| Dawsonne Drake | ||||
|---|---|---|---|---|
| Geboren | 1724 | |||
| Overleden | 1781 Madras | |||
| Land | Koninkrijk Groot-Brittannië | |||
| Beroep | politicus | |||
| Handtekening | ||||
| Brits gouverneur-generaal van de Filipijnen | ||||
| Aangetreden | 2 november 1762 | |||
| Einde termijn | 10 februari 1764 | |||
| Monarch | George III | |||
| ||||
Dawsonne Drake (1724 - Madras, 1781) was een Britse civiel ambtenaar en bestuurder in dienst van de Britse Oost-Indische Compagnie. Hij was gedurende ongeveer twintig jaar bestuurder van White Town, het Europese stadsdeel van Madras, voordat hij in 1762 werd aangewezen als toekomstig bestuurder van de door de Britten te veroveren Filipijnen. Na de verovering van Manilla werd hij benoemd tot gouverneur van de Filipijnen en kreeg hij samen met de Manila Council de verantwoordelijkheid voor het Britse civiele bestuur. Zijn bestuur werd gekenmerkt door conflicten met zowel de Spaanse bevolking als Britse militaire en maritieme bevelhebbers. In 1764 werd hij als gouverneur afgezet en keerde hij terug naar Madras, waar hij later werd aangeklaagd wegens onder meer onbehoorlijk bestuur en financiële onregelmatigheden.

Over de vroege levensloop van Drake is weinig bekend. Hij werd in 1724 geboren als zoon van George en Sophia Drake. Drake trad op achttienjarige leeftijd, hij gedurende twintig jaar het bestuur over White Town, het Europese stadsdeel rond Fort St. George in Madras. In 1755, op 31-jarige de leeftijd, werd hij manager van een handelspost van de Compagnie in Devikottai. Daar raakte hij verwikkeld in een conflict met de directie nadat hij weigerde gevolg te geven aan een overplaatsing naar Sumatra. Hij beriep zich daarbij op een slechte gezondheid en op het ongezonde klimaat van het eiland. Hoewel hij aanvankelijk werd ontslagen, werd hij later met steun van invloedrijke vrienden of familieleden opnieuw in dienst genomen. Tegen de tijd van de Britse expeditie naar de Filipijnen maakte Drake deel uit van de raad van Fort St. George in Madras.

In het kader van de Zevenjarige Oorlog stuurden de Britten in 1762 een expeditie naar de Filipijnen om de Spaanse kolonie aan te vallen. De Britse Oost-Indische Compagnie in Madras had daarbij niet alleen plannen voor de militaire verovering, maar ook voor het bestuur van het gebied na de inname van Manilla. De Compagnie was van plan een van haar civiele ambtenaren als gouverneur van de kolonie aan te stellen. De keuze viel op Drake, die met de Britse vloot naar de Filipijnen was meegereisd en was aangewezen als toekomstig civiel bestuurder.
Tijdens de aanval op Manilla bleef Drake aan boord van een van de Britse schepen. Pas vier dagen na de verovering ging hij voor het eerst aan land. Volgens de instructies die William Draper van de directie van de Oost-Indische Compagnie in Madras had ontvangen, moest hij het bestuur van de kolonie aan Drake overdragen zodra de militaire verovering was voltooid. Draper wachtte echter nog 25 dagen voordat hij deze overdracht uitvoerde.
Volgens de instructies die Draper van de directie van de Oost-Indische Compagnie in Madras had ontvangen, moest hij het bestuur van de kolonie na de verovering aan Drake overdragen. In een gesprek met Draper verlangde Drake echter dat hij samen met de Manila Council volledige zeggenschap zou krijgen over zowel het burgerlijk bestuur als de militaire aangelegenheden. Draper stemde hiermee in, omdat hij op dat moment niet voorzag welke moeilijkheden deze regeling zou veroorzaken. De daadwerkelijke overdracht van het bestuur vond vervolgens pas 25 dagen na de verovering plaats.
De installatie van Drake als plaatsvervangend gouverneur vond plaats tijdens een formele ceremonie in het gouverneurspaleis, waarbij Draper, admiraal Samuel Cornish, Drake en leden van de Manila Council aanwezig waren. Britse militairen brachten een saluut van vijftien kanonschoten. Ook aartsbisschop Manuel Rojo, leden van de Audiencia van Manilla en vooraanstaande leden van de Spaanse gemeenschap waren bij de ceremonie aanwezig.

Drake kreeg na zijn aantreden te maken met weerstand onder de bevolking van Manilla. Niet iedereen was bereid het Britse gezag te erkennen en ook geestelijken probeerden de bevolking ertoe te bewegen zich tegen de Britse bezetting te verzetten. Buiten de hoofdstad bleef het Spaanse bestuur bovendien voortbestaan onder leiding van Simón de Anda, die vanuit de provincies het verzet tegen de Britse bezetting organiseerde. Ook geestelijken verzetten zich tegen het Britse bestuur. Zij hadden grote invloed op de bevolking en probeerden deze ertoe te bewegen de Britse bezetting tegen te werken.
Drake richtte na zijn aanstelling het Britse civiele bestuur van Manilla in. Peter Poveny werd benoemd tot burgemeester van Manilla en luitenant MacKane werd zijn adjudant. William Stevenson werd aangesteld als stadsingenieur. De Engelsman James Kennedy, die bekend was met de Chinese gemeenschap van Manilla, werd belast met het bestuur van de Parián. Daar woonden volgens de schatting van het Britse bestuur ongeveer 7.000 Chinezen. Kennedy handhaafde het bestaande bestuurssysteem van de Chinese gemeenschap en stelde daarnaast Chinese functionarissen aan, die als cabecillas rechtstreeks aan hem rapporteerden.
De Manila Council hield toezicht op het bestuur en rapporteerde aan de Oost-Indische Compagnie in Madras, waarvan de president en raad van Fort St. George het hoogste bestuur vormden. Hoewel Drake in Manilla en Cavite vrijwel de volledige bestuurlijke macht bezat, moest hij op bepaalde terreinen zijn bevoegdheden delen met de Manila Council. Binnen de Council werden verschillende commissies ingesteld, waaronder een Committee of Accounts, een Committee of Works en een Committee of Appeals. Ook werden er functionarissen aangesteld die verantwoordelijk waren voor de sanitaire toestand van Manilla en de stedelijke orde.
Drake wilde de veroverde kolonie omvormen tot een winstgevende onderneming voor de Oost-Indische Compagnie. Het Britse bestuur richtte zich daarbij op het bevorderen van de handel in de Filipijnen en de omliggende regio en op het verkrijgen van inkomsten voor de Compagnie. Omdat de Manillagaljoenenhandel door de Britse verovering grotendeels was stilgevallen, probeerde Drake nieuwe handelsmogelijkheden te ontwikkelen.
Om de productie en handel te stimuleren stelde Drake verschillende monopolies in. Deze hadden onder meer betrekking op betelnoot, wijn en varkensvlees. Daarnaast probeerde hij de handel met Chinese kooplieden te stimuleren en verlaagde de Manila Council in maart 1763 de douanerechten tot een vast tarief van vijf procent. Drake moedigde ook de handel met China aan en wees op producten als rijst, tabak, cacao, kokosnoten, katoen, peper, indigo, suiker en goud als mogelijke exportproducten.
De economische plannen werden echter bemoeilijkt door de hoge kosten van het Britse bestuur. De Britten moesten onder meer de garnizoenen in Manilla en Pasig onderhouden en de schepen in Cavite laten repareren en bevoorraden. Daarnaast moesten zij de militaire operaties tegen het verzet van Anda financieren. De inkomsten uit belastingen en douanerechten waren onvoldoende om de uitgaven te dekken, waardoor het Britse bestuur geld moest lenen van kooplieden en kapiteins van schepen.
Drake probeerde daarnaast de handel en de Britse positie buiten Manilla te versterken. Zo sloot hij op 23 februari 1763 een verdrag met sultan Alimud Din I van Sulu. Het verdrag voorzag onder meer in samenwerking tussen het Sultanaat van Sulu en de Oost-Indische Compagnie en in mogelijkheden voor Britse handel en vestigingen in de Sulu-eilanden. De overeenkomst was onderdeel van Drakes poging om de Britse aanwezigheid in de regio uit te breiden.
Een belangrijk financieel probleem vormde het losgeld dat de Spanjaarden na de capitulatie van Manilla hadden toegezegd. Het bedrag van vier miljoen Spaanse dollars werd slechts gedeeltelijk betaald. Drake en de Manila Council probeerden het nog verschuldigde bedrag bij de Spaanse bevolking en de geestelijkheid te innen. Uiteindelijk werden grote bedragen aan contant geld en waardevolle voorwerpen verkregen van onder meer aartsbisschop Rojo, geestelijken, religieuze orden en van Spaanse families.
Ook bezittingen van Spanjaarden die zich bij het verzet van Anda hadden aangesloten, werden in beslag genomen en verkocht. De bezittingen van de augustijnen, die zich tegen het Britse bestuur verzetten, werden eveneens geconfisqueerd. Hun huizen en landerijen werden vervolgens aan nieuwe gebruikers verhuurd. Ook de bibliotheken van de augustijnse kloosters werden verkocht; een deel van de documenten kwam uiteindelijk in handen van de Britse ambtenaar Alexander Dalrymple.
Een ander conflict ontstond rond de Fransman César Fayette, die tijdens de verdediging van Manilla aan Spaanse zijde had gevochten. Admiraal Cornish wilde Fayette laten arresteren en naar Madras laten overbrengen om daar terecht te staan. Drake weigerde hieraan mee te werken, omdat hij Fayette inmiddels als persoonlijk adviseur in dienst had genomen.
Toen majoor Fell uiteindelijk naar het gouverneurspaleis werd gestuurd om Fayette te arresteren, ontstond een confrontatie tussen Fell en Drake. Drake trok zijn zwaard en dreigde Fell aan te vallen. Fell wist vervolgens een musket van een van zijn soldaten te pakken en stond op het punt Drake neer te schieten voordat de twee mannen door hun begeleiders uit elkaar werden gehaald. Fayette werd vervolgens gearresteerd en aan kapitein Brereton overgedragen voor transport naar Madras.
Na het conflict rond Fayette nam de tegenstelling tussen Drake enerzijds en de Britse militaire leiding anderzijds verder toe. Kapitein Brereton nam ontslag als commandant van Cavite en verschillende Britse officieren raakten gefrustreerd door Drakes bestuurlijke optreden. Nadat Cornish, Fell en Brereton uit Manilla waren vertrokken, had Drake in Manilla en Cavite vrijwel volledige vrijheid van handelen. Alleen de Manila Council vormde nog een belangrijke beperking van zijn macht. De tegenstellingen tussen het civiele bestuur enerzijds en de militaire en maritieme autoriteiten anderzijds hadden inmiddels echter voor grote spanningen gezorgd.

De Britse militaire aanwezigheid bleef beperkt tot Manilla en Cavite. Nadat admiraal Cornish in maart 1763 met een groot deel van de vloot en de troepen naar Madras was teruggekeerd, bleef in de Filipijnen slechts een beperkte Britse strijdmacht achter. Deze was nauwelijks in staat om de twee steden te verdedigen en bood al helemaal onvoldoende mogelijkheden om het Britse gezag naar de provincies en andere eilanden uit te breiden. De Britse garnizoenen kampten bovendien met desertie, ziekte en sterfte, terwijl versterkingen vanuit Madras uitbleven. Drake en de Manila Council namen verschillende maatregelen om de desertie tegen te gaan. Zo werden Chinese soldaten ingezet om langs de Pasig deserteurs te onderscheppen, werden de lonen van Indiase soldaten en lascars verhoogd en werd een beloning uitgeloofd voor informatie over voorgenomen deserties.
Tegenover deze beperkte Britse strijdmacht stond het door Simón de Anda georganiseerde verzet in de provincies. Anda wist uiteindelijk een leger van ongeveer 10.000 man op de been te brengen, al bestond het grotendeels uit onervaren soldaten en was het slechts beperkt uitgerust met Europese wapens. Zijn strijdkrachten vermeden grote veldslagen met het beter uitgeruste Britse leger en maakten gebruik van guerrillatactieken en verrassingsaanvallen. Britse posities in onder meer Bulacan, Laguna, Rizal en Batangas werden herhaaldelijk aangevallen. Daarnaast probeerde Anda de bevoorrading van de Britse garnizoenen te verstoren door Filipijnen ervan te weerhouden voedsel aan de Britten te leveren. Om de bevoorrading veilig te stellen richtten de Britten een buitenpost in Pasig in en lieten zij de Pasig-rivier met gewapende vaartuigen patrouilleren.
Het verzet tegen de Britten was niet overal even sterk. Een deel van de Filipijnse bevolking keerde zich tegen het Spaanse bestuur en zocht samenwerking met de Britten. Ook binnen de Chinese gemeenschap van Manilla ontstond aanzienlijke steun voor de Britse bezetting. Deze steun bood de Britten extra mogelijkheden om zich tegen het verzet van Anda te handhaven.
Met de Vrede van Parijs, die op 10 februari 1763 werd gesloten, kwam de oorlog tussen Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje formeel tot een einde. Het nieuws van het verdrag bereikte Manilla echter pas maanden later. Op 24 juli 1763 arriveerde het schip Houghton in de baai van Manilla met het nieuws van de vrede. Gouverneur Drake bracht de Britse militaire en maritieme bevelhebbers hiervan op de hoogte en ook aartsbisschop Manuel Rojo werd geïnformeerd. Rojo stelde op zijn beurt Simón de Anda op de hoogte, maar deze weigerde aanvankelijk de geldigheid van het vredesverdrag te erkennen.
Ook nadat de Britten in augustus 1763 de voorlopige vredesvoorwaarden aan de Spaanse autoriteiten hadden meegedeeld, bleef Anda weigeren de vijandelijkheden te beëindigen. Op 19 september stelden de Britse bevelhebbers hem een ultimatum. Op 15 oktober arriveerde het schip Admiral Pocock uit Madras met afschriften van het vredesverdrag. Deze documenten bleken echter te zijn aangepast om rekening te houden met de teruggave van Havana aan Spanje en bevatten geen vermelding van de Britse verovering van de Filipijnen. Daardoor bleef twijfel bestaan over de geldigheid van de documenten.
De Britten waren ondertussen begonnen met de voorbereidingen voor hun terugkeer naar Madras. Aanvankelijk waren zij van plan de bezette gebieden terug te geven aan aartsbisschop Rojo, die bij hun aankomst in Manilla in september 1762 als plaatsvervangend gouverneur had gefungeerd. Rojo had daarom overwogen Britse troepen in Manilla te laten achterblijven om de stad te beschermen tegen Anda totdat de Spaanse koning over het rechtmatige gouverneurschap had beslist. Zijn onverwachte overlijden op 30 januari 1764 maakte aan deze onzekerheid een einde. Na zijn dood erkenden de Britse bevelhebbers Anda als de legitieme gouverneur van de Spaanse kolonie en zetten zij de voorbereidingen voor de overdracht van de bezette gebieden voort.
Op 8 maart 1764 arriveerde het Britse schip Revenge in Manilla met een door George III ondertekend document, de King's Orders for Restitution of the East Indies. De daarin aangehaalde bepalingen van de vrede bepaalden dat door Britse troepen veroverde gebieden die niet aan Groot-Brittannië waren afgestaan, moesten worden teruggegeven. Na ontvangst van deze orders en na de geldigheid ervan via zijn contacten in Canton te hebben laten controleren, aanvaardde Anda uiteindelijk het einde van de oorlog en de geldigheid van het vredesverdrag.
De terugtrekking van de Britse troepen leidde opnieuw tot conflicten tussen Drake en de Britse militaire bevelhebbers. Kapitein Thomas Backhouse had op 3 oktober 1763 majoor Fell als commandant van het 79th Regiment opgevolgd. Op 10 maart 1764 verzocht Drake Backhouse om een deel van het regiment naar Madras te sturen en de overige soldaten in de Filipijnen achter te laten. Backhouse weigerde, omdat hij stelde geen opdracht uit Madras te hebben ontvangen. Samen met kapitein Brereton zette hij vervolgens de voorbereidingen voor het vertrek van de Britse troepen voort.
Toen Drake hierover om uitleg vroeg, liet Backhouse weten dat zijn orders rechtstreeks van de Britse koning afkomstig waren. Drake liet daarop zijn arrestatie gelasten. In de nacht van 25 maart 1764 werd Backhouse door luitenant Richbell van het 79th Regiment uit zijn bed gehaald en gevangengezet. Hij bleef opgesloten totdat de Manila Council Drake op 28 maart uit zijn functie liet verwijderen. Na zijn vrijlating keerde Backhouse terug naar zijn schip, van waaruit hij de evacuatie van Manilla en Cavite verder leidde.
De verhouding tussen Drake en de Manila Council was inmiddels eveneens verslechterd. Verschillende leden van de Council hadden zich al eerder tegen zijn bestuur gekeerd. Eind maart 1764 werd Drake door de Council formeel ter verantwoording geroepen en werd hem gevraagd ontslag te nemen als gouverneur. Drake zag in dat hij weinig andere mogelijkheden had en trad af. Hij beschuldigde kapitein Brereton ervan achter de gebeurtenissen te zitten. De Manila Council stelde vervolgens Alexander Dalrymple aan als opvolger van Drake. Dalrymple zette samen met de Britse bevelhebbers de evacuatie van de kolonie voort.
Na zijn vertrek uit de Filipijnen keerde Drake terug naar India. In april 1766 werd hij in Madras geconfronteerd met een reeks aanklachten over zijn optreden als gouverneur van Manilla. De beschuldigingen waren afkomstig van verschillende personen die tijdens de Britse bezetting met hem in conflict waren geraakt en werden voorgelegd aan de directie van de Britse Oost-Indische Compagnie. De zaak leidde tot een onderzoek door de raad van de Compagnie in Madras.
De aanklachten tegen Drake hadden onder meer betrekking op zijn bescherming van César Fayette, die aan Spaanse zijde tegen de Britten had gevochten, en op het bevoordelen van bepaalde kooplieden door het instellen van monopolies. Daarnaast werd hij ervan beschuldigd geld van Spanjaarden en Chinezen te hebben ontvangen dat in de kas van de Oost-Indische Compagnie had moeten worden gestort. Verder werd hem verweten dat hij opdrachten van de Compagnie niet had opgevolgd, voortdurend in conflict was geraakt met Britse militaire en civiele functionarissen en de financiële administratie had verwaarloosd. Ook werd hij beschuldigd van het aannemen van geldelijke geschenken van leden van de Chinese gemeenschap in ruil voor politieke gunsten.
Drake werd schuldig bevonden aan verschillende van de hem ten laste gelegde feiten. Hij werd gedegradeerd naar een lagere functie en kreeg aanvankelijk het bevel om de rest van zijn leven in India door te brengen. De Court of Directors van de Oost-Indische Compagnie oordeelde later echter dat zijn schorsing kon worden opgeheven. Drake werd opnieuw toegelaten tot de raad van Fort St. George in Madras, maar dan wel als vierde lid en met de bepaling dat hij niet meer tot een hogere rang mocht worden bevorderd en permanent in Madras moest verblijven.
Door de tussenkomst van invloedrijke relaties in de regering en binnen de Oost-Indische Compagnie werd Drake uiteindelijk opnieuw benoemd tot lid van de Court of Directors van Fort St. George. Van 1768 tot 1771 maakte hij deel uit van de raad van de gouverneur. Hij overleed in 1781 als een vermogend man.