| Dipterus Status: Uitgestorven, als fossiel bekend Fossiel voorkomen: Vroeg- tot Midden-Devoon | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Dipterus Sedgwick & Murchison, 1829 | ||||||||||||||
| Typesoort | ||||||||||||||
| Dipterus valenciennesi † | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Dipterus is een geslacht van uitgestorven vissen uit de onderklasse der longvissen (Dipnoi). De vissen werden ongeveer vijfendertig centimeter lang.
In 1828 benoemden de geologen Adam Sedgwick en Roderick Murchison het geslacht Dipterus met de typesoort Dipterus valenciennesi. De soortaanduiding eert Achille Valenciennes welke expert voor het veerst het materiaal bestudeerde
Dipterus was een kleine vis met een slank lichaam, bedekt door afgeronde, tegelachtige schubben. Het hoofd was smal, de ogen relatief groot, de muil naar voren gericht. De schedel had een ingewikkelde opstelling van kleine botten rond de ogen en kaken. De randen van de kaak waren tandeloos. Net als bij latere longvissen, zaten een paar grote kauwplaten bedekt met zwaar gemineraliseerd dentine in het midden van het verhemelte. Ze dienden waarschijnlijk als brekers van voedsel met harde schaal. Voordien werden kleinere tandachtige structuren gevonden. Dipterus is de oudste longvis met craniale ribben, wat suggereert dat hij al lucht heeft geademd
Beide rugvinnen lagen ver achteraan, net voor de staartvin. De eerste rugvin was kleiner dan de tweede. Beiden zaten op een vlezige steel. De staartvin was heterocercaal, recht voor haar lag een kleine anale vin. De bekken- en borstvinnen waren smal, langwerpig en naar het achtereinde gericht. Het lange centrale deel was gespierd en werd ondersteund door symmetrisch geplaatste botten. Dipterus leefde in zoet water en was carnivoor.

Het uiterst veranderlijke klimaat dat gedurende het Midden- en Boven-Devoon heerste dwong vele waterdieren de periodiek uitdrogende wateren in. Meren droogden snel op om enige tijd later weer overstroomd te worden en vissen met een longademhaling zagen kans daarvan gebruik te maken. Dipterus was daar een van. De zwemblaas, een luchtzak verbonden met de slokdarm, ontwikkelde zich tot een luchtreservoir en stelde de dieren in staat om atmosferische lucht te ademen. Deze ademhaling was zowel in als buiten het water bruikbaar.
Vondsten zijn gedaan in Europa (met name Duitsland en Schotland (Banniskirk Quarry).
Literatuur
Noten