De wetenschappelijke naam van de groep werd voor het eerst voorgesteld door Johann Georg Wagler in 1830. Er zijn 54 verschillende soorten, inclusief de pas in 2016 wetenschappelijk beschreven soort Geophis lorancai. De slangen werden eerder aan andere geslachten toegekend, zoals Colobognathus, Catastoma en Rhabdosoma.
Uiterlijke kenmerken
Deze slangen blijven klein en bereiken een maximale lichaamslengte tot ongeveer vijftig centimeter inclusief de staart. De staart is kort tot middellang, het lichaam heeft een cilindrische vorm en de kop is moeilijk van het lijf te onderscheiden door het ontbreken van een insnoering. De schubben op het midden van de rug kunnen zowel glad of gekield zijn, er zijn hier 15 tot 17 schubbenrijen in de lengte aanwezig.
Er zijn veel verschillen in de vorm van het gebit, de vorm en de oppervlaktestructuur van de schubben en in de vorm van de hemipenes, de geslachtsorganen van de mannetjes.
Levenswijze
Alle soorten leiden een verborgen bestaan in of op de bodem. Op het menu staan kleine, zachte prooien, zoals regenwormen en insectenlarven. De vrouwtjes zijn eierleggend.
De habitat bestaat uit vochtige tropische en subtropische bossen, voornamelijk bergbossen maar ook wel in laaglanden. Ook in door de mens aangepaste streken zoals weilanden, plantages en aangetaste bossen kunnen de dieren worden aangetroffen.
Beschermingsstatus
Door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN is aan 46 soorten een beschermingsstatus toegewezen. Negentien soorten worden beschouwd als 'veilig' (Least Concern of LC), 21 als 'onzeker' (Data Deficient of DD), twee als 'kwetsbaar' (Vulnerable of VU), een als 'gevoelig' (Near Threatened of NT) en twee soorten als 'bedreigd' (Endangered of EN). De soort Geophis damiani ten slotte staat te boek als 'ernstig bedreigd' (Critically Endangered of CR).
Soorten
Het geslacht omvat de volgende soorten, met de auteur en het verspreidingsgebied.