De anti-genderbeweging is een pluriforme internationale beweging die tegen wat zij 'genderideologie' of 'genderisme' noemen. De aanhangers van deze beweging keren zich om verschillende reden tegen rechten van vrouwen en lhbti+ personen.
Leden van de anti-genderbeweging bevinden zich aan de (radicaal)rechtse kant van het politieke spectrum, zoals radicaal-rechts en rechtspopulisten, conservatieven en christelijke fundamentalisten. Sinds 2016 wordt de retoriek van deze beweging ook steeds meer gebruikt door 'genderkritische feministen', een vorm van trans-exclusief radicaal feminisme. Aanhangers van de anti-genderbeweging zijn tegen verschillende Vrouwenrechtenten, abortus, gendergelijkheid, genderstudies, gender-inclusief regeringsbeleid en tegen sommige lhbti+-rechten waaronder transgenderrechten, Volgens NRC bestaat de beweging uit "een allegaartje van extreem-rechts, ultraconservatieve christenen en een homobelangenorganisatie".
De term 'genderideologie' is door academici Stefanie Mayer en Birgit Sauer omschreven als een "betekenisloze term", en door Agnieszka Graff als een "geweldige naam voor alles wat conservatieve katholieken verachten". Het idee van genderideologie is ook wel omschreven als een morele paniek of een samenzweringstheorie, omdat het een geheime groep veronderstelt die de samenleving wil ondermijnen. Een rapport van het Europees Parlement koppelde de opkomst van de anti-genderbeweging in Europa aan desinformatiecampagnes die voor een groot deel door Rusland worden gesponsord. De Canadese Veiligheidsdienst heeft de anti-genderbeweging in verband gebracht met een risico op "extremistisch geweld" tegen de lhbti+-gemeenschap. UN Women heeft de anti-genderbeweging omschreven als extremistische anti-rechtenbewegingen die "haatdragende propaganda en desinformatie gebruiken om mensen met diverse seksuele geaardheden, genderidentiteiten, genderexpressies en geslachtskenmerken tot doelwit te maken en te delegitimeren."
De anti-genderbeweging wordt veelal vanuit het buitenland gefinancierd, door ultraconservatieve subsidieverleners en donateurs, religieuze instellingen, corporaties en andere geldbronnen.