| Bleke grondbekerzwam | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Geopora foliacea (Schaeff.) S. Ahmad (1978) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Sepultaria foliacea | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De bleke grondbekerzwam (Geopora foliacea) is een schimmel uit de familie Pyronemataceae. Het is een grotendeels ondergronds groeiende zakjeszwam waarvan het vruchtlichaam bij rijpheid aan het bodemoppervlak openbreekt. De soort wordt als ectomycorrhizavormend beschouwd.
De soort werd in 1774 door Jacob Christian Schäffer beschreven als Helvella foliacea. Sultan Ahmad plaatste de soort in 1978 in het geslacht Geopora. De naam Sepultaria foliacea (Schaeff.) Boud. is een synoniem. Andere historische namen zijn onder meer Aleuria foliacea (Schaeff.) Gillet en Peziza lanuginosa Bull.
De apothecia ontwikkelen zich grotendeels of geheel onder de grond. Ze zijn doorgaans enkele centimeters breed; bij een recente onderzochte collectie waren ze 20–50 mm breed, terwijl in oudere beschrijvingen vruchtlichamen tot ongeveer 8 cm zijn vermeld. Bij rijpheid ontstaat aan het bodemoppervlak een opening met een onregelmatig gescheurde rand.
De binnenzijde, die het hymenium draagt, is glad en bleek crème- tot beigekleurig. De buitenzijde is bruin, fluweelachtig en behaard. Hierdoor kan een rijp vruchtlichaam aan de oppervlakte enigszins op een onregelmatige, geopende beker lijken, terwijl een groot deel ervan in de bodem verborgen blijft.
De asci zijn cilindrisch, hyaliene en inamyloïde, bevatten acht sporen en meten ongeveer (190–)200–235 × 16–21,8 µm.
De ascosporen zijn glad, hyalien, ellipsoïde en relatief dikwandig. Ze meten ongeveer 24,5–28(–30) × (14–)15,8–17,7(–18,5) µm en bevatten doorgaans een grote oliedruppel.
De parafysen zijn hyalien, gesepteerd en cilindrisch en kunnen iets boven de asci uitsteken. Ze bevatten kleine oliedruppeltjes. De haren aan de buitenzijde zijn tot ongeveer 10 µm breed, dikwandig, gesepteerd en hyalien tot bruinachtig. Het ectale excipulum is tot ongeveer 40 µm dik en bestaat voornamelijk uit min of meer bolvormige tot soms rechthoekige cellen.
Microscopische controle is nodig voor een zekere determinatie. De soort kan onder andere worden verward met andere grondbekerzwammen uit het geslacht Geopora. Moleculair onderzoek laat een nauwe verwantschap met Geopora sepulta zien. Bij die soort zijn de asci volgens een gebruikte vergelijking duidelijk langer, ongeveer 300–360 µm, terwijl de sporenmaten grotendeels overlappen.
De bleke grondbekerzwam is een ectomycorrhizavormende schimmel. In Nederland wordt de soort vooral vermeld uit loofbos op voedselrijk zand, groeiend op de grond en geassocieerd met loofbomen en -struiken.
Ook associaties met naaldbomen zijn bekend. Een in 2026 beschreven en moleculair bevestigde collectie uit Turkije groeide in een naaldbos onder Pinus. In de literatuur worden voor de soort associaties met zowel naald- als loofbomen genoemd.
De soort is onder andere uit Europa bekend. In 2026 werd Geopora foliacea voor het eerst met morfologische en moleculaire gegevens uit Turkije gemeld.
In Nederland komt de bleke grondbekerzwam 'zeer zeldzaam' voor. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt voor de periode 2004–2023 de zeldzaamheidsklasse zeer zeldzaam. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat de soort in de categorie 'Gevoelig'. Voor een zekere Nederlandse waarneming is microscopische controle gewenst.