Fietsverlichting

Koplamp
Achterlicht met leds, los te dragen of aan de fiets te bevestigen
Fietsspatbord met ingebouwd achterlicht
Oude koplamp voor de fiets met carbid als brandstof

Fietsverlichting bestaat uit lampen die op een fiets zijn aangebracht. Fietsverlichting heeft twee functies:

  1. de fietser zichtbaar maken voor andere weggebruikers, vaak bij schemer en duisternis;
  2. de weg voor de fietser zichtbaar maken op slecht verlichte of onverlichte wegen en paden.

Fietsverlichting moet bestaan uit een witte of gele lamp aan de voorkant van de fiets, de zogeheten koplamp, en een roodgekleurd licht aan de achterkant, het zogeheten achterlicht.

Een koplamp met voldoende vermogen vergroot het zicht vóór de fiets. Doordat het achterlicht een andere kleur heeft dan de koplamp kunnen andere weggebruikers de voorkant van de fiets onderscheiden van de achterkant. Reflecterende materialen vergroten de zichtbaarheid van de fiets in de duisternis; zij vallen echter niet onder de wettelijke beschrijving van fietsverlichting.

Uitvoering

De klassieke koplamp is met een lamphaak op de bovenzijde van het balhoofd gemonteerd. Deze plaatsing is hinderlijk als er aan de voorkant een bagagedrager is of als er een mand aan het stuur hangt. Andere plaatsingen zijn: naast de voorvork bij de dynamo en aan de voorkant van de bagagedrager. Kiest men voor die andere plaatsing, dan mag de lamphaak niet zonder meer verwijderd worden, omdat het balhoofd dan niet goed meer vastgeschroefd kan worden en speling vertoont.

Tegenwoordig wordt een fietslamp vaak op de vorkkroon gemonteerd. Men ziet ook geïntegreerde fietslampen: deze zijn ofwel ingebouwd op de punt van het voorspatbord, ofwel als onderdeel van de voorvork op de vorkkroon of ingebouwd in de balhoofdbuis.

In al deze gevallen, behalve het laatste, draait de lamp mee als er aan het stuur wordt gedraaid.

Het achterlichtje moest voorheen op het achterspatbord bevestigd worden. Zo produceerde Gazelle reeds spatborden met ingebouwd achterlicht. Als er een bagagedrager aanwezig is bevindt het achterlicht zich tegenwoordig hoger: in de holte tussen de bagagedrager en het spatbord. Dit achterlicht wordt gecombineerd met een rode reflector.

Typen van verlichting

De koplamp en het achterlicht bestaan uit een gloei- of ledlampje dat als lichtbron in een behuizing zit. Als gloeilamp wordt vaak een halogeenlamp gebruikt.

Tegenwoordig wordt er vaker ledverlichting gebruikt. Bij dit type verlichting zitten er vaak meerdere lampjes in een behuizing. De fietsverlichting zit direct in of aan de fiets bevestigd of wordt bij sommige ledverlichtingen "los" op de fiets bevestigd.

De stroomvoorziening van de fietsverlichting komt meestal ofwel van een fietsdynamo, ofwel van batterijen of accu's. Dynamo's zijn er in twee soorten: de dynamo met aandrijving via het wiel, en de tegenwoordig veel gebruikte naafdynamo die in de voornaaf zit ingebouwd. Het oudere type dynamo wordt aangedreven door een van de wielen en zal zo de benodigde stroom opwekken. Dynamo's met aandrijving via het wiel hebben enkele nadelen:

Naafdynamo's zijn zeer betrouwbaar en ongevoelig voor weersomstandigheden. Ze werken geluidloos en geven geen merkbare weerstand tijdens het fietsen.

De los gedragen ledverlichting werkt met batterijen. Voordeel van deze verlichting is dat deze nauwelijks kapotgaat en blijft branden als de fiets stilstaat. Ook is deze verlichting minder kwetsbaar omdat er geen bedrading nodig is. Er zijn wel enkele punten van zorg:

Moderne koplampen op dynamo hebben vaak een zeer krachtige led en presteren dan beter dan halogeenlampen. Omdat ledlampen veel groen en blauw licht geven kun je er ook veel verder mee zien in het donker. De staafjes in het menselijk oog die voor het nachtzicht zorgen zijn voor die kleuren zeer gevoelig.

Zichtbaarheid

In wet- en regelgeving (art. 35 en 35a RVV) wordt geen minimale lichtsterkte voorgeschreven. Woorden zoals 'helder', 'duidelijk' of 'deugdelijk' komen in de wet niet voor. De wet eist enkel dát er licht gevoerd wordt.

De meesten vinden dat ze zichtbaar zijn als ze zelf nog wat kunnen zien. Deze benadering is niet toereikend, vooral niet bij mensen met goed nachtzicht. Ouderen en nachtblinden zien minder, en de verschillen kunnen enorm zijn. De ervaring leert dat er relatief veel en ernstige ongevallen plaatsvinden tijdens de late schemering. Ook het donker is een gevaarlijke periode.

Daarbij kent ook goed nachtzicht aanzienlijke beperkingen. Enkele daarvan zijn:

  1. Je ziet minder scherp naarmate het donkerder is: bij duisternis wordt je beeld korrelig;
  2. Je ziet geen kleuren. Met name rood is in het donker niet zichtbaar (de staafjes zijn daar ongevoelig voor);
  3. De ogen werken trager naarmate het donkerder wordt. Bij zeer donkere omstandigheden heb je al gauw een halve tot een volledige seconde nodig om een object te onderscheiden (even kijken is dus niet genoeg). Ook worden bewegingen in het donker minder goed en soms zelfs niet waargenomen;
  4. Aanpassing aan het donker duurt al gauw enkele minuten (oplopend tot 20 minuten). Het effect van verblinding kan daardoor gevaarlijk lang aanhouden;
  5. Felle lichtbronnen werken verblindend waardoor donkere objecten in de nabijheid niet meer zichtbaar zijn. Zo is een onverlichte fietser naast een fietser met fel licht totaal onzichtbaar voor de tegenliggers.

Het vermogen om in te spelen op plotselinge veranderingen is bij duisternis dus veel minder dan overdag.

Men is pas goed zichtbaar als men in enkele tienden van een seconde duidelijk opgemerkt wordt. Dat is namelijk de tijd die weggebruikers nodig hebben om in een bepaalde richting te kijken. Voor- en achterlicht moeten daarom opvallen naast glimmende objecten in het licht van een straatlantaarn. Ook dienen voor- en achterlamp voldoende zijwaarts licht te geven.

Tegemoetkomend verkeer moet de afstand en de snelheid van de fiets kunnen inschatten. Op onverlichte wegen lukt dat alleen als de lichtplek van de bundel op de weg duidelijk zichtbaar is. Is dat niet het geval, dan zal de automobilist groot licht moeten gebruiken. Goede verlichting heeft het voordeel dat anderen meer rekening met je houden (bijvoorbeeld voorrang geven en dimmen). Dat is niet alleen prettiger, maar ook veiliger.

Zichtbaarheid betekent ten slotte dat je andere weggebruikers niet verblindt. In dat geval kunnen ze niet inschatten waar zij zelf zijn en waar de ander zich bevindt, met alle risico's van dien. Met de komst van felle ledverlichting komt dit inmiddels wel vaak voor.

Zicht

Moderne koplampen kunnen door de ontwikkeling van hoogwaardige halogeen- en ledverlichting in het donker het weggedeelte voor de fiets goed beschijnen. Fietsverlichting met gewone gloeilampjes of laagwaardige ledlampjes biedt de fietser hooguit matig en soms zelfs geheel geen zicht op de weg voor hem zelf, en dient dan alleen maar om zichtbaar te zijn voor de overige weggebruikers.

De maximale gevoeligheid voor licht ligt voor de kegeltjes (dagzicht) bij het geel, maar voor de staafjes (nachtzicht) bij blauwgroen. Ledverlichting heeft daar een veel hogere opbrengst en geeft beter zicht op de weg dan halogeenverlichting met hetzelfde vermogen.

Voor goed zicht in het donker op een onverlichte weg gelden enkele aanbevelingen met betrekking tot zicht en oriëntatie:

Levensduur en vervangbaarheid van de lichtbron

Ledverlichting gaat qua levensduur van de lichtbron het langst mee, maar bij een kapotte lichtbron in de behuizing is deze niet tot nauwelijks geschikt om los te vervangen. Gloeilampjes zijn vervangbaar doordat ze een fitting hebben. Hoogwaardige ledlampjes kunnen tienduizenden branduren meegaan. De halogeenlampjes voor de fietsverlichting gaan over het algemeen met 50 tot 100 branduren relatief kort mee.

Automatische fietsverlichting

Bij automatische fietsverlichting is er een lichtsensor ingebouwd waarmee de verlichting zichzelf aanzet. Daarbij kunnen met name dynamo-aangedreven koplampen standlicht hebben zodat de fietsverlichting, meestal nog enige minuten in afgezwakte vorm, blijft branden. Bij achterlichten kan dit ook aanwezig zijn. Bedenk wel dat het batterijverbruik beduidend hoger is in de automatische stand.

Voorschriften in Nederland

Volgens artikel 35 RVV moeten fietsers tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, voor- en achterlicht voeren. Volgens artikel 92 RVV is het overtreden van deze regel een strafbaar feit. Regelmatig houdt de politie acties waarbij een groot aantal bekeuringen voor fietsen zonder licht wordt uitgedeeld. Toch blijft een groot deel van de fietsers in Nederland zonder verlichting rijden.[bron?]

Knipperende verlichting is wettelijk niet toegestaan. In de praktijk knippert fietsverlichting vaak, niet alleen doordat de verlichting zo gefabriceerd is, maar ook doordat de dynamo slecht functioneert.

Over het algemeen zijn de voorschriften voor fietsverlichting minder streng dan voor motorvoertuigen:

Er wordt weleens beweerd dat fietsverlichting op batterijen niet toegestaan is. Dat is een misvatting. Wel gold tot 2008 dat fietsverlichting zich op de fiets moest bevinden. Tegenwoordig zijn lampen op de kleding van de fietser ook toegestaan.

Meer verlichting aan de voorkant van de fiets is alleen toegestaan wanneer de fiets twee voorwielen heeft. Dan is het toegestaan om twee voorlichten te hebben.

Wijzigingen van de voorschriften sinds 1 november 2008

Het voorschrift dat de verlichting aan de fiets zelf moet zijn bevestigd en niet afgeschermd mag zijn, is vervallen. Daarvoor in de plaats zijn deze regels gekomen:

  • De fietsverlichting mag niet of nauwelijks bewegen ten opzichte van fiets, rug of borst;
  • Het voorlicht moet voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomend verkeer;
  • Het achterlicht moet voortdurend zichtbaar zijn voor achteropkomend verkeer;
  • Het voorlicht mag door de bestuurder ook op de borst geplaatst worden;
  • Het achterlicht mag door de fietser of passagier ook op de rug bevestigd worden;
  • Het verplichte keurmerk voor het achterlicht vervalt.

Reflecterende materialen

Naast verlichting is in Nederland ook het gebruik van reflecterende materialen verplicht. Op de wielen dient aan de zijkanten wit of geel reflecterend materiaal te zijn aangebracht en op de (achterste) bagagedrager of het achterspatbord is een rode reflector verplicht. Bovendien dient de fiets voorzien te zijn van geel reflecterende pedalen; deze vergroten de herkenbaarheid van de fiets aan de voor- en achterzijde. Het is toegestaan daarnaast andere reflectoren te gebruiken, bijvoorbeeld op de fietstas en aan de voorkant van de fiets (hier moet wit of geel worden gebruikt).

Zie ook

Noten

  1. ↑ Wat zijn de regels voor fietsverlichting en reflectie op een fiets?, Rijksoverheid. Gearchiveerd op 27 juni 2022.
  2. ↑ Artikel in de Vogelvrije Fietser nr. 5 - 2008 (pdf), publicatie van de Fietsersbond)
Zie de categorie Fietsverlichting van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.