| Galeropsidaceae | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Familie | ||||||||||
| Galeropsidaceae Singer (1962) | ||||||||||
| ||||||||||
Galeropsidaceae is een familie van schimmels uit de orde Agaricales. De familie werd in 1962 beschreven door de mycoloog Rolf Singer.
Het typegeslacht is Galeropsis, maar dit geslacht wordt tegenwoordig als een synoniem van Panaeolus beschouwd.
De afbakening van Galeropsidaceae is in de loop van de tijd sterk veranderd. Verschillende geslachten die vroeger als zelfstandige genera werden beschouwd, zijn op grond van moleculair fylogenetisch onderzoek samengevoegd. Een uitgebreide fylogenomische studie uit 2026 ondersteunt Galeropsidaceae als een afzonderlijke, monofyletische familie binnen de Agaricales. De familie vormt daarin de zustergroep van de Bolbitiaceae.
In deze indeling worden twee geslachten tot Galeropsidaceae gerekend:
Panaeolus is veruit het soortenrijkste geslacht van de familie. Index Fungorum plaatst het geslacht eveneens in de Galeropsidaceae.
Het geslacht Staktophyllus werd in 2024 geldig gepubliceerd door Giovanni Consiglio, Mauro Marchetti en Alfredo Vizzini. De typesoort is Staktophyllus guttulatus, die vroeger als Panaeolus guttulatus werd aangeduid. In de fylogenetische analyse uit 2026 vormt Staktophyllus een duidelijk afzonderlijke lijn naast Panaeolus.
Een aantal namen die in oudere indelingen als afzonderlijke geslachten van Galeropsidaceae werden gebruikt, wordt in de herziening uit 2026 niet langer op geslachtsniveau erkend. Crucispora en Panaeolopsis worden daarin als synoniemen van Panaeolus behandeld. Ook soorten die traditioneel tot Panaeolina werden gerekend, worden opgenomen in Panaeolus, binnen het ondergeslacht Panaeolus subg. Panaeolina.
Binnen Panaeolus worden in deze indeling drie ondergeslachten onderscheiden:
Het ondergeslacht Bresadolomyces komt grotendeels overeen met het traditionele concept van Copelandia, maar omvat daarnaast soorten die eerder tot Crucispora werden gerekend.
De vruchtlichamen van soorten uit de Galeropsidaceae zijn klein tot middelgroot en meestal agaricoïd, hoewel ook afwijkende, gedeeltelijk gesloten vruchtlichaamvormen voorkomen. De sporenprint is zwart. De lamellen zijn grijs tot zwart en vaak gevlekt doordat de sporen niet overal gelijktijdig rijpen.
De basidiosporen zijn bruin tot donkerbruin, meestal relatief dikwandig en bezitten doorgaans een duidelijk zichtbare kiempore. Afhankelijk van de soort zijn de sporen glad, gestippeld of wrattig. Verschillende typen cystiden kunnen aanwezig zijn, waaronder cheilocystiden, pleurocystiden, caulocystiden en pileocystiden.
De soorten zijn saprotroof. Ze komen onder andere voor in graslanden, weilanden en bossen en op voedselrijke bodems. Veel soorten van Panaeolus zijn coprofiel en groeien op of in de omgeving van mest van planteneters.