Dennenmos

Dennenmos
Dennenmos (Imshaugia aleurites)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota
Onderstam:Pezizomycotina
Klasse:Lecanoromycetes
Onderklasse:Lecanoromycetidae
Orde:Lecanorales
Familie:Parmeliaceae
Geslacht:Imshaugia
Soort
Imshaugia aleurites
(Ach.) S.L.F.Mey. (1985)
Synoniemen

Parmeliopsis aleurites

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Dennenmos op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Dennenmos (Imshaugia aleurites) is een korstmos uit de familie Parmeliaceae. Het is een bladvormig korstmos met een zilvergrijs tot witgrijs thallus en talrijke kleine, cilindervormige isidiën. De soort groeit voornamelijk op de schors en het hout van naaldbomen, vooral op grove den.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Het thallus is bladvormig, ligt dicht tegen de ondergrond aan en vormt vaak kleine rozetten met een diameter van 1 tot 3 cm, soms tot 5 cm. De lobben zijn smal, meestal 1 tot 3 mm breed, en kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen. Het bovenvlak is witgrijs tot zilvergrijs en vaak enigszins glanzend.

Op het bovenvlak bevinden zich talrijke cilindervormige isidiën, kleine uitgroeisels die dienen voor de ongeslachtelijke voortplanting. Deze zijn meestal grijs, soms met een bruinachtige top. Vooral in het midden van het thallus kunnen de isidiën zo dicht opeen staan dat ze een korstachtige laag vormen. Echte sorediën ontbreken.

De onderzijde is witachtig tot lichtbruin en draagt eenvoudige rhizinen, waarmee het korstmos aan de ondergrond is bevestigd.

Microscopische kenmerken

Apotheciën worden weinig gevormd. Ze zijn tot ongeveer 3 mm breed en hebben een vlakke tot enigszins golvende, roodbruine schijf. De rand kan isidiën dragen en bij oudere apotheciën verdwijnen.

De ascosporen zijn kleurloos en meten 6–9 × 5–6 µm. De conidiën zijn ongeveer 3,5–4,5 × 1 µm groot en aan beide uiteinden toegespitst.

Chemische kenmerken

Dennenmos vertoont de volgende kleurreacties:

De soort bevat onder meer atranorine en thamnolzuur.

Gelijkende soorten

Dennenmos kan worden verward met Parmeliopsis hyperopta. Deze soort vormt echter echte sorediën in plaats van isidiën. Bovendien vertoont het merg van P. hyperopta een blauwachtige fluorescentie onder ultraviolet licht (UV+), terwijl dennenmos UV− is.

Ecologie

Dennenmos groeit op zure schors en verweerd hout, vooral in open, lichte bossen. In Nederland komt de soort voornamelijk voor op grove den (Pinus sylvestris), bij voorkeur in open, savanneachtige dennenbossen. Hij groeit zowel op stammen als op blootgestoven boomwortels langs de randen van zandverstuivingen.

Daarnaast is de soort in Nederland aangetroffen op jeneverbes (Juniperus communis) en zomereik (Quercus robur). Elders groeit hij ook op onder meer berken, dood hout en onbehandeld hout van afrasteringen.

Verspreiding

Dennenmos heeft een overwegend circumpolaire verspreiding op het noordelijk halfrond. De soort komt voor in Europa, Azië en Noord-Amerika, vooral in boreale en gematigde gebieden.

In Nederland is dennenmos zeer zeldzaam. De soort is onder meer bekend van de Veluwe en Drenthe, waar hij voorkomt in lichte bossen, op heidevelden met bomen en langs zandverstuivingen. Op de Nederlandse Rode Lijst van Korstmossen staat hij in de categorie 'Kwetsbaar'.

De belangrijkste bedreigingen in Nederland zijn een te hoge stikstofdepositie, het dichtgroeien van open bossen met struiken en bomen en klimaatverandering. Voor het behoud van de soort is het belangrijk dat groeiplaatsen voldoende open en licht blijven.

Taxonomie

De soort werd in 1799 door de Zweedse lichenoloog Erik Acharius beschreven onder de naam Lichen aleurites. Later werd hij ondergebracht in verschillende geslachten, waaronder Parmelia en Parmeliopsis.

In 1985 plaatste Susan L.F. Meyer de soort in het geslacht Imshaugia. De wetenschappelijke naam luidt sindsdien Imshaugia aleurites (Ach.) S.L.F.Mey.