| Fagus | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bladeren van de beuk (Fagus sylvatica) | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| geslacht | ||||||||||||||||
| Fagus L. (1753) | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Fagus is de botanische naam van een geslacht van loofbomen. Hiervan komt in Nederland en België de beuk (Fagus sylvatica) voor. Soms wordt het woord "beuk" in een ruimere betekenis gebruikt, zie bijvoorbeeld haagbeuk en hopbeuk. Bomen met dergelijke namen zijn niet noodzakelijkerwijs nauw verwant.
Het geslacht Fagus telt ongeveer vijftien soorten bomen. Ze komen van nature voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond. De bladeren zijn geheel of gedeeltelijk getand, en variëren in lengte van 5-15 cm en in breedte van 4-10 cm. De bloemen zijn eenslachtig. Bestuiving vindt door de wind plaats. De nootjes zijn eetbaar (in kleine hoeveelheden), maar bitter door het hoge gehalte aan tannine.
Het geslacht kreeg officieel de wetenschappelijk naam Fagus van Carl Linnaeus in 1753. Linnaeus citeert daar onder soort nummer 3 (Fagus sylvatica) Gaspard Bauhins Pinax p. 419 voor de naam Fagus. Bauhin verwijst daar op zijn beurt naar Theophrastus, en de naam was dus al zeker 300 jaar voor het begin van onze jaartelling in gebruik bij de Grieken en Romeinen. De naam is het Latijnse woord voor 'beuk'. Eén veronderstelling is dat het als leenwoord in het Latijn is terechtgekomen via het Oudgriekse φαγειν (fagein, 'eten'), verwijzend naar de eetbare beukennootjes. Een andere veronderstelling is dat het direct uit het Proto-Indo-Europees afkomstig is, en dat het Oudgriekse woord voor 'eik' (φηγος of φαγος; phēgós of phagos) dezelfde stam heeft als het Latijnse 'fagus'. Dat woord zou dan *bʰeh₂ǵos of *bhag- (beuk) zijn geweest, en ook de stam van het Germaanse 'buch' en 'beuk'.