| Abdij van Dielegem | ||||
|---|---|---|---|---|
De abdij van Dielegem in de 17e eeuw. Afbeelding uit de Chorographia Sacra Brabantiae van Antonius Sanderus - 1659 | ||||
| Land | ||||
| Regio | ||||
| Plaats | ||||
| Adres | Jan Tiebackxstraat 14 , Guillaume Belienstraat, Jette | |||
| Coördinaten | 50° 53′ NB, 4° 19′ OL | |||
| Religie | Christendom | |||
| Stroming | Rooms-Katholieke Kerk | |||
| Kloosterorde | Premonstratenzers | |||
| Gebouwd in | ca. 1140 | |||
| Architectuur | ||||
| Stijlperiode | klassieke architectuur | |||
Triptiek van de abdij van Dielegem door de Meester van 1518 | ||||
| ||||
De Abdij van Dielegem of Abdij van Diligem (Frans: Abbaye de Dieleghem) is een voormalige abdij in het noordoosten van de Belgische gemeente Jette. Het voornaamste restant is de beschermde abtswoning uit 1783-1791.

Door toedoen van Onulfus van Wolvertem vestigde zich in de 11e eeuw een gemeenschap van reguliere augustijnerkanunniken in de hoeve Auwderheyden. Hun priorij werd op 14 september 1095 ingezegend door bisschop Walcher van Kamerijk. De akte preciseerde dat het klooster los stond van de parochie Jetta, meteen de oudste vermelding van het dorp.
In 1140 trad de gemeenschap toe tot de premonstratenzers, een incorporatie die in 1145 bisschoppelijk werd bekrachtigd. De streek werd geteisterd door de Grimbergse Oorlogen, wat vermoedelijk reeds omstreeks 1150 leidde tot de verplaatsing van de abdij naar Dielegem. Uiterlijk in 1217 nam de gemeenschap haar huidige naam aan. De kanunniken genoten, mede dankzij een periode van bloei, een aanzienlijke uitstraling in de wijde omgeving en waren lokaal pastoraal actief. Zij bedienden verschillende parochies, waaronder die van Denderleeuw. Ook de macht van de abt nam toe: als lid van de Staten van Brabant werd het dagelijks bestuur van de abdij tijdens zijn abbatiaat vaak waargenomen door een prior. In 1659 wordt de bloeiende abdij door Sanderus vereeuwigd.
Deze bloeiperiode duurde tot in de 18e eeuw. In 1775 verleende het kapittel toestemming voor de uitbreiding van de conventsgebouwen. Onder het abbatiaat van Ferdinand Valvekens (1750-1771) en Jan-Baptist Van den Daele (1771-1789) werden werkzaamheden toevertrouwd aan architect Dewez om de abdij te verfraaien. Dewez, reeds bekend in monastieke kringen, genoot een aanzienlijke reputatie. Vooral de nieuwe abtswoning, met een grote staatsiezaal, werd een hoogtepunt van classicistische architectuur, met fraai uitgevoerde stucwerken en gevels in Dielegemse zandsteen.
De abten waren gemijterde prelaten, de abdij voerde als wapenspreuk: Diligam te Domine.
| Abbatiaat | Naam | |
|---|---|---|
| -1515 | Roland Sanderus | |
| 1515-1512 | Petrus vande Zype | |
| 1512- | Cornelis vander Goes | |
| -1538 | Joannes de Tuegele | |
| 1538- 1540 | Jan vande Putte | |
| 1540 - 1575 | Arnould Mahieu | |
| 1575 - 1602 | Lieven van Cauwenberghe | |
| 1602 - 1623 | Martinus I vanden Hecke | gezegd Heckius |
| 1623 - 1645 | Jan Baptiste de Haseleer | |
| 1645 - 1662 | Martinus II van den Hecke | Cadendo firmo |
| 1662 - 1678 | Cornelis Lambrecht | |
| 1678 - 1680 | Siardus Huenaerts | |
| 1680 - 1689 | Franciscus Kerremans | |
| 1689 - 1720 | Henricus Huys | |
| 1720 - 1744 | Henricus Crockaert | |
| 1744 - 1749 | Henricus van Eesbeeck | |
| 1750 - 1771 | Frans Emmanuel Valvekens | |
| 1771 - 1789 | Jan Baptist vanden Daele | |
| 1784- | Andreas de Maegdt | Afgezet door Franse troepen |

Onder het abbatiaat van Andreas De Maeght werd de abdij tijdens de Franse Revolutie opgeheven: de abt en de kanunniken werden verdreven, en vluchtten naar een eiland voor de Bretoense kust, waarna het gebouwencomplex grotendeels werd vernield en geplunderd. Van de abdij rest enkel nog het classicistische prelaatshuis dat door architect Laurent Benoît Dewez werd ontworpen. De stenen voor dit gebouw werden in nabije groeven ontgonnen (onder andere op de plaats van het huidige Laarbeekbos).
In de 19e eeuw wisselde de woning vaak van eigenaar en van bewoners. Heel even namen Portugese jezuïeten er hun intrek. Dokter Capart kocht het domein in 1896 en bewoonde het met zijn grote familie. In de jaren 20 van de twintigste eeuw werd de abtswoning een tehuis voor mentaal gehandicapte kinderen. In de eerste helft van de 20ste eeuw, wanneer de wijk uitbreiding nam, deed de woning tijdelijk dienst als kapel. Ook jeugdgroeperingen vonden er een onderkomen.
In 1950 werd het gebouw uiteindelijk door de gemeente gekocht en in 1953 beschermd. Pas in 1972 kon de prelaatswoning, na een grondige renovatie, worden heropend. Thans is er het Gemeentelijk Museum van het Graafschap Jette in gevestigd. Het gebouw doet ook dienst als gemeentelijke trouwzaal.