| De dood van Seneca | ||||
|---|---|---|---|---|
| Kunstenaar | Jacques-Louis David | |||
| Jaar | 1773 | |||
| Techniek | Olieverf op doek | |||
| Afmetingen | 123 × 160 cm | |||
| Museum | Petit Palais | |||
| Locatie | Petit Palais | |||
| Inventarisnummer | PDUT1166 | |||
| ||||
De dood van Seneca is een schilderij van Jacques-Louis David uit 1773. Het werk bevindt zich sinds 1913 in de collectie van het Petit Palais in Parijs.
Het schilderij toont de tragische zelfmoord van de Romeinse stoïcijnse filosoof en staatsman Lucius Annaeus Seneca in 65 na Christus, zoals opgetekend door Tacitus in zijn Annalen. Nadat Seneca door keizer Nero ten onrechte was beschuldigd van deelname aan de samenzwering van Piso, ontving hij het bevel om zich van het leven te beroven. Zijn trouwe echtgenote, Pompeia Paulina, verkoos hem in de dood te volgen.
David toont het moment waarop de bejaarde filosoof zijn armen heeft opengesneden, maar de dood door zijn ouderdom en ascese traag intreedt. De compositie is opgebouwd rondom de centrale figuur van Seneca, die theatraal in een fauteuil zit, terwijl een arts zijn enkels insnijdt om de bloedstroom in een koperen bekken te versnellen. Een jonge slaaf presenteert hem gelijktijdig een gifbeker op een presenteerblad. Aan de rechterzijde van het doek zakt Paulina in elkaar ondersteund door weeklagende hofdames. Omdat Nero het bevel had gegeven om haar leven te sparen, proberen de bediendes haar armen te verbinden. Op de achtergrond waakt een door de keizer gezonden centurio over de uitvoering van de executie, terwijl een jonge discipel aan de uiterste rechterzijde met een ganzenveer de laatste morele lessen van zijn meester optekent.
David vervaardigde dit werk als zijn derde inzending voor de Prix de Rome, de felbegeerde reisbeurs van de Académie royale de peinture et de sculpture. Het schilderij sluit nog aan bij de rococo-esthetiek van kunstenaars als François Boucher en Jean-Honoré Fragonard. De weergave van de lichamen getuigt van Davids beheersing van de anatomie, maar de algehele sfeer is turbulent, theatraal en mist de nuchtere ernst die past bij de stoïcijnse filosofie. De monumentale enscenering met diepgroene gordijnen, hoge zuilen en tandbeelden in nissen, maken van de sobere behuizing van de filosoof een paleisachtig decor. De jury van de Prix de Rome verkoos de inzending van zijn rivaal, Jean-François Pierre Peyron, wiens sobere, donkere en op de klassieke oudheid geïnspireerde compositie de opmaat vormde voor het strenge neoclassicisme. Hoewel de afwijzing voor David een diepe artistieke crisis betekende, dwong Peyrons overwinning hem tot een herijking van zijn esthetiek. Hij zou de overstap maken naar de monumentale ernst van het neoclassicisme, een stroming waarvan hij de onbetwiste leider zou worden.
Nadat het op de Salon van 1773 was getoond, bleef het doek decennialang in particulier bezit, totdat het in 1913 officieel werd aangekocht door de stad Parijs voor het Petit Palais. Deze aankoop werd gefinancierd met de rente-opbrengsten van het legaat van de broers Auguste en Eugène Dutuit. Deze vermogende negentiende-eeuwse verzamelaars uit Rouen hadden hun omvangrijke kunstcollectie en een substantieel kapitaal in 1902 nagelaten aan de Franse hoofdstad, met het uitdrukkelijke doel om hiermee de openbare collecties in het pasgebouwde paleis te verrijken.