| Derk Ringnalda | ||||
|---|---|---|---|---|
| Plaats uw zelfgemaakte foto hier | ||||
| Algemeen | ||||
| Volledige naam | Dirk Martinus Ringnalda | |||
| Geboortedatum | 9 augustus 1924 | |||
| Geboorteplaats | Taipei | |||
| Overlijdensdatum | 3 november 2004 | |||
| Overlijdensplaats | Den Haag | |||
| Partij | partijloos | |||
| Titulatuur | drs. | |||
| Functies | ||||
| 1971–1972 | Plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken | |||
| 1972–1986 | Secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken | |||
| ||||
Dirk Martinus (Derk) Ringnalda (Taipei, 9 augustus 1924 – Den Haag, 3 november 2004) was een Nederlands ambtenaar. Van 1972 tot 1986 was hij secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken. In die functie werkte hij onder de minister-presidenten Barend Biesheuvel, Joop den Uyl, Dries van Agt en Ruud Lubbers.
Ringnalda werd op 9 augustus 1924 geboren in Taipei, op het toenmalige Formosa. Zijn ouders waren een jaar eerder naar China vertrokken. Zijn vader, Gerben Ringnalda, werkte voor Shell en was daarnaast honorair consul. Toen Ringnalda zes jaar oud was, ging hij naar Nederland om daar onderwijs te volgen. Zijn moeder, Johanna Sara (Anny) Schuurman, bleef in Azië en overleed in mei 1940 op 38-jarige leeftijd in Malang.
In Nederland volgde Ringnalda het gymnasium-b in Den Haag. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij zijn opleiding voort en in 1943 behaalde hij zijn gymnasiumdiploma.
Kort na de bevrijding meldde hij zich als vrijwilliger bij het Korps Mariniers, waar hij van 1945 tot 1948 diende.
Na zijn militaire dienst studeerde Ringnalda politicologie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij rondde de studie in 1957 af en verkreeg de titel doctorandus.
In februari 1958 trad Ringnalda in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij werkte bij het directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen. In zijn laatste functie daar was hij hoofd van de afdeling Associatievraagstukken-EEG, die zich bezighield met vraagstukken rond de associatie met de Europese Economische Gemeenschap.
Ringnalda bleef tot juni 1964 bij Buitenlandse Zaken werkzaam.
Op 15 juni 1964 maakte Ringnalda de overstap naar het ministerie van Algemene Zaken. Hij werd raadadviseur bij het kabinet van de minister-president. In die functie adviseerde hij over defensie, civiele verdediging en buitenlandse zaken.
Als raadadviseur werkte Ringnalda in de directe ambtelijke ondersteuning van de minister-president. Later omschreef hij de taak van de raadadviseurs van Algemene Zaken als het voorkomen dat „de kanalen van de departementen naar de minister-president dichtslibben”.
Op 1 oktober 1971 werd Ringnalda benoemd tot plaatsvervangend secretaris-generaal van Algemene Zaken.
Als plaatsvervangend secretaris-generaal raakte Ringnalda in 1972 nauw betrokken bij discussies over het defensiebeleid. Via zijn buurman Bill Clumpkens, chef-staf van de Vierde Divisie, kwam hij in contact met voorstellen van legerofficieren om op Defensie te bezuinigen zonder de gevechtskracht aan te tasten. Ringnalda woonde destijds aan de Van Imhoffstraat 18 in het Haagse Bezuidenhout. Clumpkens woonde in dezelfde straat op nummer 33.
Een van de voorstellen waarover Ringnalda via deze contacten werd geïnformeerd, was een plan van legerkorpscommandant Ferry Meijnderts voor een eenvoudiger en doelmatiger mobilisatiesysteem. Minister-president Barend Biesheuvel wilde op 27 maart 1972 in het Catshuis met Meijnderts en Clumpkens spreken en was van plan Ringnalda bij dat gesprek aanwezig te laten zijn.
Minister van Defensie Hans de Koster verzette zich tegen deze gang van zaken. Hij stelde vast dat het voorgenomen gesprek het sluitstuk was van een reeks contacten van Ringnalda met Meijnderts en Clumpkens. Ringnalda beschikte bovendien over een memorandum over het defensiebeleid waarvan het ministerie van Defensie volgens De Koster niet op de hoogte was. De Koster voelde zich hierdoor gepasseerd en het voorgenomen gesprek werd uiteindelijk afgezegd.
Op 1 augustus 1972 volgde Ringnalda de secretaris-generaal van Algemene Zaken op.
Ringnalda was van 1 augustus 1972 tot 1 juli 1986 secretaris-generaal van Algemene Zaken. In die periode diende hij achtereenvolgens onder de minister-presidenten Barend Biesheuvel, Joop den Uyl, Dries van Agt en Ruud Lubbers.
Ook als secretaris-generaal bleef hij zich met defensievraagstukken bezighouden. Toen de positie van Meijnderts later ter discussie stond, adviseerde Ringnalda premier Den Uyl om niet Meijnderts, maar generaal-majoor Bentinck tot chef van de Generale Staf te benoemen.
Onder Van Agt werkte Ringnalda, volgens een later verslag, jarenlang intensief met de premier samen.
De komst van Lubbers als minister-president in 1982 leidde tot een andere verhouding tussen premier en ambtelijke staf. Ringnalda had aanvankelijk grote twijfels over Lubbers en vond dat de staf hem moest begeleiden en bijsturen. Volgens een oud-medewerker wilde Ringnalda dat de staf daarbij één lijn trok, maar wist Lubbers de afzonderlijke stafleden juist voor zijn eigen koers te winnen.
Ook over de werkwijze van Lubbers ontstonden verschillen van inzicht. Toen Lubbers als premier vanuit het Torentje wilde werken, maakte Ringnalda daar bezwaar tegen. Hij vond dat de minister-president op het ministerie van Algemene Zaken hoorde te werken; het Torentje viel destijds bestuurlijk onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Lubbers zette zijn voornemen desondanks door en herinnerde zich later dat dit voor Ringnalda „een schok” was.
Ringnalda trad op 1 juli 1986 vervroegd uit en ging met de VUT. Hij werd als secretaris-generaal opgevolgd door Rein Jan Hoekstra.
Ringnalda hield zich binnen Algemene Zaken intensief bezig met defensievraagstukken. Dat gold al tijdens zijn periode als raadadviseur en plaatsvervangend secretaris-generaal. Begin jaren zeventig speelde binnen de krijgsmacht een conflict over bezuinigingen, reorganisatie en de onderlinge verhoudingen binnen de legerleiding.
In 1972 onderhield Ringnalda contacten met brigadegeneraal Bill Clumpkens, chef-staf van de Vierde Divisie. De twee waren tevens buurtgenoten in de Van Imhoffstraat in het Haagse Bezuidenhout. Via Clumpkens raakte Ringnalda op de hoogte van voorstellen van een groep landmachtofficieren om op Defensie te bezuinigen zonder de gevechtskracht aan te tasten.
Daaronder bevonden zich ideeën van luitenant-generaal Ferry Meijnderts, commandant van het Eerste Legerkorps. Een van de voorstellen betrof een eenvoudiger en doelmatiger mobilisatiesysteem. Ringnalda kreeg deze ideeën via zijn contacten met Clumpkens onder ogen en onderhield vervolgens ook contacten met Meijnderts.
Minister-president Barend Biesheuvel stond open voor de voorstellen. Hij wilde op 27 maart 1972 in het Catshuis een gesprek voeren met Meijnderts en Clumpkens en was van plan Ringnalda daarbij aanwezig te laten zijn. Het gesprek moest op persoonlijke en informele basis plaatsvinden.
Minister van Defensie Hans de Koster verzette zich tegen het voorgenomen overleg. Hij vond dat de minister-president daarmee buiten de gebruikelijke hiërarchische verhoudingen binnen Defensie om handelde. Volgens De Koster bleek bovendien dat het geplande gesprek niet op zichzelf stond, maar het sluitstuk vormde van een reeks contacten van Ringnalda met Meijnderts en Clumpkens.
Ringnalda beschikte in die periode over een memorandum met voorstellen over het defensiebeleid waarvan het ministerie van Defensie volgens De Koster niet op de hoogte was. De Koster vreesde tijdens het gesprek met plannen te worden geconfronteerd waarvan zijn eigen departement de gevolgen nog niet had kunnen beoordelen. Na zijn bezwaren besloot Biesheuvel het overleg met Meijnderts af te zeggen.
Ook binnen de militaire top bestond kritiek op de contacten. Secretaris-generaal Gerard Peijnenburg van Defensie verweet Meijnderts later dat hij zich door Clumpkens en Ringnalda had laten „manipuleren”. Deze kwalificatie kwam van Peijnenburg en weerspiegelde de spanningen die rond de informele contacten waren ontstaan.
Ook nadat Ringnalda in augustus 1972 secretaris-generaal van Algemene Zaken was geworden, bleef hij bij defensievraagstukken betrokken. Toen enkele jaren later de opvolging aan de top van de Koninklijke Landmacht speelde, adviseerde Ringnalda minister-president Joop den Uyl om Meijnderts niet tot chef van de Generale Staf te benoemen. In plaats daarvan stelde hij generaal-majoor Bentinck voor.
Ringnalda hechtte veel belang aan de coördinerende functie van het ministerie van Algemene Zaken. Volgens hem moesten de raadadviseurs van het ministerie voorkomen dat „de kanalen van de departementen naar de minister-president dichtslibben”. Daarmee zag hij de ambtelijke staf van Algemene Zaken als een schakel tussen de afzonderlijke departementen en de minister-president.
Hij verbond de positie van de minister-president aan de ontwikkeling van de overheid als geheel. Naarmate de overheid zich volgens Ringnalda met meer terreinen van het maatschappelijk leven ging bezighouden, kwamen ministers en hun departementen vaker tegenover elkaar te staan. Daardoor ontstond een grotere behoefte aan coördinatie binnen het kabinet en nam volgens hem ook de betekenis van de minister-president toe.
Die opvatting kwam ook naar voren in zijn verhouding tot Ruud Lubbers. Ringnalda verzette zich ertegen dat Lubbers als minister-president vanuit het Torentje wilde werken. Het Torentje behoorde op dat moment niet tot Algemene Zaken maar tot het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ringnalda vond dat de minister-president vanuit zijn eigen ministerie behoorde te werken. Lubbers legde zijn bezwaar naast zich neer.
De gedachte dat een uitbreiding van overheidstaken uiteindelijk ook de positie van de minister-president versterkt, werd later aangeduid als de wet van Ringnalda. Ringnalda redeneerde dat een toenemende overheidsbemoeienis meer onderlinge afhankelijkheid en tegenstellingen tussen departementen veroorzaakte. Daardoor werd centrale coördinatie belangrijker, wat de positie van de minister-president binnen het regeringsbestuur versterkte.
Ringnalda gold als een invloedrijke, maar relatief op de achtergrond opererende topambtenaar. Parlement.com omschrijft hem als een gerespecteerde en belangrijke ambtelijke adviseur, die enigszins afstandelijk kon overkomen en oog had voor maatschappelijke veranderingen.
Zijn bestuursstijl werd niet door iedereen als uitsluitend verbindend beschreven. In een bespreking van Roel Bekkers boek over de secretarissen-generaal van Algemene Zaken noemt Robbert Coops Ringnalda, samen met Cees Fock, een uitzondering op het algemene beeld van de secretaris-generaal als vooral discrete probleemoplosser en verbinder. Volgens Coops presenteerden beiden zich graag als „houwdegens” en gedroegen zij zich ook zo.
Oud-topambtenaar Jan-Willem Holtslag noemde Ringnalda later een belangrijke leermeester uit zijn eigen beginperiode bij Algemene Zaken. Volgens Holtslag was Ringnalda „de man die Algemene Zaken aan de eisen van de tijd liet beantwoorden in de jaren zeventig”.
Holtslag benadrukte ook Ringnalda's partijpolitieke onafhankelijkheid. Een van de lessen die hij naar eigen zeggen van Ringnalda leerde, was dat een ambtenaar zich niet door partijpolitieke vooroordelen moest laten leiden, maar moest kijken naar de kwaliteit van personen en naar wat zij wilden bereiken. Daarnaast typeerde Holtslag hem als iemand die zonder zijn stem te verheffen scherpe dingen kon zeggen en daarmee toch indruk maakte.
Ringnalda behoorde daarmee volgens Holtslag tot een generatie „dominante” topambtenaren: ambtenaren die door hun kennis, voorbereiding en bekwaamheid gedurende langere tijd een duidelijk stempel op het bestuur konden drukken.
Naast zijn werkzaamheden bij het ministerie van Algemene Zaken vervulde Ringnalda verschillende functies binnen de ministerraad. Hij was secretaris van de Algemene Verdedigingsraad en vanaf 1 januari 1968 tevens secretaris van de Raad voor Europese Zaken.
Ringnalda was gehuwd en had vier kinderen. Hij had twee broers. Een van hen was Geb Ringnalda, die betrokken was bij de oprichting van D'66. Geb Ringnalda was in 1967 enige maanden partijvoorzitter van D'66, van februari tot 18 november van dat jaar.
Een van Ringnalda's kinderen was Edith Ringnalda, die later trouwde met schrijver en dichter Simon Vinkenoog. In 2009 reikte zij de Cannabis Cultuurprijs uit aan Dries van Agt. In het verslag van die bijeenkomst werd daarbij verwezen naar de jarenlange samenwerking tussen Van Agt en haar vader op Algemene Zaken.
Ringnalda werd op 28 april 1972 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 29 april 1986 werd hij benoemd tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.