Edict van Potsdam

Titelpagina van het Edict van Potsdam

Het Edict van Potsdam, ook wel Tolerantie-edict van Potsdam genoemd, was een tolerantie-edict dat keurvorst Frederik Willem I van Brandenburg op 29 oktober 1685 uitvaardigde ten gunste van Franse hugenoten die door het intrekken van het Edict van Nantes hun godsdienstvrijheid kwijtraakten.

Achtergrond

Aanleiding voor het edict was de heropgeleefde vervolging van de protestantse hugenoten in Frankrijk, nadat het Edict van Fontainebleau het tolerantie-edict van Nantes had ingetrokken. Dat edict was op 18 oktober 1685 uitgevaardigd door de Franse koning Lodewijk XIV. Het Edict van Potsdam kwam vervolgens tot stand onder belangrijke betrokkenheid van de theoloog Jacques Abbadie [en]. Tussen de 140.000 en 200.000 hugenoten verlieten Frankrijk in de twee daaropvolgende decennia; ongeveer 10% van de Franse protestanten en iets minder dan 1% van de bevolking van het toenmalige Frankrijk.

De keurvorst was zelf calvinist, in tegenstelling tot de evangelisch-lutherse meerderheid van de bevolking in Brandenburg. Hij bood zijn geloofsgenoten, de hugenoten, die in Frankrijk om hun religie werden vervolgd, vrije en veilige vestiging in Brandenburg aan. Hen werd "eine sichere und freye Retraite in alle unsere Lande und Provincien in Gnaden" gegarandeerd. Het edict bood de Franse protestanten een vrijgeleide naar Brandenburg, een belastingvrijstelling van tien jaar, een scheidsrechter voor de Franse gemeenschappen en toestemming om hun godsdienst in hun moedertaal te belijden.

Het edict werd onmiddellijk clandestien verspreid in Frankrijk, Zwitserland en Frankfurt, een doorgangsplaats voor vluchtelingen, met als doel deze hugenootse bevolkingsgroepen ertoe aan te zetten zich te vestigen in gebieden die soms zwaar door de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) waren getroffen en die gedeeltelijk voor 40 tot 60% ontvolkt waren. Daarnaast probeerde men de immigranten te sturen naar specifieke economische activiteiten die men wilde ontwikkelen. Ongeveer 20.000 mensen gaven gehoor aan het aanbod. Het Edict van Potsdam droeg er in belangrijke mate toe bij de economie van het door de Dertigjarige Oorlog verwoeste Brandenburg nieuw leven in te blazen, en legde daarmee de basis voor de opkomst van Brandenburg-Pruisen.

Hoewel Brandenburg voor de Franse hugenoten niet een voor de hand liggende bestemming was, gezien de grote afstand en het taalkundige en culturele contrast met Frankrijk, vestigden zich tussen 1685 en 1731 20.000 Franse protestanten in Brandenburg, verspreid over 48 hugenotenkolonies. De grootste bevond zich in Berlijn: in 1698 woonde 50% van de hugenoten die naar Brandenburg waren gevlucht in deze stad (bijna 6.000 vluchtelingen van de toenmalige 11.500). De andere kolonies waren veel kleiner: alleen Maagdenburg passeerde in 1720 de grens van 2.000 leden, terwijl elders, in de havensteden Stettin of Koningsbergen, in de landelijke gebieden van de Uckermark of Gumbinnen, de Franse kolonies niet meer dan duizend leden telden. Door de hugenoten die zich in Berlijn vestigden, nam het inwonertal met een derde toe.

Evenals bij de opname van de in 1671 uit Wenen verdreven joden [de] hoopte Frederik Willem dat de immigranten een economische opleving zouden brengen in Brandenburg. Die hoop werd bewaarheid. De hugenoten in Brandenburg brachten de staat zowel een economische als een geestelijke bloei. Zo werd in 1689 in Berlijn al het Französisches Gymnasium geopend, dat immigranten en gevestigde inwoners een tot dan toe ongekend uitgebreide opleiding bood. Berlijn ontwikkelde zich tot een centrum van de literatuur binnen Brandenburg-Pruisen, met uitstraling tot ver over de staatsgrenzen heen.