Deelgemeente (Nederland)

Nederlandse politiek
Rijkswapen der Nederlanden.svg
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Een deelgemeente was in Nederland een in de Gemeentewet geregelde vorm van territoriale binnengemeentelijke decentralisatie. Een deelgemeentebestuur bestond in de laatste wettelijke regeling uit een rechtstreeks gekozen deelraad en een door die deelraad benoemd dagelijks bestuur. Aan het deelgemeentebestuur werd de behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van het betreffende deel van de gemeente opgedragen en aan de deelraad konden verordenende bevoegdheden worden overgedragen.

Deelgemeenten vormden geen afzonderlijke gemeente en waren evenmin een algemeen, grondwettelijk bestuursniveau naast Rijk, provincies en gemeenten. Het ging om een door een gemeentebestuur gekozen vorm van binnengemeentelijke decentralisatie. De term moet ook worden onderscheiden van stadsdeel, dat een lokaal bepaalde territoriale aanduiding is en niet noodzakelijk een eigen bestuur of wettelijke status heeft. In Amsterdam werden de gebieden die als deelgemeente waren ingericht doorgaans stadsdelen genoemd.

De wettelijke mogelijkheid om deelgemeenten in te stellen werd op 19 maart 2014 afgeschaft. Op dat moment waren alleen in Amsterdam en Rotterdam nog deelgemeenten ingesteld.

Wettelijk kader

De wettelijke basis voor territoriale binnengemeentelijke decentralisatie ontwikkelde zich geleidelijk. In 1964 werd in de Gemeentewet de mogelijkheid opgenomen territoriale bestuurscommissies in te stellen. Tot 1994 waren de latere deelgemeenten gebaseerd op de algemene bepalingen voor gemeentelijke commissies. In de Gemeentewet van 1994 kwamen afzonderlijke bepalingen voor commissies waaraan de behartiging van de belangen van een deel van de gemeente was opgedragen.

Bij de Wet dualisering gemeentebestuur van 2002 kreeg de deelgemeente haar laatste wettelijke vorm. Artikel 87 van de Gemeentewet bepaalde dat raad, college van burgemeester en wethouders en burgemeester gezamenlijk tot instelling van een deelgemeente konden besluiten. Bij gezamenlijke verordening kon een deelgemeentebestuur worden ingesteld, bestaande uit een rechtstreeks gekozen deelraad en een door deze raad benoemd dagelijks bestuur.

Kenmerkend was de omvang van het overgedragen taken- en bevoegdhedenpakket. Aan het deelgemeentebestuur moest de behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van de deelgemeente worden opgedragen. Daarnaast droeg de gemeenteraad geheel of gedeeltelijk de bevoegdheid over om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen.

Door dit bevoegdhedenpakket gold de deelraad als een algemeen vertegenwoordigend orgaan in de zin van artikel 4 van de Grondwet. De leden moesten daarom rechtstreeks worden gekozen. De verkiezingen werden bij gemeentelijke verordening geregeld, waarbij zoveel mogelijk werd aangesloten bij de Kieswet, en vonden gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen plaats.

Onderscheid met bestuurscommissies

De brede bevoegdheden en in het bijzonder de mogelijkheid om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen onderscheidden de deelgemeente van lichtere vormen van binnengemeentelijke decentralisatie, zoals een territoriale bestuurscommissie. Aan een bestuurscommissie kon niet hetzelfde algemene en omvangrijke takenpakket worden overgedragen en haar verordenende bevoegdheid was beperkter.

Een bestuurscommissie hoefde daardoor niet als algemeen vertegenwoordigend orgaan te worden aangemerkt. Rechtstreekse verkiezing van haar leden was mogelijk, maar niet wettelijk verplicht. Een bestuurscommissie legde bovendien verantwoording af aan het gemeentebestuur.

Ook andere lokale organen, zoals stadsdeelcommissies, gebiedscommissies, wijkraden en dorpsraden, zijn daarom niet zonder meer als deelgemeenten aan te merken. Na 2014 konden gemeenten dergelijke organen blijven instellen of andere vormen van gebiedsgericht bestuur en participatie organiseren, maar de voormalige wettelijke deelgemeentestatus kon daarbij niet worden voortgezet.

Afschaffing

De bevoegdheid om deelgemeenten in te stellen werd afgeschaft bij de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen. Daarbij werden onder meer de artikelen 87 tot en met 92 van de Gemeentewet geschrapt. Volgens de regering waren de deelgemeenten, die oorspronkelijk als hulpstructuur voor grote gemeenten waren ontstaan, in de loop van de tijd steeds meer op een afzonderlijke bestuurslaag gaan lijken. De regering wilde de bestuurlijke hoofdstructuur beperken tot Rijk, provincies en gemeenten en gemeenten voor binnengemeentelijke organisatie laten terugvallen op lichtere vormen van decentralisatie. De wet trad bij koninklijk besluit op 19 maart 2014 in werking, tegelijk met de gemeenteraadsverkiezingen. Op die datum eindigde tevens de zittingsduur van de bestaande deelraden en hielden de deelgemeenten van rechtswege op te bestaan.

De Gemeentewet bleef ruimte bieden voor territoriale bestuurscommissies op grond van artikel 83 en voor andere gemeentelijke commissies. Amsterdam en Rotterdam maakten daarvan aanvankelijk gebruik om na 2014 vormen van gebiedsgericht bestuur te behouden. Deze organen waren juridisch geen voortzetting van de deelgemeenten.

Amsterdam

Zie Stadsdelen van Amsterdam voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zie ook: Buurten en wijken in Amsterdam.

In Amsterdam werd voor de territoriale eenheden van het binnengemeentelijke bestuur de benaming stadsdeel gebruikt. De eerste stadsdeelraden werden in 1981 ingesteld in Noord en Osdorp. De gemeenteraad had dat jaar besloten tot verdere decentralisatie van het stadsbestuur.

Per 1 mei 1987 kwamen daar de stadsdelen Buitenveldert, De Pijp, Watergraafsmeer en Zuidoost bij en per 1 januari 1990 werden nog tien stadsdelen ingesteld. Door latere fusies verminderde het aantal. In 2002 kreeg ook de binnenstad als laatste gebied een eigen stadsdeelbestuur en in 2010 werd de indeling herzien tot zeven bestuurlijke stadsdelen.

Bij de afschaffing van de deelgemeenten in 2014 waren de zeven Amsterdamse stadsdelen die als deelgemeente waren ingericht:

Westpoort gold daarnaast in de gemeentelijke gebiedsindeling als stadsdeel, maar had geen gekozen deelraad en was geen deelgemeente; het gebied viel onder verantwoordelijkheid van het centrale gemeentebestuur.

Vanaf 19 maart 2014 bleven de zeven stadsdelen als territoriale eenheden bestaan, maar werden de deelgemeentebesturen vervangen door bestuurscommissies op grond van artikel 83 van de Gemeentewet. De Amsterdamse verordening maakte daarbij expliciet onderscheid tussen het voortbestaan van de gebiedsindeling in stadsdelen en het vervallen van de mogelijkheid deze gebieden als deelgemeente in te richten.

Het Amsterdamse stelsel werd na 2014 opnieuw verschillende malen gewijzigd; deze latere bestuurlijke ontwikkeling wordt behandeld in Stadsdelen van Amsterdam.

Rotterdam

Zie ook: Bestuurlijke indeling van Rotterdam.

Het Rotterdamse deelgemeentebestel omvatte veertien gebieden die lokaal als deelgemeente werden aangeduid. Bij de voorbereiding van de afschaffingswet sprak de regering eveneens van veertien Rotterdamse deelgemeenten, maar daarbij gold voor Pernis een bijzondere juridische situatie: Pernis was formeel geen deelgemeente in de zin van artikel 87 Gemeentewet, maar een territoriale bestuurscommissie op grond van artikel 83.

De Rotterdamse deelgemeenten waren:

Na de afschaffing van de deelgemeenten werden in Rotterdam veertien gebieden onderscheiden met gebiedscommissies. Deze gebiedscommissies waren bestuurscommissies op grond van artikel 83 Gemeentewet en hadden een beperkter taken- en bevoegdhedenpakket dan de voormalige deelgemeenten.

De gebiedscommissies zijn later vervangen door wijk- en dorpsraden. Rotterdam telt in 2026 37 wijkraden en twee dorpsraden. Ook deze organen zijn geen deelgemeenten in de voormalige wettelijke betekenis.

Democratische inrichting en participatie

De rechtstreeks gekozen deelraad vormde het democratisch vertegenwoordigende orgaan van een deelgemeente. De leden werden eenmaal per vier jaar gekozen, gelijktijdig met de gemeenteraad. Het dagelijks bestuur werd vervolgens door de deelraad benoemd.

Naast deze wettelijk voorgeschreven vertegenwoordigende structuur kenden deelgemeenten verschillende vormen van inspraak en participatie. Zo konden lokale regelingen voorzien in spreekrecht tijdens openbare vergaderingen, het indienen van een burgerinitiatief en het rechtstreeks benaderen van de deelraad of zijn griffie. De precieze procedures en voorwaarden hiervoor werden lokaal vastgesteld. Eisen zoals een minimumaantal ondersteunende handtekeningen voor een burgerinitiatief waren daarom geen landelijke kenmerken van de deelgemeente.

Zie ook