| Mijten | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| huisstofmijt | ||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||
| ||||||||
| Superorde | ||||||||
| Acariformes | ||||||||
| (en) World Register of Marine Species | ||||||||
| ||||||||
Mijten of Acariformes zijn kleine geleedpotigen met een lichaam dat niet duidelijk in twee, zoals bij spinnen, of drie, zoals bij insecten, geledingen is gedeeld. Samen met de teken vormen ze de onderklasse Acari. Men onderscheidt 546 families met meer dan 45.000 soorten, waarvan er circa 2500 in het water leven, en 10.000 parasitair zijn. Men schat dat het grootste deel van de mijtensoorten nog niet wetenschappelijk beschreven is. Ze verschillen in lichaamsvormen en leefwijze soms sterk van elkaar.
De acarologie is de tak van de arachnologie, die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken.
Verreweg de meeste mijten zijn micro-organismen, ze zijn, met hun grootte van minder dan 0,1 tot 1,0 mm, met het blote oog niet of nauwelijks zichtbaar. Sommige soorten zijn wat groter, met een afmeting van enkele millimeters. De bekende huisstofmijt meet ongeveer 0,2 mm.
Een mijt heeft, net als de teek en de spin, acht poten. Een uitzondering hierop vormt het larvestadium van de mijt, en tot in hun volgroeide vorm, enkele gespecialiseerde soorten.
De vrouwtjes leggen eieren. De jongen hebben in het eerste larvestadium slechts 6 poten.
Mijten eten onder andere dode dieren, planten of rottende stoffen. Roofmijten leven vaak van andere mijten en worden wel in de kastuinbouw als plaagbestrijding ingezet. Enkele soorten veroorzaken ziekten bij mens en dier en het besmet zijn met mijten wordt acariose genoemd.
De volgende taxa worden bij de superorde ingedeeld
Enkele mijten die ziektes kunnen veroorzaken zijn: