| Groninger Studentenbond | ||
|---|---|---|
| Zetel | ||
| Oprichting | statutair 1 juni 1965; in huidige vorm 1971 | |
| Aansluiting | Landelijke Studentenvakbond | |
| Instellingen | RUG en Hanzehogeschool | |
| Doel | Studentenbelangenbehartiging | |
| Werkgroepen | Juridisch Steunpunt Huurteam GSb-onderzoeksbureau Huisvestingswerkgroep Nait Soez'n | |
| Website | www.groningerstudentenbond.nl | |
De Groninger Studentenbond (GSb) is een progressieve studentenvakbond (belangenorganisatie) van studenten aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Hanzehogeschool. De GSb houdt zich bezig met onderwijskwaliteit, huisvesting en leefomstandigheden van studenten en is als organisatie lid van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb).
De GSb is ontstaan in 1971 uit de oudere Groninger Studentenraad (Gronstra). De studentenbond was in de jaren zeventig een bloeiende en invloedrijke organisatie met 2 tot 3000 leden. De nauwe banden met de Communistische Partij van Nederland (CPN) gingen gepaard met successen, maar leidden ook tot veel kritiek. Ze werden in 1979 verbroken. In de jaren negentig stortte de organisatie in, maar daarna trad een zeker herstel in. In 2025 had de GSb 350 leden.
Het huisorgaan van de GSb is vanaf 1972 het blad Nait Soez'n; het interne scholingsorgaan heette tot 1979 Lokomotief.
De GSb heeft veelvuldig overleg met de gemeente Groningen, de Hanzehogeschool en de Rijksuniversiteit over onder andere onderwijszaken, studentenhuisvesting en andere zaken die belangrijk zijn voor de studenten in Groningen.
Het Juridisch Steunpunt biedt studenten advies over onderwijsrecht, studiefinanciering en arbeidsrecht, bijvoorbeeld in het geval van bijbanen. Twee dagen per week bemant het Steunpunt de studentenlijn van de Landelijke Studentenvakbond. Daarnaast heeft de GSb een Huurteam dat kamers opmeet, toetst aan de wettelijke normen voor kamerverhuur, ondersteuning biedt bij conflicten met verhuurders en juridisch huurrechtadvies geeft.
Ook geeft de GSb het Kamerboek uit, een gids met tips voor eerstejaars over het zoeken van woonruimte, die gratis wordt verspreid onder alle nieuwe studenten.
De GSb geeft sinds 1972 een eigen blad uit onder de naam Nait Soez’n, dat zowel een ledenblad is als een publiek gericht medium. Nait Soez’n heeft een onafhankelijke status: de redactie stelt het blad naar eigen inzicht samen en legt geen verantwoording af aan het bestuur van de GSb.
De GSb heeft tevens een onderzoeksbureau dat studentgerelateerde problemen en ontwikkelingen analyseert via enquêtes en interviews met studenten. Daarmee maakt de GSb knelpunten inzichtelijk, zodat zijn vertegenwoordigers de resultaten kunnen gebruiken in gesprekken met de gemeente en de onderwijsinstellingen.
De Groninger Studentenbond komt voort uit de Groninger Studentenraad (Gronstra), een overlegorgaan van studenten aan de Rijksuniversiteit, een soort studentenparlement. Op 1 juni 1965 werden de statuten van de Gronstra, formeel de Vereniging Groninger Studenten, ingediend bij de notaris. Een van de voorzitters was de latere PvdA-politicus Jacques Wallage. De Gronstra had in 1968 ruim 2000 en in 1972 3500 (stemgerechtigde) leden.
In 1963 werd bovendien landelijke Studentenvakbeweging (SVB) opgericht, een progressieve beweging die de maatschappelijke positie van studenten wilde versterken. De SVB vormde de grootste fractie binnen de Gronstra. Nadat de SVB door ideologische haarkloverij in 1970 ter ziele was gegaan, viel er een gat in het bestuur van de Gronstra. Een groepje oud-bestuurders besloot daarop onder de naam Groninger Studentenbond mee te doen aan de Gronstraverkiezingen. Aangezien er geen tegenkandidaten waren, won deze groep alle zetels. De grondraden of basisgroepen van kritische studenten die begin jaren zeventig op een aantal opleidingen ontstonden, voegden zich vervolgens samen met het Gronstra-bestuur om in augustus 1971 een echte studentenvakbond te vormen. De Gronstra bleef aanvankelijk als parallelorganisatie bestaan. Nadat de GSb in februari 1972 de meerderheid in de ledenraad had verkregen nam het GSb-bestuur eind oktober leiding van de Gronstra over, waarna deze organisatie de facto werd opgeheven.
De kiem voor de ideologie van het 'studentencommunisme' werd gelegd door linkse hoogleraren en docenten, met name in Amsterdam. De belangrijkste doelstellingen van de GSb waren het verbeteren van het onderwijs (zowel inhoudelijk als methodisch), het bevorderen van de toegankelijkheid van de universiteit (via een ruimere studiefinanciering, lagere studiekosten en betere studentenvoorzieningen) en het tonen van solidariteit, zowel internationaal als binnen de eigen regio. Om het maatschappelijke karakter van deze doelstellingen tot uitdrukking te brengen sprak men ook wel over een 'politieke vakbond'. Deze moest zich ontwikkelen tot een effectieve strijdorganisatie die directe banden legde met andere maatschappelijke organisaties. Dit sloot aan bij de neomarxistische opvatting die de studenten als bondgenoten of zelfs als 'voorhoede' van de arbeidersbeweging beschouwde. Deze voorhoede diende de 'massa der studenten' te mobiliseren. Een maoïstische minderheid – leden van de Marxistische Leninistische Studentenbond – was van mening dat men beter aan het werk kon gaan in de fabrieken, om zich daar met de arbeiders te solidariseren.
Aanleiding voor het oprichten van de GSb was de nieuwe Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB), die radicale democratisering van het universitaire bestuur sinds eind jaren zestig gedeeltelijk terugdraaide. In plaats van een nieuwe vereniging op te zetten, namen de GSb'ers na een seminar in juni 1971 de bestaande organisatie van de Gronstra over. Dit vanwege "de middelen die de Gronstra ter beschikking had (financiën, apparaat) en de noodzaak van een eenheid onder de studenten tegen de donkere wolken van Biesheuvel I die kwamen aandrijven," aldus de eerste GSb-voorzitter Thewis Wits. Een aantal Gronstra-leden beschouwde deze overname door de GSb als een ongewenste ontwikkeling, door hen soms aangeduid als coup. De door Gronstra opgezette service-organisaties, zoals de studentenwinkel, het studentenuitzendbureau en filmclub Liga '68, besloten zelfstandig verder te gaan. Belangrijkste slachtoffer was het studentenblad Der Clercke Cronike, met als hoofdredacteur de linkse socioloog Bart Tromp, die kritisch stond ten opzichte van de GSb. De Databank, een in 1969 opgerichte radicaal-linkse boekhandel naast de ingang van het Academiegebouw, schaarde zich aan de kant van de GSb.
De oppositiegroep Boemerang – vooral bestaande uit PvdA-aanhangers en oud-activisten die het democratische karakter van de Gronstra als studentenparlement wilden bewaren en bezwaar hadden tegen de (in hun ogen) incrowdsfeer en botte stijl van de GSb – probeerde in februari 1972 het tij te keren. De groep haalde bakzeil met minder dan een derde van de beschikbare zetels (9 van 30) in de ledenraad; de rest ging naar de GSb. Daarmee werd de ledenraad feitelijk overbodig; de GSb-beleidsraad, bestaande uit vertegenwoordigers van de basisgroepen (faculteitsgroepen), nam uiteindelijk het bestuur van de Gronstra over.
Ook werd er een meer rechts georiënteerde belangenorganisatie en kiesvereniging voor de universiteitsraadverkiezingen opgericht onder de naam GROS (Groningen Organisatie van Studenten), die sterk tegen Vindicat en Albertus Magnus aanleunde, maar in 1976 weer werd opgeheven. Een GSb-boycot van de verkiezingen voor de universiteitsraad in 1972, gericht tegen invoering van de WOB, leidde niet tot het gewenste resultaat. Bij de volgende verkiezingen in 1973 behaalde de GSb negen van de elf beschikbare zetels.
De GSb werd aanvankelijk gedragen door een honderdtal actieve kaderleden. De bond groeide vervolgens uit tot een bloeiende vereniging met 2000 leden in 1972, een aantal dat verder opliep tot 3000, om daarna terug te vallen tot iets minder dan 1500 in 1977. De studentenbevolking was overwegend links georiënteerd, waardoor de GSb op alle bestuurlijke niveaus veel invloed kreeg. Op alle grote opleidingen ontstonden basisgroepen. Een uitzondering hierop was de opleiding geschiedenis, die door de anarchistische Aktiegroep Aktivering werd gedomineerd. De basisgroepen op de sociale faculteit waren het sterkst en leverden de meeste GSb-bestuurders. In het studiejaar 1976-77 waren er maar liefst 17 basisgroepen, waarvan zeker een tiental geregeld deelnam aan de beleidsraad. Als erkende studentenbelangenorganisatie mocht de GSb studentleden voordragen voor universitaire organen, zoals het bestuur van de SSH (Stichting Studentenhuisvesting), de subfaculteits- en faculteitsbesturen, en zelfs als adviseur van het College van Bestuur.
Het aantreden van het Kabinet-Den Uyl in 1973 leidde echter tevens tot verdeeldheid; een deel van de achterban verwachtte een radicaler links beleid en raakte teleurgesteld in de Haagse politiek. Wel zorgden felle protesten tegen de collegegeldverhoging (van 200 naar 1000 gulden) en een landelijke collegegeldboycot voor een enorme stimulans voor het Groningse studentenactivisme. Na een eerdere bezetting in februari 1971, volgde in februari 1973 de bezetting van het Academiegebouw. Het gebouw werd op last van het College van Bestuur door de politie ontruimd; ruim de helft van de 700 bezetters werd gearresteerd. De landelijke acties waren succesvol. Het nieuwe kabinet besloot in 1974 het collegegeld naar slechts 500 gulden te verhogen. Nieuwe bezettingsacties volgden in 1974 en 1980. Tussendoor, in 1975, voerde de bond actie voor een nieuwe vestiging van de RUG in Leeuwarden, die het jaar daarop werd geopend.
De studentenbond ontwikkelde in deze jaren nauwe banden met de Communistische Partij van Nederland (CPN), waarvan de Groningse afdeling onder leiding stond van de charismatische politicus Fré Meis. De communistenleider "fungeerde als een soort verbindingsofficier tussen twee sociale groeperingen die tot dan toe vreemden voor elkaar waren geweest", schrijft historicus Gerrit Voerman. Hij overtuigde zijn partijgenoten de alternatieve jongeren met hun lange haren en baarden serieus te nemen. Een flink aantal studenten, met name kader- en bestuursleden, werd vanaf 1972 toegelaten als lid van de CPN. Het aantal CPN-leden in de provincie groeide in deze periode van 500 in 1973 tot 1300 in 1977 en 1500 in 1979.
De communistische partij had een goede reputatie had opgebouwd door het verzet in de Tweede Wereldoorlog. De organisatie kenmerkte zich door daadkracht, slagvaardigheid en solidariteit, en dat sprak veel studenten aan. Het marxisme-leninisme bood bovendien een theoretisch kader voor een opstandige generatie die op zoek was naar alternatieven voor de bestaande orde. Ook schuldgevoelens over de eigen sociale achtergrond speelden soms een rol. Al tijdens het seminar van juni 1971 koos de Gronstra voor een organisatiemodel dat ontleend was aan de Amsterdamse zusterorganisatie ASVA, die op haar beurt teruggreep op het voorbeeld van de CPN. Het concept van de politieke vakbond dat men omarmde was nauw verbonden met het ideaal van het democratisch centralisme, zoals verwoord door Vladimir Lenin in de leus "vrijheid in discussie, eenheid in actie". Dit betekende dat alle centraal genomen bindend waren voor de hele beweging. Aan het ervaren oordeel van de leiding diende niet getwijfeld te worden. Een onbedoeld gevolg was dat men weinig deed met de intellectuele inbreng van de toegestroomde studenten; zij werden vooral aan het werk gezet. De bestuurlijke transparantie was beperkt.
De GSb speelde een grote rol bij het organiseren van de Groningse volkscongressen in 1972, 1975, 1977, en 1980. Van het begin af aan bestonden er veel contacten met linkse arbeiders in Oost-Groningen. Zo gaven de Gronstra en andere studentenorganisaties in 1969 steun aan actievoerders in de strokartonindustrie. Ook bestonden er nauwe banden met geëngageerde studiegroepen waarin medewerkers en studenten met burgers samenwerkten aan actieonderzoek, zoals de Themagroep Noord-Nederland (1970) onder leiding van oud-studentenleider en zelfverklaarde communist Ton Regtien. Het onderzoek van de groep richtte zich op "de opleving van de klassenstrijd ... in Oost-Groningen". GSb'ers namen verder het voortouw bij de acties van het comité Stop de Neutronenbom in april 1978, die vanuit de CPN werden gecoördineerd. Bekende GSb-leden die zich aansloten bij de CPN waren onder andere de latere CPN-wethouder Thewis Wits, toekomstig SP-Kamerlid Paul Ulenbelt, en Geert Lameris, de latere secretaris van het CPN-district Groningen en tevens rechterhand van Fré Meis.
Daarentegen groeide de kritiek op de centralistische en weinig democratische werkwijze van de GSb. Zo werden studenten die het collegegeld wel betaalden (al was het maar omdat dat automatisch van hun beursgeld werd ingehouden) onder druk gezet om hun studentenkaart niet op te halen. De sociale druk binnen de organisatie was groot: van de actieve leden werd verwacht dat ze veel tijd besteedden aan het actiewerk, zoals stencillen, drukwerk verspreiden en canvassen. De meest actieve bestuurders troffen elkaar in het stamlokaal Café Wolthoorn & Co en overlegden geregeld met de CPN-bestuurders in het kantoor verderop aan de Turftorenstraat. Onwelgevallige acties werden op last van de districtssecretaris afgeblazen. Ook bestond er op de achtergrond een 'communistisch studentenoverleg'. "We waren met van alles bezig", vertelt een van de betrokkenen, "we hadden nog net wat tijd voor onze studie". Een andere betrokkene herinnert zich in 1991 de gezelligheid:
Het mooie van de bond is niet meer. Dat was het GSb-kantoor, een pijpela aan de Visserstraat, waar op zondagavond in de kelder tussen dozen inkt en papier voor de stencilmachine, het archief of de verzameling oud papier die daarvoor doorging, het bestuur de toestand van het onderwijs in Nederland en de wereld besprak en uitstippelde wat daar de komende weken aan gedaan moest worden. Er was altijd wel wat, dat een vlammend pamflet, een nijdige handtekeningenactie vereiste. En daarna naar de kroeg, cafe Wolthoorn in de Turftorenstraat.
Scholingsactiviteiten kregen veel aandacht. De werken van Marx, Lenin en andere theoretici werden bekend verondersteld. De koers van de studentenbeweging werd telkens bepaald in dagenlange seminars die elk jaar rond de kerst, Pasen en in de zomervakantie plaats vonden. Dit gebeurde aan de hand van gestencilde bijdragen in het interne blad Lokomotief, waarvan tussen 1972 en 1979 25 nummers verschenen. De bijeenkomsten werden geopend met beschouwingen over de 'algemene politieke situatie' in Nederland. De critici spraken echter over "een sekte-achtig clubje getrouwen" dat de koers in onderling overleg afstemde en geen tegenspraak duldde. De 'gestaalde kaders' van de GSb intimideerden en bedreigden soms medestudenten en zelfs docenten. Een dieptepunt was de hetze tegen de linkse hoogleraar Ger Harmsen, die voor NAVO-professor werd uitgemaakt omdat hij met de CPN had gebroken. Een mantelorganisatie van de CPN was de studentenbond niet, daarvoor volgde men teveel een eigen koers. De opstandige generatie van 1968 las anderen liever de les dan dat zij zich zelf liet bevoogden.
Binnen de Universiteitsraad verloor de GSb veel invloed, nadat de progressieve fracties waarmee zij samenwerkte in 1975 hun meerderheid kwijtraakten. De psycholoog Wim Hofstee schreef aan de hand daarvan een bijtend artikel in de Universiteitskrant, waarin hij de opkomst van het 'studentencommunisme anno 1976' als een vorm van vrijblijvend studentikoos gedrag hekelde. "Omdat de GSb zichzelf beschouwde als strijdbare voorhoede van de massa van de studenten, koos de bond consequent voor polarisatie en confrontatie", concludeert universiteitshistoricus Klaas van Berkel. Met andere woorden: om de achterban te mobiliseren zochten de voormannen bewust het conflict.
Dissidente GSb'ers richtten in 1974 het Federatief Studentenoverleg (FSO) op, een interne oppositiebeweging met een eigen blad, Ruggelinks, en nauwe banden met enkele basisgroepen, met name biologie, medicijnen, natuurkunde en economie. Belangrijkste steen des aanstoots was dat de GSb zich teveel bezighield met materiële belangenbehartiging en daarmee de studieinhoud en noodzakelijke kritiek op de gangbare wetenschapsbeoefening verwaarloosde. Toen de concurrent van de GSb (GROS) ophield te bestaan, besloot een aantal niet-GSb-leden van faculteitsraden in 1976 deel te nemen aan de verkiezingen voor de Universiteitsraad onder de naam Progressieve Studenten Federatie (PSF). Tegelijkertijd werd er ook een concurrerende belangenorganisatie opgericht – de SORUG (Studenten Organisatie Rijksuniversiteit Groningen). Het FSO maakte zich begin 1978 los van de GSb, maar ging na enkele jaren alsnog ter ziele. De GSb- en PSF-kandidaten vormden vervolgens in 1983 een gezamenlijke lijst onder de naam GRUNK; PSF en SORUG zijn later opgegaan in de Studenten Organisatie Groningen (SOG).
Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig liepen de ledentallen van de studentenbeweging geleidelijk terug en nam haar invloed af. Al in 1977 luidde het bestuur de noodklok: seminars en scholingsavonden werden slechts door enkele tientallen mensen bezocht, terwijl het ledental afnam. Veel leden en activisten van de eerste generatie waren afgestudeerd of bezig af te studeren. Daarbij speelde tevens een rol dat de CPN na de verkiezingsnederlaag van 1977 in verwarring was geraakt. Terwijl de partijleiding zich weer sterker orënteerde op Moskou pleitte de interne oppositie juist voor 'destalinisatie' van de partij. Critici pasten dit model ook toe op de studentenbeweging. De machtsstrijd en de discussies binnen de CPN leidden uiteindelijk tot toenadering tot andere linkse partijen en het opgaan van de partij in Groen Links (1990).
Voorjaar 1979 volgde een belangrijke koerswijziging waarbij de GSb haar nauwe banden met de CPN verbrak. Er was sprake van een soort paleisrevolutie, waarbij afstand werd genomen van het democratisch centralisme en het ideaal van een politieke vakbond. De beleidsraad met afgevaardigden van afzonderlijke basisgroepen werd vervangen door de Algemene Studenten Vergadering. Grensverleggend was een intern discussiestuk van GSb-bestuurder Piet-Hein Schlebusch, onder veelbetekenende leuze: "Sterft gij oude vormen en gedachten!". Het maandblad Nait Soez'n, met Martin Bril als een van de toonaangevende redacteuren, brak als eerste een lans voor een frisse aanpak en werd omgevormd tot een open discussieplatform. In de zalen van het Filosofisch Instituut vonden verhitte discussies plaats over de ideologische grondslagen van de linkse beweging, de betekenis van het eurocommunisme en de twijfelachtige rol van het Oost-Europese staatssocialisme. De basisgroep sociologie was een van de laatsten die van koers veranderde. Op het vierde Volkscongres te Winschoten in april 1980 liet GSb-voorzitter Peer Coenen voor het eerst een kritisch geluid horen. Na afloop van het manifestatie verscheen een pamflet onder de titel 'Een volgend Volksconges kan beter', ondertekend door de GSb en andere linkse organisaties. De 'CPN-dominantie zou de 'politieke breedheid' van de organisatie staan.
Ook veranderingen in de jongerencultuur hadden hun weerslag. Bij de bezetting van het Academiegebouw in mei 1980 trad bijvoorbeeld Dirk van Weelden met zijn technoband Gdansk op – een naam die impliciet verwees naar de Poolse oppositiebeweging Solidarność. Milieuproblematiek, multiculturele vraagstukken en genderkwesties kwamen hoger op de agenda. De oudere generatie GSb-ers had hiervoor weinig begrip. Oud-activist Henk van de Velde, uitgever van een in 2025 verschenen gedenkboek dat de vroege jaren zeventig tot leidraad neemt, schrijft in een nabeschouwing:
De oprichters van de GSb droegen het revolutionair elan van de eind jaren zestig mee en het vrijheidsideaal van de flowerpowerbeweging. Zij behoorden ook tot de eerste generaties uit lagen van de bevolking die voorheen niet of nauwelijks voor een universitaire studie konden kiezen. Dat lag in de tweede helft van de jaren zeventig alweer heel anders. Het besef dat georganiseerde strijd nodig was om de universiteit toegankelijk te maken en te houden en om te zorgen dat studieinhoud juist niet in dienst zou staan van de heersende economische belangen kwam meer en meer op de achtergrond. De factor tijd speelde ook een rol. De verkorting van de studieduur had vanzelfsprekend effect op de mogelijkheid om tijd te besteden aan zoiets als een studentenvakbond. De meest bevlogen studenten bleven over.
Het Landelijk Overleg Grondraden (LOG) was inmiddels ter ziele gegaan. Door de vele interne ideologische strijdpunten, versterkt door de richtingenstrijd binnen de CPN, had de studentenbeweging geen antwoord op actuele politieke kwesties, zoals de WHWO (Wet op Herstructurering van het WO), WWO'81 en verdere collegegeldverhogingen. De studentenbeweging was bovendien door haar dogmatische standpunten in een kwaad daglicht komen te staan, en onder studenten nam de aanhang snel af; de belangstelling voor universitaire verkiezingen liep eveneens terug. Kritische studierichtingen stonden onder druk. Ook de economische crisis, de instortende arbeidsmarkt en bezuinigingsmaatregelen droegen hieraan bij. Hierdoor werd het voor de centrumrechtse regeringscoalitie gemakkelijker een aantal hervormingen uit de jaren zeventig die als ongewenst werden ervaren terug te draaien.
Een deel van de GSb zocht intussen aansluiting bij de kraakbeweging. Dat begon als een initiatief van SORUG, die in 1977 aan het begin van de KEI‑week het leegstaande hotel Elzinga wilde kraken en onder de naam Krakers Kollektief Groningen een platform van lokale politieke en maatschappelijke organisaties vormde. Toen de GSb zich later aansloot en probeerde SORUG buitenspel te zetten, leidde dat tot een breuk. De GSb richtte vervolgens samen met de PSP en jongerencentrum Vera de Kraak Organisatie Groningen (KOG) op, die een kraakspreekuur hield in het GSb‑dienstencentrum. De KOG was betrokken bij de kraak van het grootste kraakpand van Nederland, het ORKZ. SORUG ging intussen met Slaaphuis, JAC en Paraplutheater verder als de Praktische Krakers Groep (PKG).
Toen in 1983 de landelijke LSVb werd opgericht, waarin de GSb een belangrijke rol speelde, leek de interne verdeeldheid wat af te nemen. Het ledental was in 1981 gezakt tot ongeveer 1000 – nauwelijks meer dan de vereiste vijf procent van de studentenpopulatie – en dreigde verder te dalen. Een voorstel om de bond om te vormen tot een discussieplatform leidde in 1983 tot een tegenbeweging die teruggreep op het ideaal van de politieke vakbond.
Het rechtse beleid van de minister van Onderwijs, CDA’er Wim Deetman, gaf studenten een directe aanleiding om opnieuw actie te voeren, waarop de GSb inspeelde. De organisatie trok zich als zelfstandige fractie terug uit de universiteitsraad en richtte zich sterker op belangenbehartiging. Daarbij hield men stevig vast aan het ledental om de universitaire subsidies niet te verliezen. In 1987 had de GSb nog steeds 1000 leden, evenveel als de concurrerende organisatie SORUG; in 1989 zelfs 1200. In 1988 nam de GSb bovendien de taken over van de Groningse HBO‑Bond, die sinds 1972 bestond.
Het ledenaantal van de GSb daalde in de jaren negentig plotsklaps tot minder dan 300 in 1992. De bond radicaliseerde opnieuw en aan studentenbelangenbehartiging werd een tijdlang weinig meer gedaan. April 1990 bezetten activisten van de LSVb de Informatiseringsbank uit protest tegen bezuinigingsplannen van onderwijsminister Jo Ritzen. De ontruiming leverde een schadepost op van 420.000 euro, die op 32 actievoerders werd verhaald. Bij latere acties werd hieruit leergeld getrokken. Een column op de voorpagina van Nait Soez’n, waarin – om te benadrukken dat veel onderwerpen in Nederland onbespreekbaar zijn – provocerend werd gesuggereerd dat Anne Frank niet was overleden maar als transseksuele man in Zuid‑Amerika leefde, leidde tot veel kritiek en een groot aantal opzeggingen. Op het dieptepunt, voorjaar 1993, had de bond niet meer dan 50 leden en geen bestuur.

Al snel begon de wederopbouw. Bij protesten tegen de invoering van de tempobeurs in 1993 hielden actievoerders urenlang het Zuiderdiep bezet. De GSb distantieerde zich van de actie om niet – zoals eerder – aansprakelijk te worden gesteld, maar de bezetting gold achteraf als een ommekeer.
Na een 'machtsovername' door leden van het anarchistisch georiënteerde Studenten Actie Front (SAF) ging de GSb zich weer sterker met belangenbehartiging bezighouden. Ook wist de nieuwe garde royement uit de landelijke LSVb te voorkomen. De ASVA stuurde hierop aan omdat de GSb het anti-racistische standpunt van de LSVb niet zou hebben gehandhaafd.
In de periode 1994-1996 (tijdens de tweede bewindsperiode van Jo Ritzen) vond een golf van acties en demonstraties plaats – tegen collegegeldverhogingen en het verder inperken van studenteninspraak. De GSb was hierin zeer actief. Het hoogtepunt van de actiegolf kwam eind maart 1996 toen een aantal studentactivisten op persoonlijke titel drie dagen lang in de vrieskou op het dak van een van de torens van de Informatie Beheer Groep bivakkeerden uit protest tegen invoering van de prestatiebeurs, terwijl ze via een kabelbaan werden bevoorraad (dit op kosten van de LSVb en een sympathiserend buurtcafé). De acties hadden geen succes. De actievoerders werden gearresteerd maar niet vervolgd. In 1997 trad de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB) in werking, die de invloed van studenten op het bestuur verder terugdrong.
Vanaf midden jaren negentig heeft de GSb zich staande weten te houden als belangenbehartiger voor studenten in Groningen. Het ledental bleef echter steken bij 250 in1996. Datzelfde jaar werd het GSb-Studentensteunpunt opgericht, een telefoonlijn waar studenten door juridisch geschoolde medewerkers geholpen werden met hun klachten, bijvoorbeeld over de instelling waar zij studeerden, hun studiefinanciering en hun huisvesting.
In 1997 werd een eigen fractie in de centrale medezeggenschapsraad van de Hanzehogeschool opgericht, aanvankelijk onder de naam Progressieve Studentenfractie (PSF). In 2000 volgde een tweede fractie in de universiteitsraad van de RUG, het Vooruitstrevend Overleg Studenten (VOS). Ook de CMR-fractie nam die naam aan. Tot augustus 2007 opereerden beide fracties als VOS; vanaf het collegejaar 2007-2008 veranderde de naam in GSb-fractie – de naam die eerder tot 1983 was gebruikt voor de GSb-vertegenwoordiging in de universiteitsraad. Ook in de faculteitsraden van beide instellingen kenden meermalen VOS-fracties. In 2009 bezette de GSb twee van de twaalf zetels in de universiteitsraadraad; de GSb-fractie op de Hanzehogeschool kreeg drie van de negen zetels. De GSb had in 2015 geen zetels meer in deze raden.
Naast medezeggenschap richtte de GSb zich sterk op studentenhuisvesting, met een nadruk op de handhaving van het huurrecht. Nadat pogingen om de gemeente Groningen tot het oprichten van een huurteam te bewegen waren mislukt, richtte de GSb zelf zo’n team op, met ondersteuning van de Woonbond.
Op onderwijsgebied richtte de GSb zich tegen niet-inhoudelijke blokkaderegelingen; zo was de bond een van de dragende krachten in het verzet tegen de 'harde knip' die minister Ronald Plasterk in 2008 wilde invoeren.
In 2015 werd de Stichting voor Onderzoek naar de Geschiedenis van de Groninger Studentenbond opgericht. Deze stichting zette zich ervoor in dat het boek van de in 2020 overleden historicus Ruud Weijdeveld over de (voor)geschiedenis van de GSb tot 1980 voltooid zou kunnen worden. Twee oudgedienden uit de studentenbeweging bezorgden de uitgave en schreven een voorwoord en slotconclusies.
PvdA-politicus en burgemeester van Groningen Jacques Wallage was in 1969 voorzitter van de Gronstra, waaruit de GSb voortkwam.