De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (kortweg Wet Vpb 1969) regelt een directe belasting die Nederland heft over de winst van rechtspersonen en enkele andere lichamen. Het tarief is licht progressief met twee schijven: 19% over het belastbare bedrag tot en met € 200.000 en 25,8% over het meerdere (2026).
De wet kan economisch worden gezien als een inkomstenbelasting voor rechtspersonen. Het inkomen van natuurlijke personen valt niet onder de Wet Vpb 1969, maar onder de Wet inkomstenbelasting 2001.
In 2025 bracht de vennootschapsbelasting € 49,4 miljard op. Daarmee was zij na de loon- en inkomstenbelasting (samen € 101,3 miljard, exclusief premies volksverzekeringen) en de omzetbelasting (€ 83,3 miljard) de op twee na grootste belastingbron van het Rijk.
Voor vennootschapsbelasting in het algemeen, zie vennootschapsbelasting.
De Wet Vpb 1969, een wet van 8 oktober 1969, verving het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (Verordeningenblad nr. 51/1942). Een voorloper daarvan was het Besluit op de Winstbelasting 1940, dat in de periode van de Duitse bezetting werd ingevoerd (Besluit van 26 juli 1940, Verordeningenblad nr. 83/1940, Staatsblad 1940, 405). Dit was voor het eerst dat er in Nederland rechtstreeks een belasting werd geheven op ondernemingen die niet door natuurlijke personen werden gedreven. Voordien was er een aparte dividend- en tantièmebelasting (Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917), waarbij belasting werd geheven op bepaalde uitdelingen die door zulke ondernemingen werden gedaan.
Met ingang van 1 januari 2007 werd de wet ingrijpend gewijzigd door de Wet werken aan winst. Daarbij werd onder meer de deelnemingsvrijstelling (artikel 13) opnieuw vastgesteld, werd een regeling voor deelnemingsverrekening ingevoerd (hoofdstuk Va) en werden een octrooibox en een groepsrentebox geïntroduceerd. Ook werd het tarief verlaagd; voor 2007 bedroeg het 20% tot € 25.000, 23,5% tot € 60.000 en 25,5% daarboven (zie voor latere tarieven de sectie Tarief). De groepsrentebox (artikel 12c) is nooit in werking getreden: de Europese Commissie onderzocht de regeling op ongeoorloofde staatssteun, en de afdeling waarin zij was opgenomen is per 1 januari 2013 vervallen. De octrooibox werd in 2010 omgevormd tot de innovatiebox.
Mede vanwege de toegenomen internationalisering, waardoor vragen over vestigingsplaats een grotere rol zijn gaan spelen, is de wet voortdurend aan wijziging onderhevig. Door het internationale bedrijfsleven bedachte constructies worden door de Nederlandse wetgever met anti-misbruikbepalingen tegengegaan, sinds 2019 mede ter uitvoering van Europese regelgeving, zoals de generieke renteaftrekbeperking uit de eerste EU-antibelastingontwijkingsrichtlijn (ATAD1). Daarnaast speelt ook de publieke opinie een rol bij de wijze waarop Nederland met zijn fiscale stelsel mogelijkheden wil scheppen om de wereldwijde belastingdruk voor multinationals te verminderen.
De Wet Vpb 1969 bestaat uit een aantal hoofdstukken, afdelingen en artikelen. In de hieronder staande weergave van de hoofdstukken (stand 2026) komt de structuur van de wet tot uiting:
Naast de Wet Vpb 1969 zijn er vele besluiten en beschikkingen die voor de bepaling van belastingplicht van belang zijn. Daarnaast is de rechtspraak van belang voor de interpretatie van de wettelijke bepalingen. Tot slot zijn ook de standpunten van de kennisgroepen van de Belastingdienst van belang. Deze standpunten gelden als beleid van de Belastingdienst en zijn bindend voor de inspecteurs, zodat de wet eenduidig wordt uitgevoerd. Sinds 30 maart 2023 maken alle kennisgroepen hun standpunten openbaar; enkele deden dat al eerder. Standpunten die ook na anonimisering herleidbaar zijn naar een individuele belastingplichtige, worden niet gepubliceerd.
In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 wordt de zogenoemde subjectieve belastingplicht geregeld: wie is belastingplichtig. De eerste belangrijke tweedeling die de wet maakt, is die in binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen (belastingplichtigen worden in de Wet Vpb 1969 aangeduid met de term "lichamen"). Deze tweedeling is van belang, omdat het voorwerp waarover de belasting wordt berekend verschillend is. Binnenlandse belastingplichtigen dienen in beginsel hun gehele winst aan te geven, dat wil zeggen winst die haar oorsprong zowel binnen als buiten Nederland heeft. Buitenlandse belastingplichtigen hoeven alleen hun "Nederlandse inkomen" aan te geven, dat wil zeggen inkomen dat een bepaalde binding met Nederland heeft.
Als gevolg van de bovengenoemde tweedeling is het van belang om vast te stellen waar een lichaam gevestigd is (binnen of buiten Nederland). Waar een lichaam gevestigd is, wordt bepaald aan de hand van de algemene regel in artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Veelal is, kort gezegd, de plaats waar de zogenoemde feitelijke leiding van het lichaam zich bevindt doorslaggevend. Een belangrijke bepaling is in dit verband ook de wettelijke fictie dat een naar Nederlands recht opgericht lichaam voor de meeste bepalingen van de wet geacht wordt in Nederland gevestigd te zijn (artikel 2, vijfde lid, Wet Vpb 1969).
Binnenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle in Nederland gevestigde nv's, bv's, coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag, onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen die op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreden, en de toegelaten instellingen volkshuisvesting (woningcorporaties). Ook "gewone" verenigingen en stichtingen zijn belastingplichtig, maar dan uitsluitend indien en voor zover zij een onderneming drijven. Fondsen voor gemene rekening zijn alleen belastingplichtig als het gaat om een beleggingsfonds of een instelling voor collectieve belegging in effecten in de zin van de Wet op het financieel toezicht waarvan de bewijzen van deelgerechtigdheid verhandelbaar zijn. Met ingang van 1 januari 2025 is de zogeheten open commanditaire vennootschap als zelfstandig belastingplichtig lichaam afgeschaft. Wel kunnen zogenoemde omgekeerde hybride lichamen binnenlands belastingplichtig zijn. Ten slotte kunnen publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld gemeenten) belastingplichtig zijn indien zij een onderneming drijven.
Buitenlandse belastingplichtigen zijn grosso modo alle niet in Nederland gevestigde lichamen waarvan de rechtsvorm vergelijkbaar is met die van een binnenlands belastingplichtig lichaam, maar dan wel uitsluitend indien en voor zover zij Nederlands inkomen genieten. Ook buitenlandse lichamen met een niet-vergelijkbare rechtsvorm kunnen buitenlands belastingplichtig zijn.
In hoofdstuk I van de Wet Vpb 1969 worden ook de zogenoemde subjectieve vrijstellingen geregeld. Op grond van deze vrijstellingen worden lichamen die op grond van de hoofdregel in beginsel belastingplichtig zijn, specifiek aangemerkt als niet belastingplichtig. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onder meer pensioenfondsen, lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend openbare leeszalen en bibliotheken in stand houden en lichamen die landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928 beheren worden vrijgesteld (artikel 5). Verenigingen en stichtingen die een onderneming drijven zijn vrijgesteld als de winst in een jaar niet hoger is dan € 15.000, of in dat jaar en de vier voorafgaande jaren samen niet hoger dan € 75.000 (artikel 6). Lichamen die (nagenoeg) uitsluitend publiek bekostigd onderwijs of onderzoek verzorgen en academische ziekenhuizen zijn eveneens vrijgesteld (artikel 6b).
Een ander voorbeeld van een subjectieve vrijstelling is de vrijgestelde beleggingsinstelling of vbi (artikel 6a). Een vbi wordt op verzoek vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Sinds 1 januari 2025 staat het vbi-regime alleen nog open voor beleggingsinstellingen die onder de Wet op het financieel toezicht vallen; daarnaast moeten de deelnemingsrechten op verzoek van de deelnemers worden ingekocht of terugbetaald.
De vbi moet worden onderscheiden van de fiscale beleggingsinstelling of fbi (artikel 28). Een fbi is wel belastingplichtig, maar betaalt onder voorwaarden een tarief van 0% over het belastbare bedrag. Een belangrijke voorwaarde is dat de winst binnen acht maanden na afloop van het boekjaar aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd. Sinds 1 januari 2025 mag een fbi niet meer rechtstreeks beleggen in in Nederland gelegen onroerende zaken.
Tot 2016 waren veel overheidsondernemingen niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Met de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen werden zij met ingang van 2016 in beginsel belastingplichtig. Voor zeehavenbeheerders, waaronder het Havenbedrijf Rotterdam, werd met ingang van 12 juni 2015 nog een tijdelijke vrijstelling in de wet opgenomen (artikel 6c). Nadat de Europese Commissie op 21 januari 2016 had geoordeeld dat deze vrijstelling ongeoorloofde staatssteun was, verviel zij voor boekjaren die op of na 1 januari 2017 beginnen.
Zoals uit het bovenstaande blijkt, is ieder lichaam wettelijk gezien afzonderlijk belastingplichtig. De wet kent een bijzondere regeling (de fiscale eenheid) waarbij een moedermaatschappij en een of meer dochtermaatschappijen op verzoek worden behandeld alsof zij één belastingplichtige zijn. Daardoor kunnen bijvoorbeeld verliezen van de ene maatschappij worden verrekend met winsten van de andere. De moedermaatschappij moet daarvoor ten minste 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij bezitten en recht hebben op ten minste 95% van de winst, het vermogen en de stemrechten. De dochtermaatschappij moet een nv of bv (of een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm) zijn, en beide maatschappijen moeten in Nederland gevestigd zijn en dezelfde boekjaren hanteren. Onder voorwaarden kunnen ook in Nederland gevestigde zuster- of kleindochtermaatschappijen van een EU-moeder een fiscale eenheid vormen.
De zogenoemde objectieve belastingplicht (over welk inkomen is belasting verschuldigd) is geregeld in hoofdstuk II (binnenlandse belastingplichtigen) en hoofdstuk III (buitenlandse belastingplichtigen) van de Wet Vpb 1969.
Ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare bedrag. Dat is de in een jaar genoten belastbare winst, verminderd met te verrekenen verliezen uit andere jaren volgens de regels van hoofdstuk IV. De belastbare winst is op haar beurt de winst verminderd met de aftrekbare giften. Wat onder winst verstaan wordt, is in de wet bepaald en door de rechtspraak nader uitgelegd. Het winstbegrip van de Wet Vpb 1969 is in beginsel gelijk aan het winstbegrip dat in de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt voor een IB-ondernemer; de Wet Vpb 1969 verwijst daarvoor naar artikelen van de Wet IB 2001. Op dit uitgangspunt zijn vele uitzonderingen. Het belastbare bedrag wordt in beginsel berekend in euro's, hoewel de belastingplichtige de inspecteur kan verzoeken om het bedrag in een andere valuta te berekenen (de zogenoemde functionele valutaregeling).
Het fiscale winstbegrip hoeft in de Nederlandse situatie niet gelijk te zijn aan het winstbegrip dat geldt voor de jaarrekening. Eventuele verschillen kunnen zowel permanent als tijdelijk zijn, en zowel in het voordeel als in het nadeel van de belastingplichtige uitvallen.
Veel bepalingen die van toepassing zijn op binnenlandse belastingplichtigen zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse belastingplichtigen (bijvoorbeeld de bepalingen inzake de winst en de functionele valutaregeling). Bij buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven over het belastbare Nederlandse bedrag. Hierbij gaat het om het in Nederland behaalde inkomen. Het begrip "Nederlands inkomen" is precies beschreven in de wet (artikel 17). Kan een bepaald inkomensbestanddeel niet onder de definitie gebracht worden, dan wordt dat inkomensbestanddeel niet in Nederland belast. Nederlands inkomen omvat onder meer (i) de belastbare winst uit een onderneming of een deel daarvan die met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland wordt gedreven en (ii) het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang (in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001) in een in Nederland gevestigde vennootschap. Dat laatste geldt alleen als het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan, en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie.
Bij wetsfictie wordt een belangrijk aantal zaken en rechten geacht tot een Nederlandse onderneming te behoren (artikel 17a). Een niet in Nederland gevestigde vennootschap die bijvoorbeeld in Nederland gelegen onroerende zaken exploiteert, dient de daarmee samenhangende exploitatie-inkomsten als Nederlands inkomen aan te geven.
Een belangrijke objectieve vrijstelling is de deelnemingsvrijstelling, die voor zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen geldt. Op grond van deze vrijstelling maken winsten en verliezen uit een deelneming, zoals ontvangen dividenden en boekwinsten of -verliezen bij verkoop van de deelneming, in beginsel geen deel uit van de belastbare winst. Zo wordt voorkomen dat winst die al bij een dochtermaatschappij is belast, nogmaals wordt belast bij de moedermaatschappij (aandeelhouder). Aan- en verkoopkosten van een deelneming zijn niet aftrekbaar.
Van een deelneming is onder meer sprake indien een lichaam voor ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld.
Een andere objectieve vrijstelling is de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten (afdeling 2.10a, artikel 15e). Daardoor blijven de winsten van een buitenlandse vaste inrichting en de opbrengsten uit in het buitenland gelegen onroerende zaken in beginsel buiten de Nederlandse heffing. Dat geldt zowel voor positieve als voor negatieve bedragen, zodat verliezen van een buitenlandse vaste inrichting in beginsel niet in Nederland aftrekbaar zijn.
Geen vrijstelling, maar wel een fiscale tegemoetkoming is de innovatiebox (afdeling 2.3), die in 2010 voortkwam uit de in 2007 ingevoerde octrooibox. Winsten uit innovatieve activiteiten waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, worden daarin belast tegen een effectief tarief van 9%.
De Wet Vpb 1969 bevat een groot aantal anti-misbruikbepalingen, omdat diverse regelingen voor oneigenlijk gebruik vatbaar zijn gebleken. Zo zijn er bepalingen opgenomen tegen misbruik van de deelnemingsvrijstelling en van de renteaftrek, bijvoorbeeld bij hybride leningen. Daarnaast kent de wet regels tegen hybridemismatches (afdeling 2.2a), een regeling voor voordelen uit een gecontroleerd buitenlands lichaam en sinds 1 januari 2025 ook een algemene antimisbruikbepaling (artikel 29i), ter uitvoering van de Europese antibelastingontwijkingsrichtlijn. Veel van deze wetsartikelen zijn specifiek gericht op bepaalde door het (internationale) bedrijfsleven bedachte constructies. Dit draagt bij aan de complexiteit van de wet.
Met ingang van 2019 geldt een generieke renteaftrekbeperking, ook wel earningsstrippingregeling genoemd (artikel 15b). Rente is niet aftrekbaar voor zover het saldo van verschuldigde en ontvangen rente meer bedraagt dan een percentage van de fiscale winst vóór aftrek van rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (EBITDA) én meer dan € 1 miljoen. Rente die in een jaar niet aftrekbaar is, kan worden doorgeschoven naar volgende jaren. Het percentage bedroeg aanvankelijk 30% en werd per 1 januari 2022 verlaagd naar 20% en per 1 januari 2025 verhoogd naar 24,5%. Het kabinet had in het Belastingplan 2025 een verhoging naar 25% voorgesteld, gecombineerd met het schrappen van de drempel van € 1 miljoen voor vastgoedlichamen. Bij amendement schrapte de Tweede Kamer die vastgoedmaatregel en werd het percentage ter dekking vastgesteld op 24,5%.
De Wet Vpb 1969 kent ook nog een aantal andere faciliteiten, zoals onder meer de bedrijfsfusieregeling en de juridische fusieregeling. Dit zijn regelingen die het mogelijk maken om onder omstandigheden met uitstel van belastingheffing te reorganiseren.
Zowel de belastbare winst (binnenlandse belastingplichtigen) als het Nederlandse inkomen (buitenlandse belastingplichtigen) kan een negatief bedrag zijn. In dat geval wordt gesproken over een verlies. In hoofdstuk IV van de Wet Vpb 1969 is bepaald hoe met deze verliezen moet worden omgegaan.
Een verlies wordt eerst verrekend met de belastbare winst van het voorafgaande jaar (carry back) en daarna met de winsten van volgende jaren (carry forward). Verliezen uit 2022 en later zijn onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Dat geldt ook voor verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en die eind 2021 nog voorwaarts verrekenbaar waren. Daarvoor gold een beperkte termijn: tot 2019 negen jaar en vanaf 1 januari 2019 zes jaar. Verliezen die door die termijn niet meer konden worden verrekend, gingen verloren; in het fiscale jargon wordt dit verliesverdamping genoemd.
Tegenover de onbeperkte termijn staat sinds 2022 een beperking in omvang. Tot een winst van € 1 miljoen kunnen verliezen volledig worden verrekend; van de winst boven € 1 miljoen mag slechts 50% met verliezen worden verrekend. Een bedrijf dat in een jaar € 6.000.000 winst heeft behaald, kan dus maximaal € 3.500.000 (€ 1.000.000 + 50% van € 5.000.000) daarvan verrekenen. Het niet verrekende deel van het verlies schuift door naar latere jaren.
Toepassing van de carry back-regeling leidt ertoe dat de aanslag over het jaar dat voorafgaat aan het verliesjaar alsnog wordt verminderd, wat een teruggaaf van betaalde belasting oplevert. Is in het voorafgaande jaar geen winst behaald, dan wordt het verlies verrekend met toekomstige winsten, zodat over die jaren minder belasting verschuldigd is.
In hoofdstuk V van de Wet Vpb 1969 is het tarief geregeld. De belasting wordt berekend over het belastbare bedrag (binnenlandse belastingplichtigen) dan wel het belastbare Nederlandse bedrag (buitenlandse belastingplichtigen). De tarieven in de afgelopen jaren:
| Jaar | Laag tarief | Grens eerste schijf | Hoog tarief |
|---|---|---|---|
| 2007 | 20%; 23,5% | € 25.000; € 60.000 | 25,5% |
| 2008 | 20% | € 275.000 | 25,5% |
| 2009–2010 | 20% | € 200.000 | 25,5% |
| 2011–2018 | 20% | € 200.000 | 25% |
| 2019 | 19% | € 200.000 | 25% |
| 2020 | 16,5% | € 200.000 | 25% |
| 2021 | 15% | € 245.000 | 25% |
| 2022 | 15% | € 395.000 | 25,8% |
| 2023–2026 | 19% | € 200.000 | 25,8% |
Voor 2008 en 2009 werden de tarieven achteraf gewijzigd. Het Belastingplan 2009 verving de oorspronkelijke drie schijven voor 2008 (20% tot € 40.000, 23% tot € 200.000 en 25,5% daarboven) met terugwerkende kracht door twee schijven. Voor 2009 gebeurde hetzelfde met het Fiscaal stimuleringspakket, waarmee het kabinet de gevolgen van de kredietcrisis wilde bestrijden. Het tarief in de tweede schijf werd voor 2009 en 2010 verlaagd naar 20%, om het rendement en de investeringsbereidheid van ondernemingen te verbeteren.
Voor 2021 was oorspronkelijk een verlaging van de tarieven naar 15% en 21,7% aangekondigd, maar de verlaging van het toptarief is later teruggedraaid. In 2022 werd het toptarief verhoogd naar 25,8% en de grens van de eerste schijf verhoogd naar € 395.000. Sinds 2023 geldt 19% tot en met € 200.000 en 25,8% daarboven.
Bij een belastbaar bedrag van € 300.000 bedraagt de belasting in 2026 dus € 38.000 (19% van € 200.000) plus € 25.800 (25,8% van € 100.000), samen € 63.800.
Voor de Nederlandse overheid is de vennootschapsbelasting de op twee na belangrijkste bron van belastinginkomsten. De twee belangrijkste zijn de belasting op inkomen (de som van loon- en inkomstenbelasting) en de belasting op consumptie (omzetbelasting of btw). In 2025 bracht de vennootschapsbelasting volgens het Financieel Jaarverslag van het Rijk € 49,4 miljard op. Het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belastingontvangsten van de overheid schommelt sterk, mede doordat de economische situatie de resultaten van ondernemingen sterk beïnvloedt. Volgens het CBS was dat aandeel sinds 1995 het hoogst in 1997 (17,9%) en het laagst in 2009 en 2012 (8,3%), in de jaren na het begin van de kredietcrisis. Daarna steeg het weer, tot 17,1% in 2023 en 16,2% in 2025.
| Jaar | Btw | Loon- en inkomstenbelasting | Vennootschapsbelasting (Vpb) | Totaal belastingen | Aandeel Vpb in totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 19,8 | 23,1 | 9,5 | 72,9 | 13,0% |
| 2000 | 28,4 | 23,6 | 16,7 | 100,4 | 16,7% |
| 2005 | 37,0 | 28,5 | 17,1 | 123,4 | 13,8% |
| 2010 | 41,8 | 45,5 | 12,8 | 142,0 | 9,0% |
| 2015 | 44,7 | 54,7 | 16,1 | 161,8 | 10,0% |
| 2020 | 59,0 | 67,6 | 21,7 | 205,7 | 10,5% |
| 2025* | 83,2 | 104,8 | 49,9 | 307,7 | 16,2% |
* voorlopig cijfer. De CBS-cijfers betreffen de sector overheid volgens het Europees Systeem van Rekeningen (ESR 2010) en wijken daardoor af van de ontvangsten in het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

In hoofdstuk VI van de Wet Vpb 1969 is bepaald dat de vennootschapsbelasting wordt geheven door het opleggen van een belastingaanslag. Dit betekent dat de belasting pas verschuldigd is nadat de inspecteur de belastingschuld formeel heeft vastgesteld. Veelal zal de inspecteur pas tot het opleggen van een aanslag overgaan nadat de belastingplichtige een aangifte heeft gedaan. De definitieve aanslag kan voorafgegaan worden door een of meer voorlopige aanslagen. Nadat de definitieve aanslag is opgelegd, staat de belastingschuld in beginsel vast. Onder omstandigheden kan de inspecteur echter ook een zogenoemde navorderingsaanslag opleggen.
Een aantal belastingen, waaronder Nederlandse dividendbelasting, kan onder voorwaarden worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Als gevolg van belastingverdragen kan het voorkomen dat inkomsten die volgens de wet in Nederland belastbaar zijn, niet in Nederland belast mogen worden: belastingverdragen gaan volgens de Nederlandse juridische systematiek in de regel voor op belastingwetten, zodat wettelijke bepalingen door conflicterende verdragsbepalingen buiten werking kunnen worden gesteld. Ook kan het als gevolg van belastingverdragen voorkomen dat bepaalde inkomsten alleen tegen een van de Wet Vpb 1969 afwijkend tarief belast mogen worden, dan wel dat de Belastingdienst moet toestaan dat de verschuldigde Nederlandse vennootschapsbelasting wordt verminderd omdat een buitenlandse staat over dezelfde inkomsten belasting heft. Het voornaamste doel van belastingverdragen is het voorkomen, of althans verminderen, van zogenoemde internationale dubbele belastingheffing.
Naast de Wet Vpb 1969 geldt sinds 31 december 2023 de Wet minimumbelasting 2024. Deze wet moet ervoor zorgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. De wet is een uitwerking van een EU-richtlijn die gebaseerd is op OESO-modelregels (Pillar Two).
De vennootschapsbelasting is gevoelig voor fraude, bijvoorbeeld door een "verlies" te creëren door geld weg te sluizen. In de jaren negentig speelde de zogenoemde American Energy-zaak. ABN AMRO verkocht tussen 1992 en 1996 zes kasgeld-bv's van het type winstvennootschap aan het buitenlandse bedrijf Oxbridge Investments, dat voorgaf ze te gebruiken voor investeringen in het energiebedrijf American Energy. Die investeringen bleken een dekmantel voor belastingfraude: de in de vennootschappen aanwezige belastingschuld werd nooit voldaan. De Belastingdienst werd daarbij voor tientallen miljoenen euro's benadeeld. De betrokkenen werden onder meer veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting, valsheid in geschrift en omkoping van anderen dan ambtenaren; een van hen werd in 2007 onherroepelijk veroordeeld. Ook het voormalige hoofd fiscale zaken van ABN AMRO was bij de fraude betrokken. De Belastingdienst stelde de bank daarom aansprakelijk voor € 55 miljoen; begin 2002 schikten bank en fiscus voor € 33 miljoen. Journalist Cees van Lotringen beschreef de zaak in 2012 in het boek Een van de jongens.