
De Folle Blanche is een ras van witte druiven met een heel hoge zuurgraad dat vooral in het westen van Frankrijk is aangeplant.

Deze druif werd voor het eerst genoemd in 1696 in Chérac, een dorpje in de Charente-Maritime, waar hij van oudsher werd gebruikt voor de productie van cognac en armagnac. De naam Folle wijst waarschijnlijk op de krachtige groei en hoge opbrengst die de wijnstokken weten te genereren. De betekenis van het synoniem Gros Plant laat ook niets aan duidelijkheid te wensen over, namelijk grote wijnstok. DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat een van ouders in ieder geval de Gouais Blanc is. Aangezien ook de verwantschap is aangetoond met de Jurançon Blanc, wordt duidelijk dat de oorsprong van deze variëteit te vinden is in de Gers in het zuidwesten van Frankrijk. Van daaruit verspreidde het zich naar de Charente en later naar de regio rond Nantes aan de Atlantische Oceaan. Deze druif is geen kleur-mutatie van de Jurançon Noir of de Fuella Nera, die beide vaak Folle worden genoemd. De Folle Blanche werd gebruikt om de Baco Blanc, de Baco Noir en de Folignan te kweken.
Zeer vruchtbare en productieve druif, die vroeg bloeit en dus gevoelig is voor nachtvorst. Doordat de druiven dicht op elkaar groeien heeft dit ras last van botrytis en in mindere mate van valse meeldauw en mijten. De wijn heeft een zéér hoge zuurgraad en wordt daarom als cépage niet of nauwelijks gebruikt. In het zuidwesten is dat anders, want daar wordt deze druif nog mondjesmaat gebruikt in de basiswijn voor het maken van cognac en armagnac.
Vandaag de dag komt deze druif nog voor in een aantal departementen van de Loire en in het zuidwesten van Frankrijk alhoewel het aantal hectares sterk is teruggelopen: van bijna 16.000 in de jaren 50 van de 20e eeuw tot nog maar 1700 in 2009. Dit komt voornamelijk doordat dit ras vervangen wordt door de Baco Blanc, die veel minder gevoelig is voor allerlei ziektes. Zeer kleine plantages komen voor in Spanje en Californië.