
Elsa Jacqueline Barraine (Parijs, 13 februari 1910 - Straatsburg, 20 maart 1999) was een Franse componist in de periode na het neoclassicisme van Le Six, Maurice Ravel en Igor Stravinsky. Hoewel Barraine wordt gezien als een van de voortreffelijkste Franse componisten van rond 1950 wordt haar muziek zelden nog uitgevoerd. In 1929 kreeg ze de Prix de Rome voor haar La vierge guerrière, een religieuze trilogie over Jeanne d'Arc. Ze was de vierde vrouw die ooit deze prijs won, na Lili Boulanger (1913), Marguerite Canal (1920) en Jeanne Leleu (1930).

Barraine werd op 13 februari 1910 geboren in Parijs. Ze was de dochter van Alfred Barraine, een cellist aan het Opéra de Paris, en Madame Barraine. Ze begon al op vroege leeftijd met pianolessen. Barraine studeerde compositie aan het conservatorium van Parijs bij Paul Dukas. Enkele andere studenten van Dukas waren Yvonne Desportes, Maurice Duruflé, Claude Arrieu en Olivier Messiaen. Barraine en Messiaen waren goede vrienden en onderhielden levenslang contact met elkaar.
Op 15-jarige leeftijd won Barraine de eerste prijs voor harmonie aan het conservatorium (1925). Later won ze deze opnieuw voor fuga en begeleiding (1927). In 1929 kreeg ze de Prix de Rome voor haar cantate La vierge guerrière. Ze was de vierde vrouwelijke winnaar van deze prijs sinds het begin in 1803. Het werk Harald Harfagard (1930), symfonische variaties op de poëzie van Heinrich Heine, was de eerste compositie waarmee Barraine publieke bekendheid kreeg. Dit was het eerste werk waarvoor Barraine inspiratie haalde uit literatuur. Andere zijn Avis (1944) en L’homme sur terre (1949), beide gebaseerd op teksten van Paul Éluard.
Van 1936 tot 1940 werkte Barraine bij de Franse Nationale Radio als pianist, geluidstechnicus en zangleider. Na Wereldoorlog II werkte ze er als geluidsmixer. Tijdens de oorlog had Barraine nauwe banden met de Résistance. Ze was lid van het Front National des Musiciens, een verzetsgroep die bestond uit musici. Van 1944 tot en met 1947 was ze opnamedirecteur bij het platenlabel Le Chant du Monde. In 1953 ging Barraine lesgeven aan het conservatorium van Parijs. Ze gaf er muziekanalyse en zichtlezen tot in 1972. In datzelfde jaar benoemde het Franse ministerie van cultuur haar tot beheerder van alle Franse nationale muziektheaters.
Volgens James Briscoe in zijn New Historical Anthology of Music by Women "bekoort de muziek van Elsa Barraine diens luisteraars dankzij een contrapuntuele onafhankelijkheid van lijn, virtuositeit en expressieve intensiteit via een motivische en ritmische drive." Dankzij haar studies met Dukas en de muzikale invloed van Claude Debussy ontwikkelde Barraine ook een heel sterk gevoel voor klankkleur, waardoor zij haar timbres heel resultaatgericht inzette. Ze maakte gebruik van klassieke muziekvormen in haar werk en schreef doorgaans tonale muziek. Een uitzondering is haar kamermuziekwerk Musique rituelle (1967) voor orgel, gong, en xylorimba. Dit werk maakt gebruik van het serialisme en is geïnspireerd op het Tibetaans dodenboek.
De auteurs van de The Norton/Grove Dictionary of Women Composers schrijven het volgende: "Doordat zij enorm gevoelig was voor de enorme omwentellingen van haar tijd, was Barraine niet in staat haar creatieve processen los te koppelen van haar persoonlijke, humanistische, politieke, en sociale bezigheden." Net zoals haar tijdgenoten van La Jeune France, waaronder André Jolivet, Olivier Messiaen, Jean-Yves Daniel-Lesur en Yves Baudrier, streefde ze ernaar het humanisme opnieuw te introduceren in de muziekwereld. Muziek was toen namelijk een kunstvorm die steeds abstracter werd.
Terwijl een aantal van haar composities zich uitspreekt over specifieke sociale en politieke zaken, onderzoeken andere bepaalde emoties of psychologische situaties. Voorbeelden van sociaal-politiek getinte werken zijn Claudine à l’école (1950), een ballet gebaseerd op het gelijknamige boek van Colette dat de vrouwelijke seksualiteit exploreert, en haar anti-fascistisch symfonisch gedicht Pogromes (1933).
Een emotioneel-psychologische compositie is het programmatische houtblazerskwintet Ouvrage de Dame (1931 (uitgegeven door A.J.Andraud, 1939). Dit kwintet bestaat uit vijf bewegingen: een thema en zeven variaties. De variaties zijn genoemd naar fictieve vrouwen met verschillende persoonlijkheden ("Angélique ; Berthe, aux sonorités dures ; Irène, sinueuse ; Barbe, fugato burlesque ; Sarah ; Isabeau de Bavière, avec son chapeau conique et son voile flottant ; Léocadie, vieille fille sentimentale du temps jadis"). Barraine karakteriseert de verschillende temperamenten van de zeven vrouwen door het gebruik van klankkleuren.
Hoewel ze verscheidene prestigieuze prijzen kreeg, stuitte Elsa Barraine veel op seksisme gedurende haar carrière. Muziekrecensist René Dumesnil is een veel voorkomend persoon in deze context. Volgens Karin Pendle had de man, zoals vele anderen een soort van misgunnend respect voor Barraine. Vrouwelijke componisten werden erkend zolang zij zichzelf maar tevreden stelden met vrouwelijke muziek. Dumesnil beschreef Barraine's collega Jeanne Leleu ooit als iemand die een "kracht die men maar zelden tegenkomt in het werk van vrouwen" bezat. Aan Barraine refereerde hij als "de auteur van mooi georkestreerde melodieën".
Elsa Barraine was actief lid van het Front National des Musiciens. Dit was een organisatie van musici die deelnam aan het Franse verzet tegen de Duitse bezetting tussen 1940 en 1944. De doelen van de organisatie, zoals beschreven in haar krant Musiciens d’Aujourd’hui, was concerten voor nieuwe en verbannen Franse muziek te organiseren, Joodse muzikanten te ondersteunen door hen te voorzien van geld en onderdak, anti-Duitse en anti-collaborateur protesten te organiseren en zich te engageren voor alle vormen van muzikale rebellie. Dirigent Roger Désormière, Le Six lid Louis Durey en Barraine publiceerden samen een manifest ter bescherming van de Franse muziek en tegen collaboratie met de nazi's. Barraine was zelf van Joodse afkomst.