| Wimperbreeksteeltje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Conocybe macrospora (G.F. Atk.) Hauskn. (2003) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Galerula macrospora | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het wimperbreeksteeltje (Conocybe macrospora) is een schimmel uit de familie Bolbitiaceae. De soort wordt gekenmerkt door een berijpte tot fijn behaarde steel, grote, dikwandige sporen en overwegend tweesporige basidiën.
De hoed is aanvankelijk klokvormig en wordt later klokvormig-convex. Hij is ongeveer 5–30 mm breed. De kleur varieert van lichtbruin en oranjebruin tot roestbruin. De hoed is hygrofaan en bij vocht tot bijna aan het centrum doorschijnend gestreept. Het oppervlak kan bij jonge vruchtlichamen fijn behaard zijn, maar wordt spoedig vrijwel kaal.
De lamellen zijn smal aangehecht tot bijna vrij, vrij dicht opeenstaand en aanvankelijk bleekbruin. Bij rijping worden ze licht roestbruin tot roestbruin. De lamelsnede is iets bleker en fijn vlokkig.
De steel is slank, cilindrisch en hol, met een enigszins tot duidelijk verdikte voet. Het oppervlak is in de lengterichting berijpt-gestreept en vooral aan de top fijn behaard tot berijpt. De kleur varieert van bleekgeel en oranjebruin tot honingbruin; de basis kan roodbruin zijn.
Een belangrijk kenmerk is de combinatie van grote, dikwandige sporen en tweesporige basidiën. Voor Nederlandse collecties worden sporen van ongeveer 13–18 × 7,5–10,5 µm vermeld. Prydiuk vermeldt voor meerdere onderzochte collecties (13,5–)16–19(–20,5) × (7–)8–10,5(–11,5) µm. De sporen zijn ellipsoïde tot zwak citroenvormig, in zijaanzicht soms enigszins amandelvormig en hebben een grote centrale kiempore, tot ongeveer 3 µm breed. In alkalische oplossing kleuren ze roodbruin.
De basidiën zijn knotsvormig en tweesporig. De cheilocystiden zijn lecythiform, met een min of meer bolvormig kopje op een smallere hals, en meten ongeveer 15–26 × 5,5–10 µm. Pleurocystiden ontbreken.
De steelbekleding bestaat uit verschillende typen caulocystiden. Er komen lecythiforme caulocystiden voor van ongeveer 15–22 × 6–10 µm, daarnaast ellipsoïde tot bolvormig-knotsvormige en knotsvormige elementen en lange, haarvormige cellen die tot ongeveer 100 µm lang kunnen worden. De lecythiforme elementen en haarvormige cellen zijn bij deze soort vrij gelijkmatig over de lengte van de steel verdeeld en zijn dus niet beperkt tot de steeltop.
De pileipellis is hymeniform en bestaat voornamelijk uit bolvormig-gesteelde tot peervormige cellen. Daarnaast kunnen verspreide cilindrische tot haarvormige pileocystiden aanwezig zijn. gespen zijn aanwezig.
Het wimperbreeksteeltje is een saprotrofe soort van voedselrijke milieus. In Drenthe is de soort vooral bekend van sterk bemeste graslanden op humusrijke en voedselrijke bodems. Hij groeit meestal op de grond, maar kan ook rechtstreeks op mest, mesthopen en compost voorkomen.
De soort is niet uitsluitend aan graslanden of mest gebonden. Hij is ook gevonden op bemeste grond, langs wegen en in loof-, naald- en gemengde bossen en kan op brandplekken voorkomen.
Het wimperbreeksteeltje is wijdverbreid in Europa en is daarnaast bekend uit Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Nieuw-Zeeland.
In Nederland geldt het wimperbreeksteeltje als zeldzaam.
De soort werd in 1918 door de Amerikaanse mycoloog George Francis Atkinson oorspronkelijk beschreven als Galerula macrospora. Anton Hausknecht bracht de soort in 2003 onder in het geslacht Conocybe. Hij stelde daarbij vast dat Galerula macrospora de oudste beschikbare naam was voor de tweesporige, grootsporige soort die in Europa lange tijd bekendstond als Conocybe rubiginosa.
Species Fungorum beschouwt Conocybe rubiginosa, Conocybe ochracea f. macrospora en Conocybe pubescens var. macrospora als synoniemen van Conocybe macrospora.
Door de combinatie van zeer grote sporen en tweesporige basidiën is het wimperbreeksteeltje microscopisch vrij karakteristiek. Enkele gelijkende soorten zijn: