| Fritz Kraemer | ||||
|---|---|---|---|---|
| Geboren | 12 december 1900 Stettin, Pommeren, Duitse Keizerrijk | |||
| Overleden | 23 juni 1959 Hamburg-Ohlsdorf, Hamburg-Nord, West-Duitsland | |||
| Land/zijde | ||||
| Onderdeel | Pruisische politie | |||
| Dienstjaren | 1919 - 1921 1934 - 1945 | |||
| Rang | SS-Gruppenführer en Generalleutnant in de Waffen-SS | |||
| Eenheid | 3. Badisches Infanterie-Regiment "Markgraf Ludwig Wilhelm" Nr. 111 1917 - 1918 Ib/13e Infanteriedivisie Maart 1939 - 1 oktober 1939 Ia/13e Infanteriedivisie 1 juni 1940 - 10 oktober 1940 Ia/13e Pantserdivisie 11 oktober 1940 - 15 december 1942 Kwartiermeester/1e Pantserleger 16 december 1942 - juni 1943 Stafchef/6e Pantserleger 1 december 1944 - 8 mei 1945 | |||
| Bevel | 5.Kompanie/55e Infanterieregiment 6 oktober 1936 - maart 1939 I SS Pantserkorps "Leibstandarte" (m.d.F.b.) 9 augustus 1944 - 16 augustus 1944 12. SS-Panzer-Division "Hitlerjugend" 24 oktober 1944 - 13 november 1944 | |||
| Slagen/oorlogen | Eerste Wereldoorlog
| |||
| Onderscheidingen | zie onderscheidingen | |||
| ||||
Fritz Ludwig Karl Kraemer (Stettin, 12 december 1900 - Hamburg-Ohlsdorf, 23 juni 1959) was een Duitse officier en SS-Gruppenführer (generaal-majoor) en Generalleutnant in de Waffen-SS tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was de stafchef van het 6e Pantserleger tijdens de slag om de Ardennen en veroordeeld tot oorlogsmisdadiger tijdens het proces van het bloedbad van Malmedy, samen met onder meer Sepp Dietrich en Joachim Peiper.
Fritz Kaemer trad in 1918 als Kriegsfreiwilliger (oorlogsvrijwilliger) in dienst van het 3. Badisches Infanterie-Regiment "Markgraf Ludwig Wilhelm" Nr. 111 van de Deutsche Heer. Na de Eerste Wereldoorlog verliet hij het leger als Leutnant (tweede luitenant. In het voorjaar van 1921 nam hij dienst bij de politie. In 1928 en 1929 werd hij als Zugführer (pelotonscommandant) in Köslin ingezet. Daarna werd hij tot 1933 als pelotonscommandant in Kreuzberg in Silezië ingezet. In 1931 werd hij tot Oberleutnant der Polizei (eerste luitenant in de politie) bevorderd. Vanaf 1933 werkte hij bij de Landespolizei.
Als deze vanaf oktober 1934 in de Heer opgenomen werd, kwam hij toch weer terug in het leger. Hij werd daarbij als Oberleutnant overgenomen. Hij werd meteen naar de Kriegsakademie (militaire academie) gecommandeerd. Op 1 mei 1935 werd hij tot Hauptmann (kapitein) bevorderd. Op 6 oktober 1935 werd Kraemer tot chef van de 5e compagnie van het 55e Infanterieregiment benoemd.
Als zodanig werd hij begin 1939 naar het 13e Infanteriedivisie overgeplaatst. Daar werd hij als I.b. ingezet. Voor de getoonde dapperheid tijdens de Poolse Veldtocht werd hij met het IJzeren Kruis 1939, 2e Klasse onderscheiden. Daarna nam hij met het 13e Infanteriedivisie deel aan de Slag om Frankrijk. Voor deze veldslag werd hij met het IJzeren Kruis 1939, 1e Klasse onderscheiden. Na de slag om Frankrijk werd de divisie tot 13e Pantserdivisie omgevormd. Daarbij werd hij tot I.a. benoemd. Kraemer werd hier kort daarop ook tot Major i.G. (majoor in Generale Staf) bevorderd. Op 29 januari 1942 werd hij met het Duitse Kruis in goud onderscheiden. Op 1 april 1942 werd hij tot Oberstleutnant i.G. (luitenant-kolonel in de Generale Staf) bevorderd. Tot december 1942 bleef hij als I.a. bij de 13e Pantserdivisie. Op 17 december 1942 hij met het Ridderkruis van het IJzeren Kruis onderscheiden. Daarna werd hij tot I.b. van het 1e Pantserleger benoemd. In januari 1943 werd hij tot Oberst i.G. (kolonel in Generale Staf) bevorderd.
In juni 1943 werd hij tot stafchef van het I SS Pantserkorps "Leibstandarte" benoemd. Dit gebeurde op verzoek van Sepp Dietrich. In hetzelfde jaar stapte Kraemer naar de Waffen-SS over. Hij kreeg het SS-nummer 491 402, ook terwijl hij pas per 1 augustus 1944 officieel in de SS getreden was. Op 1 september 1943 werd hij tot SS-Oberführer bevorderd. Op 1 augustus 1944 werd hij tot SS-Brigadeführer (brigadegeneraal) en Generalmajor in de Waffen-SS bevorderd. Dit werd in de Rangdienstalter met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1942 gezet. Begin augustus 1944 werd hij voor enige dagen als plaatsvervangend commandant van het I SS Pantserkorps "Leibstandarte" ingezet, daarna weer als stafchef. In oktober 1944 werd hij tot commandant van het 12. SS-Panzer-Division "Hitlerjugend" benoemd. Vanaf november 1944 gaf hij dit commando weer terug. Hij werd dan tot stafchef van het 6e Pantserleger benoemd. Deze functie behield hij tot het einde van de oorlog. Op 6 mei 1945 werd hij met het Eikenloof bij zijn Ridderkruis van het IJzeren Kruis onderscheiden.
Aan het einde van de oorlog kwam hij in geallieerd krijgsgevangenschap. Op 16 juli 1946 werd Kraemer voor een Amerikaanse tribunaal tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Deze straf kreeg hij in samenhang met het Bloedbad van Malmedy en andere punten van de aanklacht in samenhang met de Slag om de Ardennen. Na zijn vrijlating in 1952 verhuisde hij naar Höxter, Duitsland, waar hij op 23 juni 1959 stierf. Hij werd met militaire eer begraven.


Kraemer bekleedde verschillende rangen in zowel de Deutsches Heer als Waffen-SS. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.
| Datum | Deutsches Heer | Schutzpolizei/Landespolizei | Heer | Waffen-SS |
|---|---|---|---|---|
| Kriegsfreiwilliger | — | — | — | |
| 1917 | Fahnenjunker | — | — | — |
| 5 augustus 1918 (zonder Patent) | Leutnant | — | — | — |
| 1 mei 1921 - 16 juni 1928 | — | Polizeileutnant | — | — |
| 10 maart 1931 | — | Polizei-Oberleutnant | — | — |
| 1 oktober 1934 | — | — | Oberleutnant | — |
| 1 mei 1935 (met RDA van 1 mei 1935) | — | — | Hauptmann | — |
| 1940 | — | — | Major i.G. | — |
| 1 april 1942 | — | — | Oberstleutnant i.G. | — |
| 1 januari 1943 | — | — | Oberst i.G. | — |
| 1 september 1943 | — | — | — | SS-Oberführer der Waffen-SS (m.d.U.d.SS-Oberf) |
| 1 augustus 1944 (met RDA van 1 april 1942) | — | — | — | SS-Oberführer in de Waffen-SS |
| 1 augustus 1944 (met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1942) | — | — | — | SS-Brigadeführer en Generalmajor der Waffen-SS |
| 20 januari 1945 | — | — | — | SS-Gruppenführer en Generalleutnant der Waffen-SS |
In deel 1 van Die Eichenlaubträger, geschreven door Franz Thomas en Günter Wegmann en uitgegeven door Biblio Verlag, wordt melding gemaakt van een mogelijke toekenning van het Eikenloof door Sepp Dietrich. Volgens deze publicatie zou er zelfs een bijbehorende oorkonde bestaan. Opvallend is echter dat deze vermeende onderscheiding in veel latere literatuur over Duitse militaire onderscheidingen niet terug te vinden is. Een belangrijke bron bij deze kwestie is een brief die Sepp Dietrich op 8 augustus 1961 schreef. Deze brief is opgenomen op pagina 401 van het werk van von Seemen II. Dietrich bespreekt daarin de bevorderingen van 20 april 1945 en de onderscheidingen die hij tot en met 6 mei 1945 zelf had verleend. Daarbij geeft hij aan dat vermoedelijk alle betrokken personen inmiddels zijn vermeld, met inbegrip van degenen die eerder door Kratschmer waren genoemd. Dit roept de vraag op waarom een eventuele onderscheiding voor iemand uit zijn directe omgeving in deze opsomming zou ontbreken. Als Dietrich daadwerkelijk het Eikenloof had verleend, zou het opmerkelijk zijn dat hij deze toekenning niet vermeldde. Ook in de publicaties van Fellgiebel, Jost W. Schneider, von Preradovich, Lehmann en Thomas, Mark C. Yerger en de editie van Kratschmer uit 1999 is geen bevestiging van deze toekenning aangetroffen. Daardoor blijft de historische juistheid van de vermelding onzeker en is aanvullend bronnenonderzoek noodzakelijk.