Giftige gordijnzwam

Giftige gordijnzwam
Giftige gordijnzwam
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Cortinariaceae
Geslacht:Cortinarius
Soort
Cortinarius orellanus
Fr. (1838)
Giftige gordijnzwam
Synoniemen

Dermocybe orellana

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De giftige gordijnzwam (Cortinarius orellanus) is een schimmel uit de familie Cortinariaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen, vooral eiken (Quercus), beuken (Fagus) en haagbeuken (Carpinus). De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de late zomer en herfst. De giftige gordijnzwam is een van de gevaarlijkste giftige paddenstoelen van Europa. Hij bevat orellanine, een gifstof die ernstige, soms dodelijke nierschade kan veroorzaken.

Taxonomie

De soort werd in 1838 wetenschappelijk beschreven door de Zweedse mycoloog Elias Magnus Fries in zijn werk Epicrisis Systematis Mycologici. De wetenschappelijke naam luidt Cortinarius orellanus Fr. Tot de taxonomische synoniemen behoren Dermocybe orellana (Fr.) Ricken en Cortinarius rutilans Quél.

De soort behoort tot de groep Orellani, waartoe ook de nauw verwante fraaie gifgordijnzwam (Cortinarius rubellus) behoort. Beide soorten bevatten het nierschadelijke gif orellanine.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft doorgaans een diameter van 3 tot 8 cm en is aanvankelijk gewelfd tot klokvormig, later vlak uitgespreid en soms voorzien van een brede, stompe umbo. De hoedrand is bij jonge exemplaren naar binnen gebogen en wordt later recht of enigszins golvend. Het oppervlak is droog, mat en fijn vezelig-viltig tot schubbig, vooral in het midden. De kleur varieert van oranjebruin en vosrood tot roodbruin of koperbruin. Bij droog weer kan de hoedhuid fijne barstjes vertonen.

Lamellen

De lamellen staan tamelijk ver uiteen en zijn breed, vaak buikig en aangehecht tot enigszins uitgerand aan de steel. Aanvankelijk zijn ze geelachtig tot oranjebruin. Bij rijping worden ze roodbruin tot roestbruin door de vorming van de sporen. Bij jonge vruchtlichamen worden de lamellen gedeeltelijk bedekt door een fijn, spinnenwebachtig velum partiale, de zogenaamde cortina.

Steel

De steel is meestal 4 tot 10 cm lang en 0,7 tot 1,5 cm dik. Hij is cilindrisch, vaak enigszins gebogen en kan naar de voet versmallen. Het oppervlak is droog en overlangs vezelig. De kleur is geelachtig tot oranjebruin, soms met roodbruine vezels. Resten van de geelachtige cortina kunnen op de steel aanwezig zijn. Een blijvende, vliezige ring ontbreekt.

Vlees

Het vlees is stevig, geelachtig tot bleek okerkleurig en kan in de steel een roodbruine tint hebben. De geur is zwak en wordt vaak als radijsachtig omschreven. Vanwege de extreme giftigheid mag deze soort niet worden geproefd.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn elliptisch tot enigszins amandelvormig en bezitten een fijn wrattig geornamenteerd oppervlak. Volgens de beschrijving van Aranzadi meten ze ongeveer 8–11,5 × 5,5–6,5 µm. De sporenafdruk is roestbruin.

De basidien zijn overwegend viersporig. De hoedhuid heeft een cutis-achtige structuur, opgebouwd uit min of meer evenwijdig verlopende, cilindrische hyfen. In de hyfen komen gespverbindingen voor.

Ecologie

De giftige gordijnzwam is een ectomycorrhizavormende schimmel die in symbiose leeft met de wortels van loofbomen. Hij wordt vooral aangetroffen bij eiken (Quercus), beuken (Fagus) en haagbeuken (Carpinus). De vruchtlichamen groeien afzonderlijk of in kleine groepen op de bodem van loofbossen, doorgaans tussen strooisel en humus.

De soort heeft een voorkeur voor betrekkelijk droge, warme loofbossen op zure tot zwak zure bodems, maar wordt ook op andere bodemtypen aangetroffen. De vruchtlichamen verschijnen hoofdzakelijk van de late zomer tot in de herfst.

Volgens de Nederlandse Standaardlijst van paddenstoelen is de giftige gordijnzwam kenmerkend voor loofbossen op arme zandgrond. Hij groeit op humusrijke bodems en is verbonden met loofbomen en struiken. De soort wordt als gevoelig voor verzuring en vermesting aangemerkt.

Verspreiding

De giftige gordijnzwam is bekend uit verschillende delen van Europa, met name Midden- en Zuid-Europa. In het noorden van Europa komt hij veel minder algemeen voor. Ook in Groot-Brittannië en Ierland is de soort zeer zeldzaam.

Nederland

In Nederland wordt de giftige gordijnzwam als verdwenen beschouwd. De soort is in de Rode Lijst van 2008 opgenomen in de categorie Verdwenen (VN). Volgens de NDFF Verspreidingsatlas ontbreken gevalideerde waarnemingen uit de beoordelingsperiode 2004–2023.

Historische vindplaatsen zijn onder meer bekend uit de omgeving van Hilversum, Baarn en Leusden, waaronder landgoed Den Treek. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werd vermeld dat de soort na 1974 niet meer was gemeld. Daarbij werd opgemerkt dat sommige oudere vondsten mogelijk betrekking hadden op Cortinarius orellanoides.

Gelijkende soorten

De giftige gordijnzwam lijkt sterk op enkele andere roodbruine soorten uit het geslacht Cortinarius.

De belangrijkste dubbelganger is de fraaie gifgordijnzwam (Cortinarius rubellus), die eveneens dodelijk giftig is. Deze soort heeft doorgaans een duidelijker toegespitste hoedbult en vaak geelachtige, onregelmatige velumbanden op de steel. De fraaie gifgordijnzwam groeit vooral in naaldbossen en vochtige, zure bossen, terwijl de giftige gordijnzwam voornamelijk met loofbomen is geassocieerd.

Voor een betrouwbare determinatie kunnen zowel microscopisch onderzoek als gegevens over de standplaats en de aanwezige boomsoorten nodig zijn. De Nederlandse Verspreidingsatlas adviseert onzekere vondsten van beide soorten als Cortinarius orellanus sensu lato, inclusief C. rubellus, op te geven.

Giftigheid

De giftige gordijnzwam is 'dodelijk giftig'. De belangrijkste gifstof is orellanine, die vooral de nieren aantast. In tegenstelling tot veel andere paddenstoelvergiftigingen treden de eerste verschijnselen vaak pas enkele dagen na consumptie op. Soms duurt het een tot twee weken voordat duidelijke symptomen ontstaan.

De eerste verschijnselen kunnen bestaan uit misselijkheid, braken, diarree, buikpijn, hoofdpijn, vermoeidheid en hevige dorst. Vervolgens kan schade aan de nieren optreden, met veranderingen in de urineproductie en uiteindelijk acuut nierfalen. De nierschade kan blijvend zijn en in ernstige gevallen kan dialyse of een niertransplantatie noodzakelijk worden.

De langdurige periode zonder duidelijke symptomen maakt het soms moeilijk om het verband tussen de consumptie van de paddenstoel en de latere nierschade te herkennen. Er bestaat geen specifiek tegengif; de behandeling is voornamelijk ondersteunend.

Uit onderzoek is gebleken dat orellanine niet alleen in de hoed en steel aanwezig is, maar ook in de basidiosporen. De gifstof werd aangetoond in zowel Cortinarius orellanus als Cortinarius rubellus.

Bijzonderheden

De Duitse mycologische vereniging, de Deutsche Gesellschaft für Mykologie, koos Cortinarius orellanus tot paddenstoel van het jaar 2002, onder meer om aandacht te vestigen op de gevaarlijke giftigheid van de soort.

Zie de categorie Cortinarius orellanus van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.