zich richtten op hun winstgevendste klanten. Nieuwe aanbieders begonnen met eenvoudiger of goedkopere producten voor klanten die de marktleiders minder aantrekkelijk vonden. Door hun aanbod te verbeteren konden zij vervolgens ook de klanten van gevestigde ondernemingen bereiken. Christensen onderscheidde zulke disruptieve innovatie van sustaining innovation: verbeteringen die aansloten bij de behoeften van bestaande klanten. Een technologisch ingrijpende vernieuwing was volgens dit onderscheid niet noodzakelijk disruptief.
Christensen onderscheidde twee vormen: innovatie aan de onderkant van een bestaande markt en innovatie die een nieuwe markt opende voor mensen die het bestaande aanbod niet gebruikten. Hij waarschuwde tegen het gebruik van het begrip disruptie voor iedere ingrijpende marktverandering.
Met Michael Raynor werkte Christensen de theorie verder uit in The Innovator's Solution (2003). De nadruk lag daarin op de vraag hoe ondernemingen nieuwe groeimogelijkheden konden ontwikkelen.
Christensen paste zijn ideeën ook toe op onderwijs en gezondheidszorg. Met Michael B. Horn en Curtis W. Johnson schreef hij Disrupting Class (2008), over digitale technologie en leerlinggericht onderwijs. In The Innovator's Prescription (2009), met Jerome H. Grossman en Jason Hwang, onderzocht hij veranderingen in de organisatie van de zorg die behandelingen toegankelijker en betaalbaarder moesten maken. The Innovative University (2011), geschreven met Henry J. Eyring, behandelde de ontwikkeling van het hoger onderwijs.
Daarnaast werkte hij met anderen aan de jobs to be done-benadering van consumentengedrag. Deze benadering stelde de omstandigheden en doelen van een aankoop centraal: klanten kozen een product of dienst om in een bepaalde situatie vooruitgang te boeken. Daarbij speelden naast praktische behoeften ook sociale en emotionele motieven een rol. Deze benadering stond centraal in Competing Against Luck (2016).
In The Prosperity Paradox (2019), geschreven met Efosa Ojomo en Karen Dillon, richtte hij zich op economische ontwikkeling. De auteurs betoogden dat marktcreërende innovatie, waarmee producten en diensten bereikbaar werden voor mensen die ze eerder niet konden betalen of gebruiken, kon bijdragen aan het verminderen van armoede.
Naast zijn werk over ondernemingen schreef Christensen over loopbaan, relaties en zingeving. Een toespraak voor afstuderende Harvardstudenten in 2010 vormde de aanleiding voor How Will You Measure Your Life? (2012), geschreven met James Allworth en Karen Dillon. Daarin werden inzichten uit management en strategie toegepast op persoonlijke keuzes.
In 2007 richtten Christensen, Michael B. Horn en Jason Hwang het Innosight Institute op, later het Clayton Christensen Institute for Disruptive Innovation genoemd. Deze non-profitdenktank werd opgericht om hun theorieën toe te passen op maatschappelijke vraagstukken. Het instituut zette na Christensens overlijden het onderzoek naar onderwijs, gezondheidszorg en economische ontwikkeling voort.
The Innovator's Dilemma werd een bestseller en kreeg de Global Business Book Award voor het beste zakelijke boek van 1997. Zijn ideeën kregen aandacht van ondernemers en bestuurders, onder wie Andy Grove, Steve Jobs en Jeff Bezos. Christensen stond in 2011 en 2013 bovenaan de Thinkers50-ranglijst van managementdenkers.
De empirische onderbouwing en de toepasbaarheid van zijn theorie waren onderwerp van discussie. Andrew A. King en Baljir Baatartogtokh raadpleegden in 2015 deskundigen over 77 voorbeelden uit twee van Christensens boeken. Veel voorbeelden kwamen volgens hen niet nauw overeen met de vier onderzochte elementen van de theorie. Zij concludeerden dat de theorie mogelijk op minder situaties van toepassing was dan vaak werd aangenomen. In een studie uit 2020 beschreef bedrijfshistoricus Tom Nicholas zowel de invloed als de beperkingen van Christensens historische casestudies. Hij wees ook op Christensens belangstelling voor gevallen die aanleiding gaven om de theorie bij te stellen.
In 2020 stelde Harvard Business Review de Clayton M. Christensen Prize in voor artikelen over innovatie. De eerste ontvanger was Gary Pisano.
Christensen was lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. In een interview met Managementboek bracht hij zijn opvattingen over leiderschap en onderwijs in verband met zijn geloof en zijn ervaringen binnen de kerk. Hij was getrouwd met Christine en had vijf kinderen.
In zijn laatste levensjaren had hij verschillende gezondheidsproblemen, waaronder een lymfoom en een beroerte. Hij overleed op 23 januari 2020 op 67-jarige leeftijd aan complicaties van de behandeling van leukemie.
Een selectie van zijn boeken, met mede-auteurs:
| Jaar | Titel | Mede-auteur(s) |
|---|---|---|
| 1997 | The Innovator's Dilemma | |
| 2003 | The Innovator's Solution | Michael E. Raynor |
| 2004 | Seeing What's Next | Scott D. Anthony en Erik A. Roth |
| 2008 | Disrupting Class | Michael B. Horn en Curtis W. Johnson |
| 2009 | The Innovator's Prescription | Jerome H. Grossman en Jason Hwang |
| 2011 | The Innovator's DNA | Jeff Dyer en Hal Gregersen |
| 2011 | The Innovative University | Henry J. Eyring |
| 2012 | How Will You Measure Your Life? | James Allworth en Karen Dillon |
| 2016 | Competing Against Luck | Taddy Hall, Karen Dillon en David S. Duncan |
| 2019 | The Prosperity Paradox | Efosa Ojomo en Karen Dillon |