| Duin-eikenbos | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Syntaxonomische indeling | ||||||
| ||||||
| Associatie | ||||||
| Convallario-Quercetum dunense (Van Leeuwen & Doing 1955) Doing 1962 |
Het duin-eikenbos (Convallario-Quercetum dunense) is een associatie uit het zomereik-verbond (Quercion roboris). Het omvat bosvegetatie van oude, ontkalkte of kalkarme duinen. Het duin-eikenbos wordt niet door alle vegetatiekundigen als een aparte associatie beschouwd; het wordt weleens tot de beuken-eikenbossen (Fago-Quercetum) gerekend, of, voor de meeste voedselarme duinbossen, tot de berken-eikenbossen (Betulo-Quercetum roboris).
De wetenschappelijke naam Convallario-Quercetum dunense is afgeleid van de botanische namen van twee kensoorten, het lelietje-van-dalen (Convallaria majalis) en de zomereik (Quercus robur).
Het wordt in de regel hoger dan het duin-berkenbos, tot 20 m hoogte, met in de boomlaag vooral zomereik. In de kruidlaag kan het lelietje-van-dalen plaatselijk grote oppervlakten innemen, maar is ook vaak afwezig.
Het duin-eikenbos is te vinden op zandige, oligotrofe bodems in oude duinen. Het ontstaat uit het duin-berkenbos door verdere verdroging en ontkalking.


De associatie heeft zelf geen kentaxa. In de onderstaande tabel staan de belangrijkste diagnostische plantentaxa voor Nederland en Vlaanderen.
| Kentaxon | Diff.soort | Presentie | Nederlandse naam | Wetenschappelijke naam | Opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| Boomlaag | |||||
| zomereik | Quercus robur | ||||
| Struiklaag | |||||
| - | |||||
| Kruidlaag | |||||
| lelietje-van-dalen | Convallaria majalis | ||||
| wilde kamperfoelie | Lonicera periclymenum | ||||
| duinriet | Calamagrostis epigejos | ||||
| valse salie | Teucrium scorodonia | ||||
| Moslaag | |||||
| - | |||||
In Nederland wordt het duin-eikenbos vrij algemeen aangetroffen in de Hollandse duingebieden, en sporadisch op de Waddeneilanden.
In Vlaanderen zijn kalkarme of sterk ontkalkte duinen zeldzaam, zodat het duin-eikenbos hier niet wordt onderscheiden.