| Filips II | ||
|---|---|---|
| 1527–1598 | ||
Filips II van Spanje door Sofonisba Anguissola, 1573 | ||
| Koning van Spanje Koning van Sicilië Koning van Sardinië | ||
| Periode | 1556–1598 | |
| Voorganger | Karel V | |
| Opvolger | Filips III | |
| Koning van Portugal | ||
| Periode | 1580–1598 | |
| Voorganger | Hendrik | |
| Opvolger | Filips II | |
| Hertog van Luxemburg | ||
| Periode | 1555–1598 | |
| Voorganger | Karel V | |
| Opvolger | Isabella en Albrecht | |
| Prins van Asturië | ||
| Periode | 1528–1556 | |
| Voorganger | Karel I | |
| Opvolger | Carlos | |
| Heer der Nederlanden | ||
| Periode | 1555–1598 In 1581 afgezworen door de opstandige gewesten | |
| Voorganger | Karel V | |
| Opvolger | Isabella en Albrecht | |
| Koning van Engeland en Ierland, samen met Maria I | ||
| Periode | 1554–1558 | |
| Voorganger | Maria I | |
| Opvolger | Elizabeth I | |
| Koning van Napels | ||
| Periode | 1554–1598 | |
| Voorganger | Karel V | |
| Opvolger | Filips III | |
| Familie | ||
| Geboren | 21 mei 1527 Palacio de Pimentel, Valladolid | |
| Overleden | 13 september 1598 Het Escorial, San Lorenzo de El Escorial | |
| Vader | Karel V | |
| Moeder | Isabella van Portugal | |
| Dynastie | Spaanse Habsburgers | |
| Handtekening Koninklijk wapen vanaf 1580, met de Portugese wapens | ||
Filips II (Valladolid, 21 mei 1527 – San Lorenzo de El Escorial, 13 september 1598) was heerser over Castilië en Aragón (deze grondgebieden lagen op het Iberisch schiereiland en werden samen Spanje genoemd), Napels, Sicilië, de Spaanse Nederlanden en Portugal. De grondgebieden waren in één hand gekomen door verschillende personele unies, daarom had Filips als heerser over de verschillende grondgebieden, dynastiek verschillende volgnummers. In de Nederlanden is hij het bekendst onder de naam Filips II, die verwijst naar zijn koningschap over Castilië. Ook is een gebruikelijke benaming koning van Spanje, die slechts een klein deel van de grondgebieden beschrijft waarover hij het gezag had.
Filips regeerde ook over de Spaanse overzeese bezittingen in Amerika en Azië. In 1580–1581 verwierf hij de Portugese kroon en daarmee het gezag over het Portugese koloniale rijk. Zijn regering werd gekenmerkt door de verdediging van het katholicisme, oorlogen tegen het Ottomaanse Rijk en conflicten in de Nederlanden, Engeland en Frankrijk.
Door zijn huwelijk met Maria I van Engeland was hij van 1554 tot haar dood in 1558 ook koning van Engeland. Het huwelijk bleef kinderloos. Uit zijn eerste huwelijk was zijn zoon Carlos geboren, die in 1568 overleed. Uit zijn vierde huwelijk werd zijn uiteindelijke opvolger Filips III geboren.
Onder Filips II bleef de Spaanse monarchie een belangrijke Europese mogendheid. De langdurige oorlogen legden een zware druk op haar financiën; bij zijn dood waren de conflicten met Engeland en de opstandige Nederlandse gewesten nog niet beëindigd.

Filips was de oudste zoon van keizer Karel V, die als Karel I koning van Spanje was, en Isabella van Portugal. Via zijn moeder was hij een kleinzoon van Manuel I van Portugal en Maria van Aragón. Hij werd op 21 mei 1527 geboren in het Palacio de Pimentel in Valladolid. Op 19 april 1528 werd hij door de Cortes van Castilië in Madrid als erfgenaam beëdigd.
Zijn moeder hield toezicht op zijn vroege opvoeding, waarbij Inés Manrique de Lara en Leonor de Mascarenhas een belangrijke rol speelden. Karel V verbleef geregeld buiten Spanje. In 1533 werd Filips ridder van het Gulden Vlies.
In 1534 werd Juan Martínez Silíceo zijn leermeester. Een jaar later kreeg de prins een eigen hofhouding onder leiding van Juan de Zúñiga y Avellaneda, die verantwoordelijk was voor zijn militaire en hoofse vorming. Zijn moeder overleed op 1 mei 1539, toen Filips bijna twaalf jaar oud was.
In 1541 werd Filips' onderwijs hervormd. Silíceo werd als leermeester vervangen door een groep humanisten, onder wie Juan Cristóbal Calvete de Estrella. Zijn opleiding kreeg daarmee een sterker humanistisch karakter en werd in 1545 afgesloten.
Filips kreeg onderwijs in Latijn en Grieks en maakte kennis met klassieke literatuur, geschiedenis en aardrijkskunde. Calvete kocht boeken voor zijn opleiding. Karel V bleef echter bezorgd over de vorderingen van zijn zoon in het Latijn en liet ook andere geleerden, onder wie Honorato Juan en Juan Ginés de Sepúlveda, bij zijn vorming betrekken.
In 1541 kondigde Karel V aan dat Filips zou trouwen met Maria Emanuela van Portugal, een dochter van Karels zuster en Isabella's broer en daarmee zijn volle nicht van zowel vaders- als moederszijde. Het huwelijk werd in 1543 voltrokken. Op 8 juli 1545 werd hun zoon Carlos geboren. Maria Emanuela overleed vier dagen later.
Toen Karel V in 1543 Spanje verliet, stelde hij Filips aan als regent. Hij gaf zijn zoon schriftelijke instructies voor het bestuur en liet hem ondersteunen door ervaren raadgevers, onder wie Francisco de los Cobos en de hertog van Alva.
Toen Filips in 1554 naar Engeland vertrok, nam zijn zuster Johanna tijdens zijn afwezigheid het regentschap in Spanje over.

Op 25 juli 1554 trouwde Filips in Winchester met Maria I van Engeland. Karel V had het huwelijk met de Engelse koningin onderhandeld. Door het huwelijk kreeg Filips de titel koning van Engeland en Ierland, maar het huwelijksverdrag beperkte zijn bevoegdheden. Maria behield de zeggenschap over benoemingen in openbare ambten; bij haar overlijden zou Filips geen zelfstandig recht op de Engelse troon hebben.
Filips verliet Engeland in 1555 en vertrok naar de Nederlanden. In maart 1557 keerde hij terug om Engelse steun te verkrijgen voor de oorlog tegen Frankrijk. Engeland verklaarde Frankrijk in juni van dat jaar de oorlog. In januari 1558 veroverden de Fransen het Engelse Calais.
Tijdens het gezamenlijke koningschap van Maria I en Filips werden in Engeland de wetten tegen ketterij opnieuw toegepast. Tussen 1555 en 1558 werden ongeveer 280 protestanten wegens ketterij op de brandstapel gebracht. In 1556 werd ook Thomas Cranmer, aartsbisschop van Canterbury, op de brandstapel terechtgesteld. De vervolgingen leverden Maria de bijnaam Bloody Mary op.
Filips steunde het herstel van de katholieke eredienst en de erkenning van het pauselijke gezag in Engeland. Zijn raadgever Bartolomé Carranza speelde daarbij tussen 1554 en 1557 een belangrijke rol. Hij werkte samen met kardinaal Reginald Pole en was ook betrokken bij de vervolging van protestanten.
Het huwelijk bleef kinderloos. Maria overleed op 17 november 1558 en werd opgevolgd door haar halfzuster Elizabeth I. Daarmee eindigde Filips' Engelse koningschap. Hij deed vervolgens een huwelijksaanzoek aan Elizabeth, maar daaruit kwam geen huwelijk voort.
Na zijn neef en nieuwe zwager Maximiliaan te hebben ingewijd in Spaanse staatszaken, verliet Filips in oktober 1548 voor het eerst Spanje en vertrok op zijn 'Grand tour'. Van Valladolid naar Barcelona en per galei naar Genua, dan over land naar Milaan, Mantua, Trente, Innsbruck, München, Donauwörth, Heidelberg, Luxemburg en Brussel (aankomst 1 april 1549).
In 1549 was hij vanaf 17 maart een aantal maanden in de Nederlanden geweest, om er op uitnodiging van zijn vader met zijn toekomstige onderdanen te komen kennismaken.

In juli en augustus 1549 bezocht Filips met zijn vader de zuidelijke provincies van de Nederlanden (Vlaanderen, Artesië, Henegouwen en Brabant; de steden: Gent, Brugge, Ieper, Gravelines, St Omer, Lille, Tournai, Douai, Arras, Cambrai, Avesnes, Binche, Mons, Soignies) en in september en oktober de noordelijke provincies (Holland, Utrecht, Overijssel en Gelderland; de steden: Mechelen, Antwerpen, Bergen, Breda, 's-Hertogenbosch, Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Utrecht, Amersfoort, Kampen, Zwolle, Zutphen, Arnhem, Roermond). Tijdens zijn tour door de noordelijke provincies leerde Filips Willem van Oranje, de graven Egmont en Horne en de bisschop van Arras, Antoine Perrenot de Granvelle, kennen.
Filips bracht de winter van 1549/50 in Brussel door en was meer dan een jaar in de Nederlanden, waarna hij zijn vader vergezelde naar Augsburg. Hij verbleef daar tien maanden, at, dronk, streed in toernooien, jaagde en sprak met lutheranen, waarna hij naar Spanje vertrok, vanaf Innsbruck dezelfde weg terug.
In juni 1551 ontmoette Filips in Trente diegenen die zich verzameld hadden voor de tweede sessie van het Algemene Concilie van de Kerk (Concilie van Trente), waar een grote Spaanse delegatie aan meedeed. Velen van hen kwamen later bij Filips in dienst: dr. Martín de Velasco, bisschop Alvaro de la Quadra, broeders Alonso de Castro, Bartolomé Carranza en Diego de Chaves (Filips' biechtvader van 1578 tot 1592). In juli 1551 vertrok Filips weer per schip naar Spanje. Maximiliaan en Maria vertrokken weer naar Duitsland met hun kinderen, waaronder Anna, die later Filips' vierde vrouw zou worden.
In 1555 volgde hij zijn vader op als heer der Nederlanden. Anders dan zijn in Gent geboren en in Mechelen opgegroeide vader had hij geen persoonlijke band met de Nederlanden. Hij verfoeide merkbaar de vrijmoedigheid en ongedwongen houding van de bewoners en hun bestuurders.
Tussen Filips en de Nederlandse adel boterde het niet erg. Filips maakte liever gebruik van raadgevers die niet uit de Nederlanden kwamen zoals de Portugese edelman Ruy Gómez de Silva, de Spaanse hertog van Alva en de Bourgondische Antoine Perrenot de Granvelle, die zijn vader al had gediend. Van hen was Ruy Gómez Filips' voornaamste adviseur. Filips vertrok in 1559 naar Spanje en keerde niet meer naar de Nederlanden terug. Volgens een door de historicus J.L. Motley weergegeven verhaal zou Filips bij zijn vertrek uit de Nederlanden in 1559 Willem van Oranje hebben verweten dat deze achter het optreden van de Staten zat. Toen Willem naar de Staten verwees, zou Filips hebben geantwoord: „Niet de Staten, maar gij, gij, gij!” Ze zouden elkaar nooit meer zien.
De Spaanse troon verkreeg hij door troonsopvolging nadat zijn vader in 1556 als koning van Spanje afgetreden was. Daarnaast verkreeg hij Franche-Comté en grote delen van Italië, die economisch strategisch op een doorgaande handelsroute door de Middellandse Zee lagen. Hun geografische positie droeg er aan bij, dat de koning van Frankrijk, Hendrik II van Frankrijk, zich in een militair ondergeschikte positie bevond, de gebieden maakten een militaire omsingeling door de Habsburgers mogelijk.
Tijdens bijna zijn hele bewind viel zijn grootste rivaal Frankrijk ten prooi aan godsdiensttwisten (de Hugenotenoorlogen). Bij de Slag bij Saint-Quentin op 10 augustus 1557 (juliaanse kalender) werd een beslissende Spaanse overwinning behaald op Frankrijk tijdens de Italiaanse Oorlogen, die reeds tientallen jaren werden gevoerd. De oorlog werd in 1559 beslecht met de Vrede van Cateau-Cambrésis. Als onderdeel van het vredesverdrag huwde Filips met de 14-jarige dochter van de Franse koning Hendrik II, Elisabeth van Valois. Zij was eerder beloofd geweest aan Filips' destijds 14-jarige zoon Don Carlos. Omdat de zege bij Saint-Quentin op de dag van de heilige Laurentius plaatsvond, beval Filips II ter herinnering aan de overwinning de bouw van een groot paleis. Dit zou worden opgericht in de bergen van Guadarrama ten noordwesten van Madrid. Dit paleis werd in 1584 voltooid, het staat bekend als het Real Sitio de San Lorenzo de El Escorial, kortweg het Escorial.
De verdeling van Karels erfenis werd al vóór zijn dood voorbereid. Filips erfde de Nederlanden in 1555 en de Spaanse kronen in 1556. De keizerlijke opvolging ging naar zijn oom Ferdinand I. Een eerdere regeling, waarin Filips later zijn oom als keizer zou opvolgen, werd niet uitgevoerd; Filips gaf zijn aanspraken op het keizerschap in 1555 op.
Don Juan van Oostenrijk was een buitenechtelijke zoon van keizer Karel V en Barbara Blomberg en daarmee een halfbroer van Filips. Karel erkende zijn vaderschap in een geheim codicil van 6 juni 1554, dat hij in september 1556 aan Filips overhandigde.
De jongen werd aanvankelijk Jerónimo of Jeromín genoemd. Hij werd in 1550 naar Spanje gebracht en vanaf 1554 opgevoed door Luis Quijada en Magdalena de Ulloa in Villagarcía de Campos. Op 28 september 1559 ontmoette Filips hem bij het klooster van La Santa Espina en erkende hem als zijn halfbroer. Hij kreeg de naam Juan de Austria en een eigen hofhouding, maar aanvankelijk niet de aanspreektitel Hoogheid.
Filips vertrouwde hem later belangrijke militaire opdrachten toe en benoemde hem in 1576 tot landvoogd van de Nederlanden. Don Juan overleed op 1 oktober 1578 in Bouge bij Namen.

Filips verliet de Nederlanden op 25 augustus 1559 met spoed, want het ging volgens zus en regentes Johanna niet goed in Spanje: het protestantisme had ook in Spanje wortel geschoten, onder meer in Sevilla en Valladolid. Daarnaast heerste er veel spanning onder de bevolking door hoge belastingheffing, ontwrichte handel en slechte oogsten en was de staat in geldnood. Bij Filips' terugkeer naar Spanje was Bartolomé Carranza, de aartsbisschop van Toledo, al door de Inquisitie gearresteerd. De verdenking betrof onder meer zijn in 1558 verschenen Comentarios sobre el catecismo cristiano. Carranza werd in augustus 1559 naar Valladolid gebracht. Op aandringen van paus Pius V werd hij in 1567 naar Rome overgebracht, waar het proces werd voortgezet.
Op 14 april 1576 sprak paus Gregorius XIII het vonnis uit. Carranza werd sterk verdacht van ketterij verklaard en moest zestien als luthers beschouwde stellingen afzweren. Hij bleef aartsbisschop van Toledo, maar werd voor vijf jaar geschorst in het bestuur van zijn aartsbisdom. Hij overleed op 2 mei 1576 in Rome, achttien dagen na het vonnis. Filips vond dit vonnis te mild: hij was volgens Geoffrey Parker verontwaardigd en liet weten dat het "strenger had moeten zijn, gezien de aard van het proces".
Carranza's arrestatie maakte slechts een klein deel uit van een uitgebreid programma van inquisiteur-generaal Fernando de Valdés y Salas om het Spaanse intellectuele leven te controleren. In april 1559 vaardigde Valdés het bevel uit 'dat niemand, geen universiteit of college' voortaan een oordeel of mening kon uitgeven 'over welk boek of onderwerp ook zonder eerst dat oordeel of die mening te onderwerpen aan de adviesraad van de Inquisitie.' Valdés kondigde af dat er bijna 700 boeken zouden worden verboden, die op de lijst stonden van de 'Catalogus', die hij had laten opstellen. Op 22 november 1559 vaardigde Filips in Aranjuez een pragmatiek uit die het voor onderdanen van de Kroon van Castilië beperkte om buiten de betrokken koninkrijken te studeren of onderwijs te geven. De regeling maakte deel uit van zijn maatregelen tegen de verspreiding van protestantse denkbeelden. Het verbod kende uitzonderingen, onder meer voor het Spaanse College in Bologna en voor bepaalde vormen van onderwijsdeelname in Rome.
Het studieverbod en de boekcensuur beperkten de uitwisseling van kennis, maar betekenden geen volledige intellectuele afsluiting. Tijdens Filips' regering bleef wetenschappelijke activiteit bestaan en werden buitenlandse geleerden en ingenieurs in koninklijke dienst genomen.

Carlos, de oudste zoon van Filips uit zijn eerste huwelijk, vertoonde tekenen van geestelijke instabiliteit en gewelddadig gedrag. Filips liet hem in januari 1568 gevangennemen. Carlos stierf op 24 juli 1568 tijdens zijn gevangenschap. De omstandigheden van zijn dood hebben tot speculaties geleid, maar er is geen bewijs dat hij op bevel van zijn vader werd terechtgesteld. Zijn dood droeg bij aan de Zwarte Legende rond Filips II.
Een ambassadeur meldde over Filips dat hij aan dezelfde kwaal als zijn vader leed, namelijk achterdocht. Van deze eigenschap werd door zijn ondergeschikten dankbaar gebruik gemaakt. Volgens Antonio Pérez, die daar pas in 1590 over sprak, hadden Juan de Escobedo, de secretaris van Don Juan, en Don Juan een staatsgreep in Spanje voorbereid. Filips gaf Pérez toestemming Escobedo, voormalig secretaris van financiën, te laten doden. Dit gebeurde op 31 maart 1578 in Madrid. De precieze motieven zijn onzeker, omdat Pérez' verklaring grotendeels op zijn eigen latere beweringen berust.
De nasleep van de zaak-Pérez leidde in 1591 tot een opstand in Aragón. Filips liet Castiliaanse troepen het gebied binnentrekken om de opstand te onderdrukken, maar liet daarna een groot deel van de traditionele Aragonese privileges bestaan.
Als koning van Spanje kreeg Filips het Spaanse koloniale rijk. De overzeese bezittingen leverden onder meer goud en zilver op, waarvan een deel via de zilvervloten naar Spanje werd vervoerd. De opgevoerde belastingdruk in de Nederlanden maakte deel uit van een omvangrijke strategie om de bronnen van al het gebied van Filips aan te spreken. In 1568 kreeg Diego de Espinosa de taak daarvoor een comité op te richten, de Junta Magna, die met religieuze zaken begon: introductie van provinciale raden, episcopale visitaties, nieuwe diocesen met seminaries, volgens de aanbevelingen van het Concilie van Trente. Met deze initiatieven van de junta kreeg Madrid haar gebieden in de Amerika's nog steviger in handen en bleven ze Spaans tot in de 19e eeuw en tot aan de moderne tijd katholiek. Dit is volgens Parker Filips grootste prestatie en langst durende nalatenschap.
Filips kon vooral in de eerste helft van zijn 42-jarige bewind het beste leger van Europa op de been houden en dus de machtigste man van Europa zijn, zoals zijn vader Karel V ook was geweest. Spanje was ook de grootste maritieme mogendheid van de 16e eeuw en moest dat ook zijn, om het koloniale rijk bijeen te kunnen houden en uit te breiden. Zelfs de rampzalige expeditie van de Armada van 1588 heeft die positie niet wezenlijk veranderd.
| Gelderse 1/5 Philipsdaalder, geslagen in 1566. Voorzijde: PHS.D.G.HISP.Z.REX.DVX.GEL / Borstbeeld van Philips II naar rechts Keerzijde: DOMINVS MIHI ADIVTOR / Gekroond wapen op Bourgondisch kruis tussen twee vuurijzers |
In 1566 besloot Filips de eerder opgeschorte maatregelen tegen de taal en gebruiken van de morisco's in het koninkrijk Granada opnieuw te laten uitvoeren. De morisco's waren tot het christendom bekeerde moslims en hun nakomelingen. Karel V had in 1526 maatregelen tot culturele en religieuze aanpassing afgekondigd, maar de uitvoering daarvan tegen betaling opgeschort. De hervatting van dit beleid, samen met belastingdruk en confiscaties door de Inquisitie, versterkte de spanningen in Granada.
De op 1 januari 1567 openbaar gemaakte pragmatiek verbood onder meer traditionele kleding, gebruiken en vieringen. Voor het spreken, lezen en schrijven van het Arabisch gold een overgangstermijn van drie jaar; daarna zouden ook documenten in die taal hun rechtsgeldigheid verliezen. Rond Kerstmis 1568 brak de morisco-opstand uit, vooral in de Alpujarras. Filips gaf in 1569 zijn halfbroer Don Juan van Oostenrijk het bevel over het koninklijke leger in Granada. De strijd ging gepaard met geweld tegen de burgerbevolking aan beide zijden. Het grootste deel van de opstand werd in 1570 onderdrukt, maar de laatste fase van de oorlog duurde tot 1571.
Al tijdens de oorlog begonnen de deportaties van morisco's uit Granada en omliggende gebieden. De algemene, grootschalige deportaties vonden in november en december 1570 plaats; nadien volgden aanvullende verwijderingen van achtergebleven of teruggekeerde morisco's. Naar schatting werden ongeveer 80.000 morisco's uit het koninkrijk Granada verdreven, onder wie mensen die niet aan de opstand hadden deelgenomen. Zij werden verspreid over andere gebieden van de Kroon van Castilië, waaronder Andalusië, Extremadura en de Castiliaanse binnenlanden.
De Kroon confisqueerde hun bezittingen. Een koninklijke beschikking van 24 februari 1571 regelde de confiscatie van moriscobezit in het koninkrijk Granada, waarna huizen en landbouwgrond aan nieuwe kolonisten werden toegewezen. Volgens Geoffrey Parker hadden zich in 1598 ongeveer 60.000 nieuwe bewoners in 250 Granadese gemeenschappen gevestigd. Hij karakteriseert de gedwongen bevolkingsverplaatsing en herbevolking als etnische zuivering. De herbevolking maakte de ontvolking en economische schade niet volledig ongedaan.
Na de dood van Sebastiaan van Portugal in 1578 werd zijn grootoom, kardinaal Hendrik, koning. Ook Hendrik had geen kinderen. Toen hij op 31 januari 1580 overleed, ontstond een opvolgingsstrijd tussen verschillende verwanten van het Portugese koningshuis.
Filips maakte aanspraak op de kroon als kleinzoon van Manuel I van Portugal, via zijn moeder Isabella van Portugal. Andere belangrijke pretendenten waren António, prior van Crato, en Catharina, hertogin van Bragança. Filips verwierf steun onder de Portugese bestuurlijke elite, onder meer door de bemiddeling van Cristóbal de Moura. Daarnaast stuurde hij een leger onder leiding van de hertog van Alva, dat in 1580 de strijdmacht van António versloeg.
In april 1581 erkenden de Cortes in Tomar Filips als koning van Portugal, waar hij als Filips I regeerde. Hij beloofde de Portugese wetten en instellingen te behouden. Portugal bleef een afzonderlijk koninkrijk binnen zijn samengestelde monarchie, met een eigen bestuursapparaat. Een Portugese Raad ondersteunde de koning bij de behandeling van Portugese zaken. De regeling van Tomar bevestigde daarmee het behoud van het eigen karakter van het Portugese koninkrijk.
De erkenning in Tomar beëindigde niet onmiddellijk alle verzet. Op de Azoren hielden aanhangers van António stand tot 1583. De vereniging van de Spaanse en Portugese kronen, bekend als de Iberische Unie, duurde tot de Portugese opstand van 1640. Spanje erkende het herstel van de Portugese onafhankelijkheid in 1668.

Filips bestuurde een monarchie die uit verschillende koninkrijken en andere gebieden met eigen instellingen bestond. In 1561 vestigde hij zijn hof in Madrid. De koning werd bijgestaan door raden en secretarissen. Tijdens zijn regering werden onder meer afzonderlijke raden voor Italië, Portugal en de Nederlanden opgenomen in het bestuursstelsel.
Filips hield zich intensief bezig met de schriftelijke afhandeling van bestuurszaken. Zijn persoonlijke bemoeienis en de grote afstanden tussen de gebieden van zijn monarchie bemoeilijkten snelle besluitvorming.
De langdurige oorlogen werden bekostigd met belastingen, inkomsten uit de overzeese bezittingen en leningen. Vooral Castilië droeg een belangrijk deel van de financiële lasten. In 1557, 1560, 1575 en 1596 schortte Filips betalingen aan zijn bankiers op, waarna over de schulden werd onderhandeld.
De economische betekenis van deze betalingsopschortingen is onderwerp van historisch onderzoek. Mauricio Drelichman en Hans-Joachim Voth concluderen op basis van gereconstrueerde inkomsten en schulden dat de schuldpositie gedurende een groot deel van zijn regering houdbaar was. Zij onderscheiden tijdelijke liquiditeitsproblemen van de structurelere verslechtering in de laatste regeringsjaren.
Zoals veel van zijn tijdgenoten was Filips II overtuigd van de goddelijke oorsprong en voorzienigheid inzake het koningschap, maar meer nog dan andere machthebbers van zijn tijd zette hij zich in voor godsdienstige kwesties, in zijn geval voor het verdedigen van de katholieke kerk tegen zowel de toen zeer machtige en expansieve islamitische Ottomanen als tegen het opkomende protestantisme.
Filips II zag zichzelf onder andere als de leider van de contrareformatie, de reactie van de Rooms-Katholieke Kerk op het opkomende protestantisme in Europa. De verdediging van het katholicisme was een belangrijk uitgangspunt van zijn beleid. Dat betekende niet dat zijn belangen altijd samenvielen met die van de paus: in 1556 raakte hij in oorlog met paus Paulus IV. Hij trok daarbij een hardere lijn dan zijn vader, die aan het eind van zijn bewind in het Duitse deel van zijn rijk bij de Vrede van Augsburg het beginsel cuius regio, eius religio had moeten accepteren, waarbij een lokale machthebber in het eigen gebied zijn (of haar) eigen protestantse of katholieke religie aan de onderdanen mocht opleggen. Filips bestreed niet alleen in zijn eigen rijk elke afwijking van het katholicisme, maar probeerde ook daarbuiten herhaaldelijk protestantse vorsten en troonpretendenten ten val te brengen om zo hun land te kunnen behouden voor het katholieke geloof.
Zijn angst om eventuele misstappen te moeten verantwoorden voor God, maakte dat hij iedere kwestie haarfijn bestudeerde, waarbij zijn raadgevers belangrijke invloed op zijn beleid konden uitoefenen. Dit leverde hem de bijnaam 'Rey prudente' (= voorzichtige koning) op, maar het werkte vertraging in de hand, terwijl de 16e-eeuwse communicatiemiddelen toch al ontoereikend waren om zijn rijk, niet alleen in verschillende delen van Europa, maar ook in Noord- en Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië onder controle te houden.
Zijn toewijding aan het katholicisme en de groeiende rijkdom uit de koloniën deden Filips II steeds meer inzetten op koloniale expansie, die nodig was om zijn inmenging in allerlei Europese godsdienstoorlogen te bekostigen. Ondertussen verwaarloosde hij echter de economische ontwikkeling van zijn eigenlijke machtsbasis, het Iberisch Schiereiland. Spanje kon zich desondanks het beste leger in Europa veroorloven en had een betrekkelijk stabiele, machtige regering, terwijl openlijke godsdiensttwisten zoals in Frankrijk, Duitsland en de Nederlanden geen kans kregen. De macht van Spanje breidde zich in zijn beginjaren steeds verder uit.


Niet alleen het katholieke Spaanse Rijk, maar ook het islamitische Ottomaanse of Turkse Rijk stond destijds op het hoogtepunt van zijn macht. De Ottomaanse vloot en haar Noord-Afrikaanse bondgenoten bedreigden de Spaanse posities in het Middellandse Zeegebied. De zuidkust van de Middellandse Zee en de Balkan waren in de decennia daarvoor al grotendeels veroverd; vooral de Balkan kon nu worden gezien als springplank naar (Spaans) Italië.
Vanuit Brussel gaf Filips zijn schepen bevel in Sicilië te verzamelen om in juni 1559 onder leiding van de hertog van Medinaceli, onderkoning van Sicilië, Tripoli terug te veroveren. Dit besluit, een 'catastrofale misrekening', trok Filips' landen in een kostbare oorlog die meer dan 18 jaar zou duren. De Turken waren bijtijds ingelicht en Medinaceli vertrok pas in februari 1560 met Filips' elitetroepen, maar hij moest zich terugtrekken op het eiland Djerba, waar hij door de Turken werd omsingeld. Zonder tijdige hulp moest hij zich uiteindelijk overgeven aan Suleyman. Filips trok daarop 3000 Spaanse veteranen terug uit de Nederlanden om dit verlies op te vangen. In 1563 belegerden de Ottomanen het Spaanse Oran en Filips wist Oran te bevrijden en zelfs in 1564 een buitenpost bij Algiers in te nemen, maar tegen zeer hoge kosten. In 1565 kwam Suleyman met 200 schepen en 20.000 Ottomaanse krijgers naar Malta, het eiland van de Ridders van Sint Johannes. Het werd Filips' topprioriteit hen te ontzetten.
Na de Ottomaanse verovering in 1571 van Cyprus op de Venetianen kreeg paus Pius V het eindelijk voor elkaar dat een 'Heilige Liga' zich effectief te weer ging stellen, waarbij Filips II zich opwierp als verdediger van het christelijke Europa tegen de islam.
Op 7 oktober 1571 bracht de vloot van Spanje en een aantal Zuid-Europese bondgenoten, gecommandeerd door Juan van Oostenrijk, een halfbroer van Filips, de Ottomanen bij Lepanto aan de westkust van Griekenland een zware nederlaag toe. De overwinning had grote symbolische betekenis, maar maakte geen einde aan de Ottomaanse zeemacht. De zege werd evenwel niet volledig uitgebuit omdat de Liga vrij snel weer uit elkaar viel wegens interne tegenstellingen. Het zou nog ruim een eeuw duren voordat het Ottomaanse Rijk definitief op de terugtocht werd gedwongen. Spanje kampte inmiddels met een ander probleem in Europa: de Opstand in de Nederlanden.
Sinds Filips' definitieve vertrek uit de Nederlanden in 1559 was de politieke situatie daar steeds verder verslechterd. Filips kon de aartsbisschop van Mechelen, Granvelle, niet langer handhaven als hoogste raadsheer van de toenmalige landvoogdes, Filips' halfzuster Margaretha van Parma en riep hem in 1564 voorgoed terug. Hij werd door de Nederlandse edelen en de Staten-Generaal te veel gezien als zetbaas, die namens de koning aan de touwtjes trok, naast de onervaren Margaretha.

Het ging de edelen echter niet in de eerste plaats om de persoon Granvelle, maar om de hoge belastingdruk, de inbreuken op de traditionele bevoegdheden van de gewesten en om de al uit de tijd van Karel V daterende anti-ketterse plakkaten. Vooral in Vlaanderen, maar ook in Zeeland en Holland in de Noordelijke Nederlanden had het protestantisme flink wortel geschoten. Filips probeerde in zijn brieven uit het bos van Segovia in oktober 1565 duidelijk te maken dat hoop op verzachting van de anti-ketterse maatregelen ijdel was. Deze brieven, gedateerd 17 tot 20 oktober 1565, waren brieven van de hand van koning Filips II vanuit zijn jachtpaleis El Bosque (het Paleis van Valsaín in de buurt van Segovia) aan landvoogdes Margaretha van Parma in antwoord op de door Egmont overgebrachte verzoeken van de hoge adel. In 1566 werd na de aanbieding van het Smeekschrift der Edelen de kettervervolgingen in de Nederlanden opgeschort. Hiermee is ook de ergste repressie van de inquisitie in de Nederlanden voorbij. Hierdoor braken het doperse en het calvinistische protestantisme door in het publieke leven, in de vorm van massaal bezochte hagenpreken en op gewelddadige wijze in de vorm van de beeldenstorm.

Daarop stuurde Filips II de reeds geduchte hertog van Alva om orde op zaken te stellen. Tegen het keiharde optreden van Alva brak al spoedig fel protest uit. Margaretha van Parma trad zelfs uit protest af en vertrok naar Italië, waarna Alva tot landvoogd werd benoemd. De graven Egmont en Horne, twee der voornaamste edelen, werden onthoofd op de markt in Brussel en Willem van Oranje ontsnapte maar net op tijd naar Duitsland, net als vele andere edelen. De combinatie van enerzijds militaire en godsdienstige repressie en anderzijds een verzwaring van de belastingen (de "Tiende Penning") verhardde de tegenstellingen alleen maar; zelfs veel katholieken keerden zich tegen het bewind. Vanaf 1568 was de Nederlandse Opstand een feit en deze zou uitlopen op de Tachtigjarige Oorlog. Het harde optreden van Alva in de Nederlanden kon ook niet op de goedkeuring rekenen van Filips II en deze zou hier later over hebben opgemerkt dat de hertog van Alva hem de Nederlanden had gekost.
In de jaren 1570 werkte Antonio Pérez binnen de hofpolitiek nauw samen met Gaspar de Quiroga y Vela en Pedro Fajardo Hernández de Córdoba, derde markies van Los Vélez. Na de dood van Ruy Gómez de Silva in 1573 zocht Pérez bij hen steun. Fajardo werd een belangrijke aristocratische vertegenwoordiger van hun hoffactie.
De Opstand had in de Noordelijke Nederlanden in 1581 vaste politieke vorm gekregen en dat leidde in dat jaar tot het Plakkaat van Verlatinghe, waarmee de noordelijke Staten-Generaal Filips II ‘verlaten’ (afgedankt) verklaarde van zijn macht. Hij werd hiermee ook niet langer erkend als graaf van Holland. Willem van Oranje, de inspirator van de Opstand, op wiens hoofd Filips een prijs had gezet, werd in 1584 door Balthasar Gerards vermoord. Op 6 mei 1598 droeg Filips bij de Akte van Afstand het gezag over de Nederlanden over aan zijn dochter Isabella en haar toekomstige echtgenoot, aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Het betrof een overdracht van soevereiniteit, niet alleen een benoeming tot landvoogd. Hun feitelijke heerschappij beperkte zich tot de gebieden die niet door de opstandelingen werden bestuurd.
Na de dood van zijn echtgenote Maria Tudor in 1558 was de verhouding met Engeland steeds verder verslechterd; niet alleen wilde haar halfzus Elizabeth I van Engeland niet met hem trouwen, zij bevorderde ook het protestantisme in haar eigen land; bovendien eisten Engelse kapers een zware tol van de Spaanse scheepvaart op de koloniën. De katholieke Schotse koningin Maria Stuart maakte eveneens aanspraak op de Engelse troon. Maria Stuart werd ook door Filips geschikt geacht om Elizabeths troon erbij te nemen. Zij kwam echter in eigen land ten val na conflicten met de Schotse adel en moest daarom in 1568 naar Engeland vluchten en bescherming vragen aan haar aartsrivale Elizabeth. In 1585 brak de Spaans-Engelse Oorlog uit, waarvan noch Filips noch Elizabeth het einde zouden meemaken. Deze oorlog werd aanvankelijk vooral ter zee uitgevochten.
De executie van Maria Stuart in 1587, in opdracht van Elizabeth wegens staatsgevaarlijke intriges, alsmede Elizabeths openlijke steun sinds 1585 aan de Nederlandse Opstand, vastgelegd in het Verdrag van Nonsuch, brachten Filips II ertoe om een invasie in Engeland te wagen. Als Engeland eenmaal op de knieën was gedwongen, zou met de opstandelingen in de Nederlanden afgerekend kunnen worden. Met een enorme vloot, de Armada, stuurde hij in 1588 een groot leger naar Engeland, waarbij eerst de Hertog van Parma met zijn leger vanuit de Zuidelijke Nederlanden opgehaald moest worden ter versterking van de soldaten aan boord. Na een geslaagde landing zou het Engelse landleger weerloos zijn tegen zo'n overmacht. De Armada leed echter door ongunstige wind, ineffectieve tactiek van een onervaren admiraal en weinig geoefende kanonniers een nederlaag in de slag bij Grevelingen en kon niet eens Parma's troepen laten inschepen. Van een invasie in Engeland kwam niets terecht en de vloot leed tijdens de terugtocht om Schotland en Ierland zware verliezen aan schepen en manschappen. Elizabeths positie was in haar eigen land door deze externe dreiging sterker dan ooit. Filips nam de verantwoordelijkheid voor deze mislukking op zich en strafte zijn bevelhebbers nauwelijks. Hij zag de nederlaag als Gods straf voor zijn slechte levenswandel en ook in Engeland en in de Nederlandse Republiek werd Gods hand hierin gezien. Er werden daar herdenkingspenningen geslagen met het opschrift: 'Gods adem heeft hen verstrooid'. Twee andere invasievloten, in 1596 en 1597, bereikten door slecht weer evenmin hun doel.
Vanaf augustus 1589 mengde Spanje zich in de Hugenotenoorlogen in Frankrijk, omdat daar de protestant Hendrik van Navarra zich na de moord op Hendrik III van Frankrijk als wettig erfgenaam had uitgeroepen tot koning Hendrik IV en Parijs belegerde. Filips' beste veldheer, Alexander Farnese, de hertog van Parma, werd uit de Nederlanden weggeroepen om Parijs te ontzetten. Dat deed hij ook, maar raakte later gewond en stierf te Atrecht in 1592. Filips schoof in 1593 zijn eigen dochter Isabella van Spanje, die een Franse moeder had, naar voren als pretendent voor de Franse troon. Dit viel echter in slechte aarde en Hendrik IV bekeerde zich enkele maanden later tot het katholicisme om zich aanvaardbaar te maken als koning. Zodoende kon hij het binnenlandse religieuze conflict omzetten in een bilateraal conflict met Spanje. In 1595 verklaarde hij openlijk de oorlog. Pas in het jaar van Filips' dood, 1598, werd in Frankrijk met het Edict van Nantes een religieus compromis bereikt, waarmee een eind kwam aan de Hugenotenoorlogen. De oorlog tussen Frankrijk en Spanje werd in mei 1598 beëindigd met de Vrede van Vervins.
Filips II overleed op 13 september 1598 in het Escorial. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Filips III. Zijn stoffelijke resten bevinden zich in het koninklijke pantheon van het klooster.
Bij zijn dood was een groot deel van zijn territoriale erfenis behouden gebleven en was de Portugese kroon aan zijn bezittingen toegevoegd. De oorlogen met Engeland en de opstandige Nederlandse gewesten duurden echter voort. De langdurige militaire inzet had een zware druk op de koninklijke financiën gelegd.
Zijn reputatie werd sterk beïnvloed door de Zwarte Legende, waarin tegenstanders zijn godsdienstpolitiek, bestuur en privéleven gebruikten voor anti-Spaanse propaganda. Daartegenover stond het beeld van el rey prudente, de bedachtzame koning. Historische beoordelingen verschillen over de verhouding tussen zijn godsdienstige overtuigingen, bestuurlijke werkwijze en de politieke en financiële gevolgen van zijn beleid.
Keizer Maximiliaan I (1459-1519) | Maria van Bourgondië (1457-1482) | Ferdinand II van Aragon (1452-1516) | Isabella I van Castilië (1451-1504) | Ferdinand van Viseu (1433-1470) | Beatrix van Portugal (1430-1506) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Filips de Schone (1478-1506) | Johanna van Castilië (1479-1555) | Maria van Aragon (1482-1517) | Emanuel I van Portugal (1469-1521) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Keizer Karel V (1500-1558) | Isabella van Portugal (1503-1539) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Filips II van Spanje (1527–1598) | Maria van Spanje (1528-1603) | Ferdinand van Spanje (1530–1530) | Johanna van Habsburg (1535-1573) | Juan van Spanje (1539-1539) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Koning Filips II huwde viermaal en kreeg acht kinderen:
Filips II wilde na de dood van prinses Anna nogmaals trouwen. Zijn adviseurs vreesden dat zijn enige zoon die nog in leven was zou sterven, waardoor de prins zonder opvolger zou achterblijven. Hij dacht eraan te trouwen met de dochter van zijn zus Maria, zijn nicht Margaretha (1567-1633), maar zij smeekte hem non te mogen worden. Filips gaf toe en trouwde niet meer.
Filips II voerde als vorst van een samengestelde monarchie een groot aantal titels. De volgnummers daarbij verschillen per gebied, omdat elk koninkrijk, hertogdom of graafschap een eigen reeks heersers heeft en een nummer alleen de vorsten van dezelfde naam in dat ene gebied telt. Zo regeerde Filips in Castilië als Filips II, maar in Portugal als Filips I. Bij sommige titels, zoals die van koning van Navarra en van Jeruzalem, wordt hier geen nummer vermeld. De tijdvakken zijn bovendien niet bij alle titels gelijk: de Nederlandse gewesten kwamen op 25 oktober 1555 van Karel V aan Filips, de Spaanse kronen pas op 16 januari 1556.

Filips gebruikte verschillende deviezen. Een daarvan was Dominus mihi adiutor ('De Heer is mijn helper'), dat onder meer voorkomt op munten uit zijn regering, zoals de Brabantse philipsdaalder. Het devies staat ook bij zijn wapenschild op het Koningsglas in de Grote of Sint-Janskerk (Gouda). Dit raam werd in 1557 ontworpen en uitgevoerd door Dirck Crabeth en geschonken door Filips en Maria Tudor.
Een ander devies was Nec spe, nec metu ('Noch door hoop, noch door vrees'). Filips gebruikte dit al tijdens zijn reizen door Europa als prins. Volgens Sagrario López Poza drukt de spreuk standvastigheid uit: zich niet door de verwachting van voordeel of door angst laten leiden. De spreuk is ook aangebracht op de voorgevel van het Belfort van Aalst.