Een gouden hoed is een type vondst uit de Late Bronstijd, dat vermoedelijk door dragers van de Urnenveldencultuur gemaakt werd. Er zijn tot dusver (2026) vier gouden hoeden bekend. Het zijn hoofddeksels van een zeer dun laagje goud, die uit de Late Bronstijd dateren. Drie vondsten zijn gedaan in Duitsland en één in Frankrijk. Het is mogelijk, dat ten minste een van de gouden hoeden is gemaakt in het huidige Zwitserland. Het zijn waarschijnlijk religieuze voorwerpen. De vele ringen, strepen en symbolen op het oppervlak van de hoeden, die op de zonneschijf en de maansikkel lijken, zijn aanleiding geworden om te veronderstellen, dat de gouden hoeden als kalender dienden.
De gouden buitenkant van de hoeden was vermoedelijk met leer of ander organisch materiaal gevoerd. Dit materiaal is niet bewaard gebleven.
Van de gouden hoeden van het Schifferstadt-type zijn er vier in Europa gevonden:
De kegelvormige gouden hoeden van het Schifferstadt-type zijn in de 19e en 20e eeuw in redelijke tot goede staat gevonden. De Berlijnse gouden hoed is van de vier het beste bewaard gebleven.
Waarschijnlijk speelden de gouden hoeden een rol bij religieuze ceremonies ter verering van de zon. In het Zweedse Kivik is een graf uit de bronstijd gevonden; een afbeelding op een stenen plaat bij dit graf toont iemand, die een op deze gouden hoeden gelijkend hoofddeksel draagt; dit zou een afbeelding kunnen zijn van een zonnegod of van een priester tijdens de verering van een zonnegod.
Er zijn verscheidene onderzoeken verricht naar de interpretatie van de versieringen op de gouden hoeden. Veel deskundigen hebben daaruit de conclusie getrokken, dat de hoeden een soort van tabel bevatten voor de bepaling van de zonnewende van rond 21 december of 21 juni, aan de hand van de maanstand. Daarvoor is een voor die tijd diepgaande kennis van de astronomie vereist, gebaseerd op nauwkeurige waarnemingen gedurende tientallen jaren.
De tot dusverre gevonden gouden hoeden bestaan uit een legering van ca. 85–90 % goud, ca. 10 % zilver en sporen van koper en tin (elk minder dan 1 %). Ze werden uit één plaat gedreven en daarna verder bewerkt tot uiterst dunne gouden werken, met een dikte van slechts 0,25 mm (Schifferstadt) en 0,06 mm (Berlijn).
Waarschijnlijk is het werkstuk tijdens de productie enige malen witgloeiend verhit, en tussentijds behandeld met bijenwas of hars; dit om barsten en scheuren in het product te voorkomen. De smid kan een houtskoolvuur en een pottenbakkersoven gebruikt hebben, om het werkstuk gelijkmatig genoeg te verhitten; een smidsknecht zal daarbij geholpen hebben door het bedienen van een blaasbalg. De geleerden zijn het erover eens, dat het maken van deze gouden hoeden een voor die tijd uitzonderlijk knap staaltje van edelsmeedkunst is geweest.
De kegelvormige gouden hoeden van het Schifferstadt-type zijn mogelijk cultureel verwant aan enkele soortgelijke, lagere hoofddeksels: