| Caffarelli | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Gaetano Majorano | |||
| Ook bekend als | Caffarelli | |||
| Geboortedatum | 12 april 1710 | |||
| Geboorteplaats | Bitonto | |||
| Overlijdensdatum | 31 januari 1783 | |||
| Overlijdensplaats | Napels | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazanger, toneelspeler | |||
| Leermeester(s) | Cafaro | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera | |||
| Zangstem | mezzosopraan | |||
| ||||
Caffarelli (Bitonto, 12 april 1710 - Napels, 31 januari 1783), geboren als Gaetano Majorano, was een Italiaanse castraatzanger. Hij was een van de beroemdste castraten van zijn tijd en vergaarde met zijn zangcarrière een fortuin.
Gaetano was de zoon van Vito Majorano en Anna Fornella. De jonge Gaetano kreeg zangles bij ene Caffaro, die uiteindelijk ook de castratie regelde en in 1722 de twaalfjarige jongen naar Napels begeleidde. Gaetano zou aan deze leraar zijn bijnaam ontlenen waarmee hij uiteindelijk beroemd werd: Caffarelli.
Van zijn grootmoeder ontving hij 1720 een legaat. Een jaar later overleed zijn moeder, waardoor hij olijfboomgaarden en vastgoed in Bitonto erfde.
In Napels studeerde hij bij Nicola Porpora. Volgens een anekdote moest Caffarelli zich vijf jaar lang beperken tot één velletje papier met zangoefeningen. Het zesde jaar zou ook de uitspraak van het Italiaans aan bod zijn gekomen. Op een dag zou Porpora van achter zijn klavecimbel zijn opgestaan om Caffarelli te melden dat hij klaar was met zijn opleiding: de jongen had immers niets meer te leren en was nu de beste zanger ter wereld.
In 1726 volgde in Rome Caffarelli's debuut: hij zong de vrouwelijke rol Alvida in de opera Valdemaro van Domenico Sarro. Zijn succes nam snel toe en hij trad op in verschillende steden, zoals Venetië, Milaan, Turijn en Florence. In 1730 keerde hij terug naar Rome en ontving de erefunctie van kamermusicus van Gian Gastone de' Medici. Hij zong in 1732 met groot succes in Cajo Fabricio (1732) van Johann Adolf Hasse en Germanico in Germania van Porpora. Verder was hij te horen in Venetië, Milaan en Bologna. Hij trad in deze jaren op met beroemdheden als Francesca Cuzzoni, Anna Peruzzi en Farinelli.
In 1734 volgde Caffarelli's debuut in Napels met Il castello d'Atlante van Leonardo Leo. Hij werd hierna lid van de hofkapel van koning Karel en zou hier zo'n 20 jaar actief blijven. Hij trad op in een veelheid van opera's, onder andere van Giovanni Pergolesi, Leonardo Vinci, Giuseppe Conti en Christoph Willibald Gluck.
Hij kreeg overigens toestemming om, naast zijn aanstelling in Napels, ook elders op te treden, zowel in Italië als daarbuiten. Zo verzorgde hij optredens in Rome (1735) en Milaan (1736) en was hij enige tijd in Londen.
In het seizoen 1737-1738 was Caffarelli in Londen om in het King's Theatre op te treden. Hij zong daar in de pasticcio Arsace en nam de titelrollen op zich in Händels opera's Faramondo, Serse en Alessandra Severo. Voor Händel was de komst van Caffarelli belangrijk, omdat hij in die jaren moest concurreren met de Opera of the Nobility die Farinelli had weten te strikken.
Caffarelli's lastige karakter zorgde uiteindelijk voor problemen en hij keerde terug naar Napels.
In 1739 verscheen Caffarelli op koninklijke uitnodiging in Madrid. Hij zong hier bij een koninklijk huwelijk in de opera Farnace van Francesco Corselli.
In de jaren 40 en 50 reisde Caffarelli langs diverse steden, zoals Florence, Genua, Rome, Lucca en Modena. In 1749 was hij in Wenen, waar hij verzeild raakte in een vechtpartij met de dichter Giovanni Ambrogio Migliavacca.
Caffarelli werd in 1753 door de Franse koning Lodewijk XV uitgenodigd om naar Versailles te komen. Hij bleef in Frankrijk tot het daaropvolgende jaar en zong in opera's van Hasse. Uiteindelijk moest hij Frankrijk verlaten toen hij in een duel de dichter Ballot de Sauvot ernstig had verwond.

In 1754 trad Caffarelli op in Rome en Napels. Hij vertrok het jaar daarop naar Lissabon en zong in vier opera's waaronder drie van David Perez. Hij was daar net op tijd weg om de grote aardbeving van november 1755 te missen.
In 1756 was hij opnieuw in Madrid en bracht daar enige tijd door met de zanger Farinelli. Vervolgens keerde hij terug naar Napels.
Caffarelli had nu besloten een punt te zetten achter zijn operacarrière, maar bleef tot 1765 nog wel optreden met cantates en serenades. Hij kreeg in 1763 de kans om de leiding over het Teatro San Carlo in Napels te krijgen, maar hij weigerde.
Caffarelli had gedurende zijn carrière een fortuin vergaard. In 1754 liet hij in het centrum van Napels een paleis bouwen met het opschrift 'Amphion Thebas, ego domum' ('Amphion bouwde Thebe, ik bouwde dit huis'). Verder kocht hij in 1757 een eigen hertogdom met landgoed in Calabrië.
Hij wijdde zich in zijn laatste jaren aan de opvoeding van de kinderen van zijn jongere broer Pasquale.
Caffarelli's stem was een hoge mezzosopraan met een bereik van ruim twee octaven. Hij was de lieveling van veel vorstenhuizen en werd door veel critici beschouwd als de beste castraatzanger na Farinelli. Ook was hij een goed acteur. Componist Porpora had moeite met Caffarelli's karakter maar beschouwde hem als de grootste zanger die ooit in Italië was geboren. Händel schreef de titelrollen van Faramondo en Serse speciaal voor Caffarelli. Componist Gioachino Rossini zou in zijn opera Il barbiere di Siviglia (1816) de reeds 30 jaar eerder overleden zanger eren met een cameo.
Als persoon was Caffarelli niet altijd even makkelijk. Hij was opvliegend en kon erg arrogant doen tegenover zijn collega's en het publiek. Verschillende malen belandde hij in de gevangenis of stond hij onder huisarrest wegens misdragingen. In 1741 ging het mis toen hij op het podium suggestieve gebaren maakte naar zijn collega's; in 1745 vernederde hij de prima donna Giovanna Astrua tijdens een opvoering van Antigono. In Frankrijk moest hij vertrekken wegens de verwondingen die hij zijn tegenstander toebracht in een duel. Caffarelli kwam verder te laat bij repetities en uitvoeringen en kwam soms helemaal niet eens opdagen.
Op latere leeftijd werd zijn karakter zachter en werd hij zelfs als beleefd omschreven. Hij doneerde veel geld aan goede doelen en verzorgde de opvoeding van zijn neefjes.
Tijdens zijn verblijf in Frankrijk zou Caffarelli een gouden snuifdoos cadeau hebben gekregen van de koning, maar Caffarelli was niet onder de indruk: hij had namelijk wel mooiere exemplaren gekregen. De dienaar die de snuifdoos was komen brengen, was verbaasd, want dergelijke geschenken werden alleen gegeven aan de hoogsten van rang. Caffarelli meldde dat zij dan voortaan maar moesten zingen voor de koning, want hij had er geen zin meer in. Hierop kreeg hij van de koning een nieuw geschenk: een pas om Frankrijk binnen drie dagen te verlaten.