Gouden breeksteeltje

Gouden breeksteeltje
Gouden breeksteeltje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Bolbitiaceae
Geslacht:Conocybe
Soort
Conocybe aurea
(Jul. Schäff.) Hongo (1963)
Synoniemen

Galera aurea
Conocybe tenera var. aurea
Conocybe tenera f. aurea

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het gouden breeksteeltje (Conocybe aurea) is een schimmel uit de familie Bolbitiaceae. De soort leeft saprotroof op voedsel- en humusrijke grond en wordt onder meer gevonden in tuinen, parken, gazons en op compost.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed kan een diameter van ongeveer 5 cm bereiken. Onder vochtige omstandigheden is hij opvallend goudgeel tot oranjegeel. Bij uitdroging verbleekt de kleur sterk. De hoed is hygrofaan en kan aan de rand gestreept zijn.

Lamellen

De lamellen zijn aangehecht en aanvankelijk bleek tot crèmeachtig. Bij rijping worden ze door de sporen oker- tot kaneelbruin. Bij een beschreven collectie waren de lamellen matig dicht opeenstaand en licht okerkleurig.

Steel

De steel is slank, fijn gestreept en berijpt en kan aan de basis enigszins verdikt zijn. De kleur is aanvankelijk bleek, maar kan vooral naar de basis toe geelbruin tot roodbruin worden.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn glad, dikwandig en ellipsoïde en hebben een duidelijke centrale kiempore. Reul en Gubitz maten bij een collectie 10–12,5 × 6–7,5 µm. De sporen waren goudbruin en kleurden in KOH donkerbruin. Andere beschrijvingen geven ongeveer 10–13 × 5–7,5 µm.

De basidia zijn doorgaans viersporig. De cheilocystiden zijn talrijk en lecythiform: buikig tot flesvormig met een afgerond kopje. Bij de collectie van Reul en Gubitz waren ze tot ongeveer 14 µm breed en hadden de kopjes een diameter van 4–5 µm.

De hoedhuid is hymeniform en bestaat uit afgeronde tot gesteelde cellen. Er kunnen lecythiforme pileocystiden tussen aanwezig zijn.

De berijping van de steel wordt gevormd door caulocystiden. Deze komen over de gehele steel voor en kunnen macroscopisch onder vergroting als fijne lengtestrepen zichtbaar zijn. De caulocystiden zijn overwegend lecythiform, vergelijkbaar met de cheilocystiden maar vaak met een duidelijk langere hals. Daarnaast komen knotsvormige en tonvormige elementen voor; echte haarvormige elementen zijn zeer schaars.

Ecologie

Het gouden breeksteeltje groeit vooral op zeer voedsel- en humusrijke, vaak stikstofrijke grond. Vindplaatsen zijn onder andere tuinen, parken, ruigtevegetaties, gazons en compost. De soort heeft een voorkeur voor plekken waar de bodem recent is verstoord, bijvoorbeeld composthopen of plaatsen waar tuinaarde is aangebracht. Ook uit kassen is de soort bekend; daar kan hij op voedselrijke potgrond of grond in plantenbakken groeien.

Hausknecht noemt de voorkeur voor krachtige, bemeste of nitraatrijke bodems als een onderscheid met het verwante Conocybe tenera, dat een bredere habitatkeuze heeft en ook op voedselarmere plaatsen voorkomt.

Verspreiding

Het gouden breeksteeltje is uit verschillende delen van Europa bekend. De soort is daarnaast gemeld uit andere werelddelen.

In Nederland is de soort zeldzaam en bekend van verspreid liggende vindplaatsen. De Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe vermeldt onder meer vondsten uit tuinen, bermen, op voedselrijke grond en op een mesthoop.

Gelijkende soorten

Het gouden breeksteeltje behoort tot de groep rond het kaneelkleurig breeksteeltje (Conocybe tenera). C. aurea onderscheidt zich onder andere door de opvallend goud- tot oranjegele kleur van verse vruchtlichamen, de relatief krachtig gebouwde steel en de voorkeur voor sterk voedsel- en stikstofrijke bodems. De sporen van C. aurea zijn in KOH bovendien sterker gepigmenteerd dan die van C. tenera.

Microscopische controle blijft belangrijk, omdat oudere of uitgedroogde vruchtlichamen veel van hun kenmerkende gele kleur kunnen verliezen.

Taxonomie

De wetenschappelijke naam Conocybe aurea wordt door Species Fungorum als geaccepteerde naam beschouwd. De soort werd oorspronkelijk in 1930 door Julius Schäffer beschreven als Galera aurea en in 1963 door Tsuguo Hongo in het geslacht Conocybe geplaatst.