| De Paardenkeuring | ||||
|---|---|---|---|---|
| Kunstenaar | Otto Eerelman | |||
| Jaar | 1920 | |||
| Techniek | Olieverfschilderij | |||
| Afmetingen | 192 × 253 cm | |||
| Verblijfplaats | Stadhuis | |||
| Locatie | Groningen | |||
| ||||
De Paardenkeuring, of De Paardenkeuring op de Grote Markt op de 28ste augustus, is een bekend schilderij van Otto Eerelman.
De Groninger kunstschilder Otto Eerelman (1839-1926) werd voor zijn tachtigste verjaardag in 1919 geëerd met een straatnaam in zijn geboorteplaats. Hij kreeg bovendien van het stadsbestuur de opdracht een groot schilderij te maken. Eerelman mocht zelf het onderwerp kiezen, maar de gemeente had wel voorkeur voor een Gronings tafereel. De schilder koos voor het weergeven van de paardenkeuring, een van de traditionele jaarlijkse festiviteiten op 28 augustus rond de herdenking van het Gronings Ontzet.
Op het schilderij beeldde Eerelman een groot aantal prominente Groningers af die een bijzondere betekenis hadden voor de paardensport. Het is geen momentopname, een aantal van de afgebeelde mensen was in 1919 al overleden. Ook de gevels aan de linkerkant van het schilderij werden op aanwijzing van stadsarchitect J.A. Mulock Houwer 'teruggeschilderd' naar een vroegere periode.
In maart 1920 werd het schilderij twee dagen aan de Groninger burgers gepresenteerd voor het raam van een café aan de Grote Markt. Daarna kreeg het een plek in de trouwzaal van het Stadhuis van Groningen. Het kostte de gemeente f 5.500.
van buiten naar binnen
van buiten naar binnen
Het prominente witte paard in het centrum van het kunstwerk is de legendarische schimmelhengst Tabor II. Deze Russische Orloff-draver, in 1873 geboren op de stoeterij van Paul Ivanovitz Beljanin in het gouvernement Tambov, genoot in de late 19e eeuw grote bekendheid in de Noord-Nederlandse kortebaandraverij.
Voordat het dier naar Nederland kwam, boekte het successen in Berlijn en Wenen, maar raakte door de ademhalingsaandoening cornage in Duitsland sportief afgeschreven. In 1882 werd de hengst gekocht door Cornelis Loman uit Bussum, waarna het succesvol werd behandeld door de Utrechtse veearts Jacob Marinus Hoogland. Hierna bleek het paard jarenlang nagenoeg onverslaanbaar op de Nederlandse drafbanen. In februari 1886 werd Tabor II voor 2000 gulden gekocht door jhr. Quirijn Pieter Antoni (Toon) de Marees van Swinderen uit Paterswolde. De marees van Swinderen staat aan de linkerzijde van het schilderij afgebeeld (met een rood boekje in de hand) in gesprek met de rechter en dravereigenaar Willem Alberda van Ekenstein, waarbij het centrale paard het onderwerp van hun gesprek vormt.
Tabor II stierf in december 1897 en liet naar schatting zeshonderd nakomelingen na. Hoewel het dier de drafsport in het noorden een enorme impuls gaf, vererfde het ook de gevoeligheid voor cornage en zwakke voorbenen. Kunstschilder Otto Eerelman beschouwde de hengst als zijn absolute lievelingsdier. Toen hij het schilderij in opdracht van de gemeente Groningen in 1919 vervaardigde, was Tabor II al 22 jaar overleden, maar Eerelman koos er bewust voor het paard als eerbetoon het stralende middelpunt van de compositie te maken. Tabor II wordt op het schilderij voorgeleid door pikeur Carl Heinrich Baars, die echter al in 1896 was overleden.
Twee andere prominente paarden op het schilderij zijn de zogeheten 'koffievossen' Willem en Blücher. Deze Groninger tuigpaarden waren eigendom van Klaas Tiktak (1845-1925), directeur van de Groningse koffie- en theefabriek Tiktak. Voordat het tweetal furore maakte op de nationale concoursvelden, deden de vossen vanaf 1905 dagelijks dienst voor de gele bestelwagen van de koffiefirma in de stad Groningen.
Onder leiding van trainer en pikeur Jan Wijma groeide het tweetal uit tot een van de meest succesvolle spannen van hun tijd. In 1909 wonnen Willem (een ruin geboren in 1903) en Blücher (stamboeknummer 116) in Den Haag het Nederlands kampioenschap voor tweespannen. Willem won daarnaast driemaal het Nederlands kampioenschap in het enkelspan en behaalde in zijn carrière zeker vijftig eerste prijzen. Eind 1911 werd het span verkocht naar Hilversum. Na de mobilisatie in 1914 werd Willem gevorderd voor het Nederlandse leger, waar hij in het remontedepot te Nieuw-Millingen aan een infectie (vermoedelijk droes) bezweek.
Op het schilderij van Eerelman zijn beide vossen apart van elkaar afgebeeld als eerbetoon aan hun sportieve successen: Willem loopt in de richting van de Hoofdwacht voor een sulky die wordt bestuurd door zijn trainer Jan Wijma, terwijl Blücher aan de linkerzijde van het canvas aan de teugel wordt vastgehouden door Johan. Caspers.