| Decima Flottiglia MAS | ||
|---|---|---|
De Decima Flottiglia MAS (ook 10ª Flottiglia MAS, Xª MAS of kortweg Decima MAS) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Italiaanse marine-eenheid voor speciale operaties. De formatie maakte aanvankelijk deel uit van de Regia Marina, de Koninklijke Italiaanse Marine, en was gespecialiseerd in clandestiene aanvallen op schepen in havens en ankerplaatsen. Daarbij werden onder meer bemande torpedo's van het type Siluro a Lenta Corsa (SLC), explosieve motorboten en gevechtszwemmers gebruikt.
De organisatorische voorgeschiedenis van de eenheid ging terug tot Italiaanse experimenten met speciale aanvalswapens in de jaren 1930. Op 15 maart 1941 werd de bestaande organisatie hervormd tot de 10ª Flottiglia MAS. Tot haar bekendste operaties behoorden de aanval op de Baai van Souda in maart 1941 en de Aanval op Alexandrië in december van dat jaar. Bij Alexandrië werden onder andere de Britse slagschepen HMS Queen Elizabeth en HMS Valiant zwaar beschadigd. De eenheid kende echter ook kostbare mislukkingen, waaronder de aanval op Malta in juli 1941.
Na de bekendmaking van de Wapenstilstand van Cassibile op 8 september 1943 viel de Italiaanse krijgsmacht uiteen. Een deel van het personeel van de speciale marine-eenheden kwam terecht aan geallieerde zijde, terwijl Junio Valerio Borghese in het door Duitsland bezette noorden onder de naam Xª MAS een nieuwe organisatie opbouwde die verbonden was met de Italiaanse Sociale Republiek (RSI). Deze formatie breidde zich sterk uit en kreeg naast maritieme onderdelen omvangrijke landstrijdkrachten. Zij werd zowel tegen geallieerde troepen als bij antipartizanenoperaties ingezet. Vanwege dit verschil in politieke positie, organisatie en inzet wordt in de geschiedschrijving onderscheid gemaakt tussen de speciale marine-eenheid van de Regia Marina van vóór de wapenstilstand en Borgheses Xª MAS van de periode 1943–1945.
De ontwikkeling van Italiaanse speciale aanvalsmiddelen voor de marine kreeg in het midden van de jaren 1930 een nieuwe impuls. De marineofficieren Teseo Tesei en Elios Toschi werkten vanaf 1935 aan een verbeterde bemande torpedo waarmee duikers heimelijk een vijandelijke haven konden binnendringen. Deze ontwikkeling resulteerde in de Siluro a Lenta Corsa, letterlijk een langzaamvarende torpedo, die onder de bijnaam maiale bekend werd.
Het onderzoek naar deze wapens werd vóór de oorlog ondergebracht bij een speciale-wapensectie die organisatorisch verbonden was met de 1ª Flottiglia MAS. Na eerdere reorganisaties kreeg kapitein-ter-zee Vittorio Moccagatta begin 1941 de leiding. Op 15 maart 1941 werd de formatie als 10ª Flottiglia MAS georganiseerd. De oppervlakte-aanvalsmiddelen kwamen onder Giorgio Giobbe te staan, terwijl de onderwatermiddelen onder leiding van Junio Valerio Borghese vielen. Borghese was tevens commandant geweest van de onderzeeboot Scirè, die voor verschillende operaties bemande torpedo's naar hun inzetgebied bracht.
Na de dood van Vittorio Moccagatta tijdens de aanval op Malta in juli 1941 volgde Ernesto Forza hem op. Borghese kreeg later een steeds belangrijkere positie binnen de eenheid en werd op 1 mei 1943 commandant van de Decima MAS.
De Decima MAS gebruikte verschillende soorten speciale aanvalsmiddelen. Het bekendste was de Siluro a Lenta Corsa (SLC). Dit was een elektrisch aangedreven, langzaam varend onderwatervoertuig waarop twee bemanningsleden plaatsnamen. Zij moesten het doelwit heimelijk benaderen en een afneembare explosieve lading aan of onder de romp van het vijandelijke schip bevestigen. De bemanning gebruikte gesloten ademhalingsapparatuur, waardoor bij normaal functioneren geen karakteristieke stroom luchtbellen aan het wateroppervlak ontstond.
Daarnaast beschikte de eenheid over gevechtszwemmers, onder meer van de zogenoemde Gruppo Gamma, die zelfstandig explosieve ladingen tegen scheepsrompen konden aanbrengen. Voor aanvallen boven water werden kleine explosieve motorboten gebruikt. Deze moesten met hoge snelheid op een doel worden gericht, waarna de bestuurder de boot vóór de botsing verliet.
De werkwijze was erop gericht met een zeer kleine groep aanvallers en relatief lichte middelen schade toe te brengen aan veel grotere en duurdere oorlogsschepen of koopvaardijschepen. De geringe omvang van de aanvalsgroepen betekende echter niet dat de operaties eenvoudig waren: transport naar het doelgebied, navigatie, technische betrouwbaarheid, havenverdediging en de mogelijkheid om de bemanningen na de aanval terug te krijgen vormden aanzienlijke risico's.
In 1940 werden verschillende pogingen ondernomen om speciale aanvalsmiddelen tegen Britse bases, waaronder Alexandrië en Gibraltar, in te zetten. Technische problemen, verliezen van ondersteunende onderzeeboten en Britse tegenmaatregelen zorgden ervoor dat verscheidene vroege operaties mislukten. De ervaringen werden gebruikt om de uitrusting, training en operationele werkwijze verder te ontwikkelen.
Op 26 maart 1941 voerde de eenheid een aanval uit op Britse schepen in de Baai van Souda op Kreta. Zes explosieve motorboten drongen de baai binnen. De Britse zware kruiser HMS York en de tanker Pericles werden zwaar beschadigd. De York werd om zinken te voorkomen aan de grond gezet en werd later, na verdere oorlogsschade, opgegeven.
De operatie demonstreerde dat kleine oppervlaktemiddelen in staat waren door de verdediging van een ankerplaats heen te breken, maar de methode stelde de bestuurders bloot aan een grote kans op gevangenneming nadat zij hun boten hadden verlaten.
In de nacht van 25 op 26 juli 1941 ondernam de Decima MAS een gecombineerde aanval op de havenverdediging van Malta. De operatie mislukte en de eenheid leed zware verliezen. Onder de doden bevonden zich Teseo Tesei en commandant Vittorio Moccagatta. Het verlies van ervaren personeel maakte de aanval tot een van de zwaarste tegenslagen in de geschiedenis van de eenheid.
Ook Gibraltar was herhaaldelijk het doelwit van Italiaanse speciale operaties. In september 1941 slaagden SLC-bemanningen erin meerdere koopvaardijschepen in de omgeving van Gibraltar te beschadigen. In een latere fase werd het Italiaanse koopvaardijschip Olterra, dat in neutraal Spaans gebied lag, heimelijk ingericht als basis voor verdere onderwateroperaties tegen de scheepvaart bij Gibraltar.
De bekendste operatie van de Decima MAS vond plaats in de nacht van 18 op 19 december 1941 in de haven van Alexandrië in Egypte. De onderzeeboot Scirè bracht drie SLC's met in totaal zes bemanningsleden naar de omgeving van de Britse marinebasis. De aanvallers slaagden erin de haven binnen te dringen en explosieve ladingen bij hun doelwitten aan te brengen.
De explosies brachten zware schade toe aan de slagschepen HMS Queen Elizabeth en HMS Valiant. Ook de tanker Sagona werd getroffen; de explosie bij dit schip veroorzaakte daarnaast schade aan de nabijgelegen torpedobootjager HMS Jervis. De twee slagschepen zonken door de geringe waterdiepte niet volledig weg en konden uiteindelijk worden hersteld, maar werden voor aanzienlijke tijd buiten gevecht gesteld. Alle zes Italiaanse deelnemers werden gevangengenomen.
De aanval was operationeel belangrijk doordat een zeer klein aantal aanvallers tijdelijk twee belangrijke Britse slagschepen uitschakelde. O'Hara en Cernuschi behandelen de operatie daarom als een opvallend voorbeeld van de effecten die gespecialiseerde kleinschalige maritieme aanvalseenheden onder gunstige omstandigheden konden bereiken.
De Italiaanse wapenstilstand met de geallieerden, die op 8 september 1943 bekend werd gemaakt, leidde tot het uiteenvallen van de Italiaanse strijdkrachten. Daarmee hield ook de Decima MAS op als één ongedeelde formatie van de Regia Marina te functioneren.
Personeel dat zich in door de geallieerden gecontroleerd gebied bevond of zich bij de regering van koning Victor Emanuel III aansloot, kwam deels terecht bij de speciale marineformatie Mariassalto, die aan geallieerde zijde opereerde. In het door Duitsland bezette Noord-Italië koos Borghese er daarentegen voor de strijd voort te zetten. Rond hem ontstond opnieuw een organisatie die de naam Xª MAS gebruikte.
De na september 1943 door Borghese geleide Xª MAS verschilde wezenlijk van de eerdere kleine marine-eenheid. Zij was verbonden met de fascistische Italiaanse Sociale Republiek, maar Borghese streefde naar een grote mate van organisatorische en militaire zelfstandigheid. Historicus Luigi Ganapini beschrijft de Xª MAS in deze periode als een door Borghese als zijn eigen formatie beschouwde strijdmacht die aanspraak maakte op militaire onafhankelijkheid binnen het versnipperde militaire bestel van de RSI.
De organisatie trok vrijwilligers aan en groeide uit tot een formatie met duizenden manschappen. Naast de nog bestaande maritieme speciale eenheden werden infanterie-, artillerie-, genie- en andere landonderdelen opgericht. Het bataljon Barbarigo werd in 1944 tegen geallieerde troepen aan het front bij Anzio ingezet.
Op 1 mei 1944 werd de Divisione Decima opgericht. Deze divisiestructuur omvatte onder meer marine-infanteriebataljons als Barbarigo, Lupo, Sagittario, Fulmine en Valanga. De geplande organisatie was groter dan de feitelijke sterkte van veel onderdelen. In de zomer van 1944 werden verschillende eenheden in Noord-Italië tegen partizanen ingezet. Eind juni kwam de divisie voor deze inzet onder het gezag van de hoogste Duitse SS- en politiecommandant in Italië, Karl Wolff.
De betrokkenheid bij de interne strijd in Noord-Italië maakte de geschiedenis van de Xª MAS na 1943 politiek en historiografisch veel omstredener dan die van de maritieme aanvalseenheid van 1940–1943. Ganapini plaatst de formatie nadrukkelijk binnen het militarisme en politieke geweld van de RSI. Hij vermeldt onder meer dat de Decima MAS, evenals andere gewapende formaties van de RSI, een eigen politiek onderzoeksbureau bezat dat onderzoek deed naar antifascisten, verzetsstrijders en personen die van verraad werden verdacht.
De Xª MAS werd in de laatste fase van de oorlog tevens in Noordoost-Italië ingezet. Daar speelden naast de oorlog tegen de geallieerden ook de strijd tegen Italiaanse en Joegoslavische partizanen en territoriale conflicten rond de Adriatische grensgebieden een rol. De formatie hield in het voorjaar van 1945 op te bestaan toen de Italiaanse Sociale Republiek en de Duitse militaire positie in Noord-Italië instortten.
De operaties van de Decima MAS vóór september 1943 behoren tot de bekendere voorbeelden van maritieme speciale oorlogsvoering tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vooral de aanval op Alexandrië liet zien dat kleine, goed getrainde aanvalsteams met gespecialiseerde middelen tijdelijk een effect konden bereiken dat in verhouding tot hun omvang en materiële inzet zeer groot was.
Een beoordeling van de gehele geschiedenis onder dezelfde noemer is echter problematisch. De Decima MAS van de Regia Marina was in de eerste plaats een relatief kleine marine-eenheid voor speciale operaties tegen geallieerde scheepvaart. De door Borghese geleide Xª MAS van 1943–1945 was daarentegen een veel grotere, politiek ingebedde formatie van de Italiaanse Sociale Republiek, met omvangrijke landstrijdkrachten en een rol in de Italiaanse burgeroorlog en de bestrijding van partizanen. De continuïteit in naam, symboliek, een deel van het personeel en Borgheses leiderschap moet daarom worden onderscheiden van de aanzienlijke verandering in politieke positie, omvang en militaire functie.